ECLI:NL:RBDHA:2026:5361

ECLI:NL:RBDHA:2026:5361

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-02-2026
Datum publicatie 15-03-2026
Zaaknummer C/09/695978 / FA RK 25-9374
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Voorlopige voorzieningen

Uitspraak

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 11 december 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A. Hansma in Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. E.M. van Veen in Gorinchem.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder van:

Op 29 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

Namens de man en de vrouw zijn op de zitting pleitnotities overgelegd en voorgehouden.

[de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben op 27 januari 2026 met de kinderrechter gesproken.

Feiten

Verzoek en verweer

De man verzoekt, bij wijze van voorlopige voorzieningen en zoals dat na aanvulling en verduidelijking nu luidt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- een voorlopige zorgregeling vast te stellen, waarbij de kinderen:

- in de oneven weken van woensdag uit school tot in de even weken woensdag naar

school bij de man verblijven, althans een voorlopige zorgregeling vast te stellen zoals de rechtbank juist acht;

- de helft van de (school)vakanties en feestdagen bij de man verblijven, althans een voorlopige verdeling van de schoolvakanties en feestdagen vast te stellen, zoals verzocht door de man in randnummers 17 en 18 van dit verzoekschrift, althans een voorlopige verdeling vast te stellen zoals de rechtbank juist acht;

- ten aanzien van de echtelijke woning:

- voorwaardelijk, in het geval de vrouw het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning krijgt toegewezen, ten aanzien van de gebruiksvergoeding: te bepalen dat de vrouw met ingang van 7 mei 2025, dan wel de datum van deze beschikking, totdat de woning is verdeeld een gebruiksvergoeding van € 1.980,66 per maand aan de man moet betalen, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag en ingangsdatum.

De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Daarnaast verzoekt de vrouw zelfstandig, bij wijze van voorlopige voorzieningen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens:

vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school, alsmede één avond in de week (bijvoorbeeld woensdagavond) bij de man eten in de week dat de kinderen niet in het weekend bij de man zijn zonder overnachting;

De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Voorlopige zorgregeling en uitsluitend gebruik echtelijke woning

Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat de situatie op dit moment zo is dat de vrouw met de kinderen in de echtelijke woning van partijen woont en dat de man sinds 7 mei 2025 in de eengezinswoning van zijn neef in de buurt van de echtelijke woning verblijft. De neef van de man woont met zijn partner in China en komt een paar keer per jaar terug naar Nederland. Tussen de man en de kinderen is sinds het uiteengaan van partijen geen vaste zorgregeling. Sinds september verblijft [de minderjarige 1] iedere week van donderdag tot vrijdag bij de man. [de minderjarige 2] heeft in januari 2026 twee keer bij de man overnacht. De man ziet [de minderjarige 3] op de voetbal en [de minderjarige 3] heeft ook een aantal keer bij de man overnacht.

De man wil graag dat een birdnestingsregeling wordt vastgesteld, waarbij hij en de vrouw om de week met de kinderen in de echtelijke woning verblijven, met het wisselmoment op woensdag om 12.00 uur. Deze regeling, waarbij de kinderen voorlopig volledig in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven en zij niet heen en weer hoeven te bewegen tussen woningen, is volgens de man het beste voor de kinderen. Volgens de man is een co-ouderschapsregeling ook altijd het uitgangspunt van partijen geweest en past dit bij de manier waarop partijen het ouderschap tijdens het huwelijk hebben vormgegeven. Verder wil de man dat een vakantie- en feestdagenregeling wordt vastgesteld. In de week dat partijen niet de zorg voor de kinderen dragen, hebben zij ieder de mogelijkheid om elders te verblijven. De vrouw kan dan bij haar familie in [plaats 3] verblijven en de man in de woning van zijn neef. Deze woning is volgens de man overigens op dit moment niet geschikt voor de kinderen om structureel te verblijven. De slaapkamers zijn in gebruik voor andere doeleinden, zoals een walk-in-closet en een kantoor, en daarmee niet makkelijk in te richten als vaste plek voor de kinderen.

De vrouw verzet zich tegen de vaststelling van een birdnestingsregeling. Volgens de vrouw is dit niet in het belang van de kinderen. De man woont inmiddels bijna een jaar niet meer in de echtelijke woning en het zou voor de kinderen verwarrend zijn als hij weer terugkeert. De vrouw vreest dat dit voor nog meer strijd, escalaties en wellicht opnieuw (fysiek) geweld zorgt. De vrouw vindt een co-ouderschapsregeling ook niet in het belang van de kinderen, omdat de vrouw gedurende het huwelijk het overgrote deel van de zorg voor de kinderen heeft gedragen. Verder is er veel voorgevallen tussen partijen, waardoor de benodigde communicatie en samenwerking die een co-ouderschapsregeling vergt, ontbreekt. Anders dan de man heeft de vrouw geen mogelijkheden om elders te verblijven. Haar moeder woont in [plaats 3] , op twee uur rijden van de echtelijke woning en is daarmee geen reële optie. De man verblijft in de eengezinswoning van zijn neef en in deze woning is voldoende ruimte om een eigen plek voor de kinderen te creëren. De vrouw wil een zorgregeling, waarbij de kinderen om de week van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de man zijn en in de andere week een doordeweekse avond bij de man eten. Tot slot verzoekt de vrouw om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan haar toe te wijzen.

De rechtbank overweegt als volgt. Zoals beide partijen ook hebben aangeven, is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat zij regelmatig en structureel contact hebben met de man. Door het eindigen van de relatie van partijen is een nieuwe situatie ontstaan voor partijen en de kinderen. Zelfs als het zwaartepunt van de zorg voor de kinderen gedurende het huwelijk voor het overgrote deel bij de vrouw lag, wat de man overigens heeft betwist, is de rechtbank niet gebleken van omstandigheden die ertoe leiden dat een gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor de kinderen op dit moment niet mogelijk of niet wenselijk is. De enkele stelling van de vrouw dat de man in het verleden – in haar eigen woorden – geweld heeft gebruikt, met name jegens [de minderjarige 2] en dat de vrouw vreest dat dit opnieuw zal gebeuren als de man structureel zorgtaken voor de kinderen op zich neemt, is onvoldoende om dit aan te nemen. De man heeft weliswaar erkend dat hij [de minderjarige 2] in het verleden drie keer een corrigerende tik heeft gegeven, maar hij heeft onbetwist gesteld dat dit voor het laatst in oktober 2024 is gebeurd, dat hij dit betreurt en dat hij hiervan heeft geleerd. Verder weegt de rechtbank mee dat de kinderen ieder voor zich hebben aangegeven dat zij graag meer contact met de man willen hebben. De rechtbank zal daarom voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] voorlopig een week-op-week-af-regeling vaststellen, waarbij zij in de oneven weken van woensdagmiddag uit school tot in de even weken woensdagochtend naar school bij de man zullen zijn en in de andere week bij de vrouw. Dit biedt aan partijen en de beide kinderen de benodigde stabiliteit en duidelijkheid en geeft hen de mogelijkheid om te wennen aan het nieuwe normaal. [de minderjarige 1] wordt in maart achttien jaar en dus meerderjarig, zodat de rechtbank voor hem geen beslissing meer zal nemen. Dit neemt overigens niet weg dat [de minderjarige 1] gewoon mee kan gaan in deze voorlopige zorgregeling, maar de rechtbank laat dit aan [de minderjarige 1] zelf over. De rechtbank zal verder bepalen dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] – en [de minderjarige 1] indien hij dat wenst – de helft van de vakanties en feestdagen bij de man respectievelijk de vrouw zullen verblijven en dat partijen dit in onderling overleg bij helfte moeten verdelen, omdat de vrouw op de zitting alsnog heeft ingestemd met dit verzoek van de man. De rechtbank zal aldus beslissen over de voorlopige zorgregeling, omdat zij dit in het belang van de kinderen acht en zal het meer of anders verzochte afwijzen.

De man wil graag dat deze voorlopige zorgregeling wordt uitgevoerd via een birdnestingsregeling. Subsidiair wil de man het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en de vrouw wil het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning.

De rechtbank is van oordeel dat er geen basis is voor de vaststelling van een birdnestingsregeling, mede omdat birdnesting een enigszins werkende verstandhouding tussen partijen vereist, terwijl in dit geval de verhouding tussen partijen gespannen is en de vrouw zich er bovendien tegen verzet. Verder ziet de rechtbank daarvoor ook geen aanleiding, omdat de man een geschikte verblijfplaats heeft waar hij de kinderen – mogelijk na wat aanpassingen in de woning – in ieder geval voorlopig structureel kan ontvangen. De kinderen hebben er ook al verbleven, zodat de rechtbank daar geen belemmeringen ziet. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat het te veel van de vrouw is gevraagd als zij de ene week in de echtelijke woning verblijft, en de andere week bij haar familie, waardoor haar leven volledig zou worden opgeknipt in een deel in [plaats 2] en een deel in [plaats 3] . Het primaire verzoek van de man, inhoudende dat de man de ene week bevoegd is tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en de vrouw de andere week, zal de rechtbank dan ook afwijzen. Omdat niet is gebleken dat de vrouw buiten de echtelijke woning een geschikte verblijfplaats heeft waar zij de kinderen kan ontvangen, zal de rechtbank ook het subsidiaire verzoek van de man tot het uitsluitend gebruik van de woning afwijzen. De rechtbank gaat daarmee dus voorbij aan de stelling van de man dat het in het belang van de kinderen is dat zij voorlopig volledig in hun vertrouwde omgeving moeten blijven wonen. Dat de kinderen zullen moeten wisselen tussen de woningen van partijen zal na de echtscheiding sowieso het geval zijn en het is voor de kinderen niet schadelijk om daar alvast aan te wennen. Nu de man de kinderen elders kan ontvangen en de vrouw geen alternatieven heeft voor een verblijf met de kinderen, zal de rechtbank het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw toewijzen.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om daarbij te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, afwijzen bij gebrek aan belang. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning is die partij namelijk ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen.

Toevertrouwing kinderen

Omdat de rechtbank een week-op-week-af-regeling zal vaststellen, waarbij de kinderen evenveel bij de man als bij de vrouw zullen verblijven, ziet de rechtbank geen aanleiding om de kinderen aan de vrouw toe te vertrouwen, zoals door haar is verzocht. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen. De man heeft overigens toegezegd dat hij ermee akkoord is dat de kinderen in de Basisregistratie Personen worden ingeschreven op het adres van de vrouw.

Voorlopige kinderalimentatie

Behoefte

Partijen zijn in mei 2025 feitelijk uit elkaar gegaan. Zij zijn het erover eens dat het netto besteedbaar gezinsinkomen € 11.998,- per maand is in 2025 en dat de behoefte van de kinderen € 1.845,- per maand is in 2025. Geïndexeerd naar 2026 is de behoefte van de kinderen € 1.930,- per maand.

Draagkracht vrouw

Partijen zijn het er ook over eens dat de draagkracht van de vrouw voor de voorlopige kinderalimentatie € 50,- per maand is.

Draagkracht man

Tussen partijen is in geschil van welke winst uit onderneming bij de berekening van de draagkracht van de man voor de voorlopige kinderalimentatie moet worden uitgegaan.

De vrouw stelt dat voor de berekening van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2022 tot en met 2024 van afgerond € 254.106,- per jaar.

Volgens de man is dit niet reëel. De man werkt als ZZP’er en eind 2025 zijn twee van zijn drie opdrachten beëindigd. De man heeft nu alleen nog een opdracht bij de [gemeente] voor 24 uur per week. Gelet hierop en omdat de man volgens een week-op-week-af-regeling voor de kinderen zal gaan zorgen, stelt de man zich op het standpunt dat voor de berekening van zijn draagkracht moet worden uitgegaan van een winst uit onderneming van € 155.000,- per jaar.

Dit is door de vrouw gemotiveerd betwist.

Mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de man dat voor de berekening van zijn draagkracht voor de voorlopige kinderalimentatie moet worden uitgegaan van een winst uit onderneming van € 155.000,- per jaar. De man heeft zijn stelling dat zijn winst in 2026 significant lager zal zijn dan voorgaande jaren onvoldoende onderbouwd. De rechtbank gaat ook voorbij aan de stelling van de man dat uit moet worden gegaan van een lagere winst uit onderneming, omdat hij straks om de week de volledige zorg voor de kinderen heeft. De man heeft ten aanzien van de zorgregeling aangevoerd dat co-ouderschap past bij de verdeling van de zorgtaken tijdens het huwelijk, en partijen blijven, zij het met een andere verdeling dan tijdens het huwelijk, de zorg voor de kinderen op dezelfde manier delen. De rechtbank zal in deze voorlopige voorzieningenprocedure, net zoals de vrouw heeft betoogd, voor de berekening van de draagkracht van de man uitgaan van de gemiddelde winst uit onderneming over 2022 tot en met 2024. Naar het oordeel van de rechtbank geeft dit, ook gelet op de resultaten over 2021 en op de prognose over 2025, een representatief beeld.

De rechtbank heeft geconstateerd dat een discrepantie bestaat tussen de hoogte van de winst uit onderneming in de rapporten aangiften Inkomstenbelasting en in de jaarcijfers. In deze voorlopige voorzieningenprocedure sluit de rechtbank aan bij de rapporten aangiften Inkomstenbelasting. Daaruit blijkt een winst uit onderneming van:

De rechtbank berekent de gemiddelde winst uit onderneming op afgerond € 254.106,- per jaar. De rechtbank zal verder rekening houden met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.

Partijen zijn het er wel over eens dat voor de berekening van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met premies voor inkomensvoorziening van € 6.657,- per jaar.

De rechtbank zal ook rekening houden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting, omdat de man hier voor [de minderjarige 3] vanwege de week-op-week-af-regeling recht op heeft.

De rechtbank berekent het netto besteedbaar inkomen (NBI) op € 12.227,- per maand in 2026 en de draagkracht van de man voor de voorlopige kinderalimentatie op € 5.036,- per maand.

Zorgkorting

De rechtbank volgt ook in dit opzicht het Rapport Alimentatienormen 2026 van de Expertgroep Alimentatie, waarin staat dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg.

Gelet op de vastgestelde voorlopige zorgregeling, zal de rechtbank rekening houden met een zorgkorting van 35%. De behoefte van de kinderen is 1.930,- per maand in 2026, zodat de zorgkorting (0,35 x 1930 =) afgerond € 676,- per maand is.

Draagkrachtvergelijking

De rechtbank stelt de gezamenlijke forfaitaire draagkracht van partijen vast op (50 + 5036 =) € 5.086,- per maand in 2025. Omdat de totale draagkracht van partijen de behoefte van de kinderen van € 1.930,- per maand in 2026 overstijgt, wordt een draagkrachtvergelijking gemaakt. De verdeling van de kosten over partijen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 50 / 5086 x 1930 = € 19,-

het eigen aandeel van de man bedraagt: 5036 / 5086 x 1930 = € 1.911,-

samen € 1.930,-

Van de totale behoefte van de kinderen komt dus een gedeelte van afgerond € 19,- per maand voor rekening van de vrouw en een gedeelte van afgerond € 1.911,- per maand voor rekening van de man.

Rekening houdend met de zorgkorting van afgerond € 676,- per maand, zoals hiervoor is overwogen, moet de man aan de vrouw voorlopig een kinderalimentatie voor de kinderen betalen van (1911 – 676 =) € 1.235,- per maand.

Ingangsdatum

De rechtbank zal, conform de hoofdregel van artikel 822 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), de datum van deze beschikking als ingangsdatum hanteren.

Conclusie

De rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 12 februari 2026, een voorlopige kinderalimentatie moet betalen van € 1.235,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen. Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het meer of anders verzochte over de voorlopige kinderalimentatie afwijzen.

Aanhechten berekening

De rechtbank heeft een berekening gemaakt van de draagkracht van de man. Deze berekening is aan de beschikking gehecht en maakt daarvan onderdeel uit.

Voorlopige partneralimentatie

Behoefte en aanvullende behoefte

Partijen zijn het erover eens dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw € 6.372,- per maand is in 2026. Omdat partijen het er ook over eens zijn dat de draagkracht van de man de beperkende factor is, hoeft de aanvullende behoefte van de vrouw niet te worden besproken.

Draagkracht man

De rechtbank zal voor de berekening van de draagkracht van de man voor de voorlopige partneralimentatie dezelfde cijfers en uitgangspunten hanteren als voor de berekening van de draagkracht van de man voor de voorlopige kinderalimentatie.

De rechtbank berekent het netto besteedbaar inkomen op € 12.227,- per maand en de draagkracht van de man voor de voorlopige partneralimentatie op € 4.316,- per maand. Hierop worden de door de man te betalen kosten voor de kinderen (inclusief de zorgkorting) van in totaal € 1.911,- per maand in mindering gebracht, zodat een draagkracht voor de voorlopige partneralimentatie overblijft van € 2.405,- netto per maand. Dit is bruto € 3.851,- per maand.

Ingangsdatum

De rechtbank zal, conform de hoofdregel van artikel 822 lid 2 Rv, de datum van deze beschikking als ingangsdatum hanteren.

Conclusie

De rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 12 februari 2026, een voorlopige partneralimentatie moet betalen van € 3.851,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen. Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het meer of anders verzochte over de voorlopige partneralimentatie afwijzen.

Aanhechten berekening

De rechtbank heeft een berekening gemaakt van de draagkracht van de man. Deze berekening is aan de beschikking gehecht en maakt daarvan onderdeel uit.

Gebruiksvergoeding

De rechtbank zal het verzoek van de man om een gebruiksvergoeding vast te stellen voor het gebruik van de echtelijke woning door de vrouw afwijzen, omdat dit verzoek niet onder de limitatieve opsomming van artikel 822 Rv valt.

Proceskosten

Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna in het dictum van deze beschikking is vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] [plaats 2] , met bevel dat de man die woning moet verlaten en verder niet mag betreden;

bepaalt dat de man voorlopig gerechtigd is om de kinderen:

bij zich te hebben:

en bepaalt dat de vrouw voorlopig gerechtigd is om voornoemde kinderen bij zich te hebben:

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 12 februari 2026, voorlopig een kinderalimentatie voor de kinderen(bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt) van € 1.235,- per maand moet betalen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 12 februari 2026, voorlopig een partneralimentatie van € 3.851,- bruto per maand moet betalen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S. Sluijmer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand