Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie
Beschikking op het op 15 januari 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.G. Schnoor in 's-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Venneman in 's-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
De minderjarige [de minderjarige] heeft in een gesprek met de rechter laten weten wat zij van het verzoek vindt.
Op 16 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de vader te veroordelen om met € 750,- per maand bij te dragen in de kosten van de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] , welk bedrag bij vooruitbetaling aan de moeder dient te worden voldaan, zulks met ingang van 1 juni 2024, althans met een dusdanig bedrag en met ingang van een dusdanige datum als de rechtbank meent dat in goede justitie zal behoren.
De vader voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vader zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een zorgregeling vast te stellen tussen de vader en [de minderjarige] zoals omschreven onder randnummer 11 al dan niet met een opbouw althans een zorgregeling vast te stellen die de rechtbank redelijk acht.
De moeder voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Op de zitting is met de ouders besproken dat voor [de minderjarige] geen zorgregeling zal worden vastgesteld. In dat kader is besproken dat de vader wel kan overwegen om [de minderjarige] in ieder geval op haar verjaardag een kaart te sturen.
De rechtbank zal het zelfstandige verzoek van de vader afwijzen.
Kinderalimentatie
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank ziet in de gegeven omstandigheden geen aanleiding om uit te gaan van een datum die ligt voor de datum van de beschikking. De rechtbank zal de kinderalimentatie daarom vaststellen met ingang van 13 februari 2026.
Behoefte
De ouders zijn het erover eens dat de tabelbehoefte van [de minderjarige] € 446,- per maand is in 2025.
Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 467,- per maand.
De ouders zijn het er niet over eens of de danskosten van [de minderjarige] de tabelbehoefte van [de minderjarige] verhogen.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat in het tabelbedrag alle normale kosten zijn begrepen. Bepaalde kosten kunnen echter zo uitzonderlijk zijn dat deze niet zijn begrepen in het tabelbedrag en daarnaast niet te compenseren zijn met andere uitgavenposten. In dat geval kan het tabelbedrag worden gecorrigeerd. De rechtbank overweegt dat op de zitting is gebleken dat de ouders gezamenlijk hebben besloten dat [de minderjarige] zou gaan dansen. De vader heeft echter verklaard dat hij daarna duidelijk heeft gemaakt dat het om een hobby gaat en dat hij een grens stelt aan de kosten. De vader heeft voor de kosten die op dit moment worden gemaakt geen toestemming gegeven en hij vindt die ook te hoog. De rechtbank is van oordeel dat de moeder daarnaast onvoldoende heeft onderbouwd waarom de door haar gemaakte kosten niet geacht kunnen worden (volledig) te zijn verdisconteerd in het tabelbedrag en niet gecompenseerd worden door lagere uitgaven op andere posten. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het tabelbedrag te verhogen.
Draagkracht moeder
Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 28.392,- bruto per jaar exclusief vakantiegeld. Aan het standpunt van de vader dat moet worden uitgegaan van een verdiencapaciteit wordt voorbijgegaan. De rechtbank acht het redelijk dat de moeder 30 uur per week werkt, gelet op de zorg die de moeder heeft voor [de minderjarige] van 14 jaar.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
Gelet op de ingangsdatum, zoals hiervoor is overwogen, rekent de rechtbank met de tarieven van periode 2026-I.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2026 op € 2.900,- per maand. Haar draagkracht bedraagt dan € 466,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Draagkracht vader
Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van een winst uit onderneming van € 50.000,- bruto per jaar. De vader stelt dat de winst uit onderneming in 2024 € 21.029,- was. Dit is door de moeder niet betwist, maar volgens haar moet dit bedrag worden verhoogd met een bedrag aan privé-onttrekkingen die de vader heeft gedaan. Zij stelt daarom dat moet worden uitgegaan van een jaarinkomen van € 50.000,- aan de zijde van de vader. De vader heeft aangegeven dat de privé-onttrekkingen zien op gelden uit het verleden, maar hij heeft dit niet nader onderbouwd en dit blijkt ook niet uit de overgelegde jaarstukken. De rechtbank zal daarom uitgaan van het door de moeder genoemde jaarinkomen van € 50.000,-.
De rechtbank houdt verder rekening met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
Gelet op de ingangsdatum, zoals hiervoor is overwogen, rekent de rechtbank met de tarieven van periode 2026-I.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2026 op € 3.361,- per maand. Zijn draagkracht bedraagt dan € 692,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat de vader al twee jaar geen contact heeft met [de minderjarige] en tussen hen geen zorgregeling wordt vastgesteld, hanteert de rechtbank een zorgkorting van 0%.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van de ouders bedraagt gezamenlijk € 1.158,- per maand (€ 466,- + € 692,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 466 / 1158 x 467 = € 188,-
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 692 / 1158 x 467 = € 279,-
samen € 467,-
Van de totale behoefte van [de minderjarige] komt een gedeelte van € 188,- per maand voor rekening van de moeder. Een gedeelte van € 279,- per maand komt voor rekening van de vader.
Conclusie
Uitgaande van al het bovenstaande zal de rechtbank de door de vader, met ingang van 13 februari 2026, te betalen kinderalimentatie vaststellen op € 279,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen. De rechtbank zal het meer of anders verzochte over de kinderalimentatie afwijzen.
Aanhechten berekening
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de draagkracht van de moeder en de vader. Deze berekeningen zijn aan de beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de vader aan moeder, met ingang van 13 februari 2026 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1] , van
€ 279,- per maand, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.