Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/295652-24; 05/880339-17 (v.i.)
Datum uitspraak: 16 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1]
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 14 februari 2025 (pro forma) en 15 mei 2025 (inhoudelijke behandeling en sluiting onderzoek). Op 28 mei 2025 is een tussenvonnis gewezen en is het onderzoek heropend. Daarna is het onderzoek gehouden op de terechtzittingen van 12 augustus 2025, 3 november 2025 (alle pro forma) en 2 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.P. Tuinenburg op de terechtzitting van 15 mei 2025. De rechtbank heeft voorts kennis genomen van wat door de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman mr. R.A.C. Frijns naar voren is gebracht, zowel op de terechtzitting van 15 mei 2025, als op de terechtzitting van 2 maart 2026.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1. zaak 1)
hij op of omstreeks 12 september 2024 te 's-Gravenhage in/uit een woning, gelegen [adres 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen van hun/zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangeefster 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangeefster 1] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met kracht een deur van de woning tegen die [aangeefster 1] hebben/heeft geduwd en/of die [aangeefster 1] naar achteren hebben/heeft geduwd om zich de toegang tot die woning te verschaffen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 september 2024 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, [adres 2] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), geld en/of goederen van hun/zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangeefster 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels, die [aangeefster 1]- hebben/heeft gezegd dat hij/zij politieambtenaren zijn,- een legitimatie hebben/heeft getoond die door moest gaan voor een politielegitimatie, en/of- hebben/heeft gezegd dat een man op het dak zou lopen en/of dat zij voor het dak kwamen, en/of- hebben/heeft gevraagd of die [aangeefster 1] sierraden heeft en/of waar die [aangeefster 1] haar sierraden bewaart,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. ( zaak 2)
hij op of omstreeks 12 september 2024 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, [adres 3] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), geld en/of goederen van hun/zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangeefster 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels, die [aangeefster 2]- hebben/heeft gezegd dat hij/zij politieambtenaren zijn,- een legitimatie hebben/heeft getoond die door moest gaan voor een politielegitimatie en/of- hebben/heeft gezegd dat een man op het dak van de garage zat, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3. ( zaak 3)
hij op of omstreeks 12 september 2024 te Voorschoten tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, [adres 4] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), geld en/of goederen van hun/zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangeefster 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels, die [aangeefster 3]- hebben/heeft gezegd dat hij/zij politieambtenaren zijn,- een legitimatie hebben/heeft getoond die door moest gaan voor een politielegitimatie, en/of- hebben/heeft gezegd dat er twee rare mannen waren geweest die iets uit de tuin van die woning hadden gepakt en/of- hebben/heeft gezegd dat ze in die woning moesten kijken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4. ( zaak 4)
hij op of omstreeks 12 september 2024 te Voorschoten, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten [adres 5] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), een gouden armband en/of een gouden hanger, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangeefster 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels, door die [aangeefster 4]- te zeggen dat hij/zij politieambtenaren zijn,- een legitimatie te tonen die door moest gaan voor een politielegitimatie, en/of- te zeggen dat er in de buurt een verdachte was aangehouden waarbij geld was aangetroffen en/of dat ze kwamen kijken bij die [aangeefster 4] of het veilig was en of haar sieraden veilig waren.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde. Voor zover van belang zal de rechtbank hierna nader ingaan op wat de officier van justitie hierover heeft gesteld.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van al het tenlastegelegde bepleit. Voor zover van belang zal de rechtbank hierna nader ingaan op wat de raadsman hiertoe heeft gesteld.
Vrijspraak
De rechtbank is met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde feit, de poging diefstal met geweld, van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank overweegt hiertoe dat het tenlastegelegde geweld ziet op de duw die aangeefster [aangeefster 1] zou hebben gekregen op het moment dat de door haar in haar aangifte beschreven mannen haar woning inkwamen. In haar aangifte heeft [aangeefster 1] verklaard dat ze haar ‘onbewust naar achteren hadden geduwd’, haar woning in. Bij de rechter-commissaris heeft [aangeefster 1] , althans zo vat de rechtbank dit op, deze verklaring verduidelijkt in die zin dat zij niet letterlijk haar woning werd ingeduwd, maar, zo verklaart zij, ‘doordat zij naar voren kwamen ben ik naar achter gegaan’ en ‘ze hebben mij niet naar achter geduwd’. Gelet hierop zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank het volgende.
De verdachte is op 12 september 2024, samen met de verdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), via de A12 naar Den Haag gereden met een zwarte Peugeot 208 met het kenteken [kenteken] (bouwjaar 2012). Deze zwarte Peugeot, op naam van verdachtes vriendin [naam] , gebruikte de verdachte al jaren ‘alsof het zijn auto (was)’. Hoewel de verdachte heeft ontkend dat hij die dag met de zwarte Peugeot naar Den Haag is gereden, blijkt uit het dossier, in het bijzonder uit de ANPR-gegevens, dat de betreffende Peugeot die dag wel in Den Haag was en is de verdachte bovendien die dag herkend als (althans, dat hij grote gelijkenis vertoonde met) de bestuurder van een zwarte Peugeot 208. Door de politie is een reconstructie gemaakt van de route die met de zwarte Peugeot is afgelegd aan de hand van camerabeelden en de ANPR-gegevens van die dag. Deze route voert langs de onder de feiten 1 (subsidiair), 2, 3 en 4 genoemde plaatsen delict en sluit aan bij de gereconstrueerde tijdslijn (het tijdsbestek en de volgorde), waarin deze vier feiten zijn gepleegd; (grofweg) tussen 12.54 uur en 14.30 uur. Kort na het laatste feit is de genoemde Peugeot weer teruggereden over de A12.
Daarnaast zijn er camerabeelden in de buurt van de plaatsen delict waarop de verdachten te zien zijn. Ten aanzien van de camerabeelden afkomstig van [adres 2] (feit 1) heeft de verdachte verklaard dat hij en (impliciet) [medeverdachte] daarop te zien zijn. Ten aanzien van de camerabeelden afkomstig van [adres 4] (feit 3) heeft de verdachte dat niet verklaard, maar gelet op de kwaliteit van de beelden en de vergelijking die mogelijk was met de eerstgenoemde beelden, zijn de verdachten ook daarop (op overtuigende wijze) door de politie herkend. Bovendien staat op die beelden rond dat tijdstip ook de hiervoor genoemde zwarte Peugeot (aldaar geparkeerd). Ook de betreffende aangeefster - [aangeefster 3] – spreekt over een kleine zwarte auto waarin twee mannen reden die haar volgden naar haar woning. Ten aanzien van [adres 5] (feit 4), is de verdachte herkend op de camerabeelden van de plaatselijke supermarkt, niet ver van de woning van de betreffende aangeefster – [aangeefster 4] –, terwijl hij de genoemde zwarte Peugeot bestuurde. Ten aanzien van [adres 3] (feit 2) konden door de politie geen relevante camerabeelden uit de directe omgeving worden veilig gesteld. Wel werd op camerabeelden gezien dat de zwarte Peugeot kort daarvoor richting Voorburg reed. Bovendien heeft de betreffende aangeefster – [aangeefster 2] – (zeer specifieke) signalementen gegeven van de twee mannen die bij haar woning kwamen. Deze signalementen sluiten naadloos aan bij die van de mannen op de hiervoor genoemde camerabeelden (feiten 1 en 3; de verdachte en de [medeverdachte] ). Het signalement dat aangeefster geeft van man 1 sluit aan bij dat van de verdachte, te weten: blanke man, 1.85 meter lang, grijs haar, ongeveer 60 jaar. Deze verdachte sprak volgens aangeefster onduidelijk. Dit onduidelijke spreken is ook op de terechtzitting van 15 mei 2025 geconstateerd door de rechtbank en vindt verder bevestiging in de constatering van de politie (naar aanleiding van een afgeluisterd telefoongesprek) dat de verdachte een zware mannenstem heeft, snel spreekt en een zuidoostelijk dialect heeft.
De aangeefsters, vrouwen op (hoge) leeftijd die zelfstandig wonen, hebben ieder voor zich een verklaring afgelegd over twee mannen die zich voordeden als politieagenten die onderzoek deden naar verdachte omstandigheden bij de woning van de betreffende aangeefster. De mannen toonden daarbij vluchtig (en half bedekt) een (zogenaamd) politielegitimatiebewijs. In zoverre was er sprake van een overeenkomende modus operandi. Geen van de aangeefsters vertrouwde de mannen, maar in drie van de vier gevallen wisten deze mannen, gebruikmakend van de hiervoor genoemde babbeltruc, maar ook door (fysieke) overrompeling (niet zijnde geweld), de woning binnen te komen. In één van die drie gevallen (feit 4) constateerde de aangeefster achteraf dat – nadat de ‘grote man met grijzend golvend haar’ in haar woning naar boven was gelopen – haar linnenkast was doorzocht en het beddengoed opengeslagen lag en dat haar gouden armband en gouden hanger waren weggenomen. In die zaak is het tot een voltooide (gekwalificeerde) diefstal gekomen. Anders dan de verdediging ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de aangeefster dat er sieraden zijn weggenomen. Zij heeft dat consistent verklaard en in het verhoor bij de rechter-commissaris heeft zij nader toegelicht dat de sieraden in een laatje in de linnenkast lagen en dat te zien was dat de linnenkast was doorzocht. De door de verdediging genoemde omstandigheden dat uit de verklaring van de aangeefster blijkt dat zij de sieraden al langere tijd niet meer droeg en dat niet de aangeefster maar haar dochter heeft geconstateerd dat de sieraden niet meer in het laatje lagen, geven de rechtbank geen aanleiding tot twijfel dat de sieraden zijn weggenomen. Voorts bleef het in de andere drie zaken bij een poging tot gekwalificeerde diefstal. De rechtbank acht tot slot relevant dat de door de aangeefsters gegeven signalementen (grotendeels) bij elkaar aansluiten en dat deze passen bij de signalementen van de verdachten die bewuste dag, zoals blijkend uit de genoemde camerabeelden.
Gelet op al de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, bezien in onderlinge samenhang, zal de rechtbank de onder 1 (subsidiair), 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen verklaren. De rechtbank gaat hiermee voorbij aan de verklaring van de verdachte en het daarop gebaseerde verweer van de verdediging, inhoudende dat de verdachte wel met [medeverdachte] in Den Haag is geweest, maar dat zij reden in een Volkswagen Caddy en alleen sigaretten hebben opgehaald, nu dit – overigens niet onderbouwde – scenario naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate wordt weerlegd door de hiervoor besproken feiten en omstandigheden.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1. subsidiair)
hij op 12 september 2024 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om in een woning, te weten [adres 2] , , geld en/of goederen van hun gading, dat/die aan [aangeefster 1] toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door een samenweefsel van verdichtsels, die [aangeefster 1]- hebben gezegd dat zij politieambtenaren zijn,- een legitimatie hebben getoond die door moest gaan voor een politielegitimatie, en- hebben gezegd dat een man op het dak zou lopen en dat zij voor het dak kwamen, en- hebben gevraagd of die [aangeefster 1] sieraden heeft en waar die [aangeefster 1] haar sieraden bewaart,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op 12 september 2024 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om in een woning, te weten [adres 3] , geld en/of goederen van hun gading, dat/die aan [aangeefster 2] toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door een samenweefsel van verdichtsels, die [aangeefster 2]- hebben gezegd dat zij politieambtenaren zijn,- een legitimatie hebben getoond die door moest gaan voor een politielegitimatie en- hebben gezegd dat een man op het dak van de garage zat, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij op 12 september 2024 te Voorschoten tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om in een woning, te weten [adres 4] , geld en/of goederen van hun gading, dat/die aan [aangeefster 3] toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door een samenweefsel van verdichtsels, die [aangeefster 3]- hebben gezegd dat zij politieambtenaren zijn,- een legitimatie hebben getoond die door moest gaan voor een politielegitimatie, en- hebben gezegd dat er twee rare mannen waren geweest die iets uit de tuin van die woning hadden gepakt en- hebben gezegd dat ze in die woning moesten kijken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4.
hij op 12 september 2024 te Voorschoten, tezamen en in vereniging met een ander, in een woning, te weten [adres 5] , een gouden armband en een gouden hanger, die aan [aangeefster 4] toebehoorden hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door een samenweefsel van verdichtsels, door die [aangeefster 4]- te zeggen dat zij politieambtenaren zijn,- een legitimatie te tonen die door moest gaan voor een politielegitimatie, en- te zeggen dat er in de buurt een verdachte was aangehouden waarbij geld was aangetroffen en dat ze kwamen kijken bij die [aangeefster 4] of het veilig was en of haar sieraden veilig waren.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem onder 1 primair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een strafmaatverweer gevoerd. De raadsman heeft hiertoe gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder op de zinvolle dagbesteding van de verdachte die hij zou hebben gevonden in de vorm van een leertraject bij een vastgoedonderhoudsbedrijf.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich op 12 september 2024 samen met een ander schuldig gemaakt aan vier zogenoemde ‘babbeltrucs’. In drie van deze zaken belden de verdachte en zijn mededader aan bij de woningen van (hoog)bejaarde, alleenstaande vrouwen. In de vierde zaak volgden zij het slachtoffer op straat terwijl zij onderweg was naar haar woning. Steeds deden zij zich voor als politieagenten en legitimeerden zij zich met valse politie-identiteitsbewijzen. Vervolgens maakten zij melding van een verdachte situatie die zich zou hebben voorgedaan bij de betreffende woning en vroegen zij het slachtoffer waar haar geld en/of sieraden lag(en) en of ze iets miste. In één van de vier zaken gingen zij er vandoor met een gouden armband en een gouden hanger. In de andere drie zaken bleef het bij een poging tot deze vorm van diefstal.
De gevolgen voor de slachtoffers van dergelijke misdrijven zijn doorgaans ingrijpend, doordat zij hun gevoel van veiligheid in hun eigen woning en het vertrouwen in de medemens zijn kwijtgeraakt. Het gaat hierbij om slachtoffers die vanwege hun leeftijd vaak al kwetsbaar en afhankelijker zijn. De verdachte en zijn mededader hebben hier doelbewust misbruik van gemaakt, met uitsluitend eigen belang en winstbejag als drijfveer. Dat het in drie van de vier zaken gaat om pogingen (en niet om voltooide delicten), maakt de inbreuken die de verdachte heeft gepleegd op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van de slachtoffers in die zaken niet minder ernstig. De verdachte heeft bovendien geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen, maar heeft zijn betrokkenheid stellig ontkend, dan wel geen antwoord willen geven op vragen hierover.
Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De verdachte heeft hiervoor destijds (langdurige) gevangenisstraffen opgelegd gekregen. De verdachte liep tijdens het plegen van deze feiten nota bene in de proeftijd van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling. Dit alles heeft de verdachte er niet van weerhouden opnieuw dergelijke misdrijven te plegen.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
De rechtbank acht gelet op al het voorgaande een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden met aftrek van het voorarrest passend. Deze straf is lager dan de door de officier van justitie gevorderde straf, maar in lijn met de straf die in soortgelijke gevallen wordt opgelegd. Daarnaast spreekt de rechtbank, anders dan de officier van justitie, de verdachte vrij van het geweldsaspect in de zaak van aangeefster [aangeefster 1] (feit 1).
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[aangeefster 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 3] , zijnde een bedrag van € 1.500,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum. De officier van justitie heeft verder geconcludeerd tot hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering bepleit vanwege het ontbreken van een onderbouwing.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Nu de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten worden begroot op nihil.
8. De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe te wijzen wegens het plegen van strafbare feiten binnen de proeftijd, wat inhoudt dat de verdachte nog 600 dagen detentie dient te ondergaan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit de vordering slechts gedeeltelijk toe te wijzen, nu hij de volledige toewijzing disproportioneel acht.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling, zoals blijkt uit de bewezenverklaring van dit vonnis, opnieuw (gelijksoortige) strafbare feiten heeft gepleegd. De veroordeelde heeft aldus de algemene voorwaarde die aan de voorwaardelijke invrijheidstelling is verbonden, niet nageleefd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vordering van de officier van justitie geheel dient te worden toegewezen.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 45, 57, 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 subsidiair:
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door een samenweefsel van verdichtsels;
ten aanzien van feit 2:
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door een samenweefsel van verdichtsels;
ten aanzien van feit 3:
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door een samenweefsel van verdichtsels;
ten aanzien van feit 4:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door een samenweefsel van verdichtsels;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat de benadeelde partij [aangeefster 3] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
bepaalt dat de benadeelde partij wordt veroordeeld in de proceskosten van de verdachte, tot op heden begroot op nihil.
wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe en gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd alsnog geheel moet worden ondergaan, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 600 (zeshonderd) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M. Zandbergen, voorzitter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
mr. E.R.F. van Engelen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Molenaar, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 maart 2026.