ECLI:NL:RBDHA:2026:5456

ECLI:NL:RBDHA:2026:5456

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-02-2026
Datum publicatie 16-03-2026
Zaaknummer C/09/678949 / FA RK 25-439
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie

Uitspraak

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie

Beschikking op het op 17 januari 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. F.S.M. Oudijk in Gouda .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. G.E. van der Pols in Rotterdam .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

Op 16 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

- Artikel 4 – Zorgregeling

Ouders zijn de volgende zorgregeling overeengekomen:

Week A

Dag

Bij wie

Opmerkingen

Maandag

de moeder

Dinsdag

de moeder

Woensdag

de moeder

Donderdag

de moeder

Vrijdag

de moeder/vader

wisseltijd tussen 16.00-17.00 uur

Zaterdag

de vader

Zondag

de vader/moeder

wisseltijd 19.00 uur

Week B

Verjaardagen van een van de ouders, oma's en opa's, vaderdag en moederdag gaan voor op de basisregeling. Hetzelfde geldt voor eventuele nieuwe partners van de ouders en eventuele kinderen van deze nieuwe partners. Deze dag zal [minderjarige] doorbrengen bij de ouder aan wiens kant deze bijzondere dag valt. Op de verjaardag van [minderjarige] is de ouder bij wie zij niet verblijft op deze dag welkom indien hun onderlinge situatie dit toelaat. Kinderfeestjes zullen de ouders gezamenlijk en in overleg vieren en organiseren indien hun onderlinge situatie dit toelaat. Trakteren zullen de ouders in onderling overleg regelen. Bij jubilea/bruiloften etc. mag [minderjarige] ook aanwezig zijn als dit op een dag valt dat ze bij de andere ouder zou zijn.

Voor wat betreft vakanties en feestdagen geldt de basisafspraak dat de omgang en het verblijf zoveel mogelijk op gelijke wijze tussen de ouders zal worden verdeeld. Als uitgangspunt voor de vakanties geldt dat elk van de ouders gedurende de helft van de vakanties [minderjarige] bij zich heeft, met als uitzondering de zomervakantie. Ouders zullen voor de start van het nieuwe schooljaar een planning maken voor het komende schooljaar.

Vakanties en feestdagen

Moeder

Vader

Zomervakantie

De eerste 4 weken. In de weekenden dat moeder niet op vakantie is zal [minderjarige] om het weekend bij haar vader zijn

De laatste 2 weken

Herfstvakantie

X

Sinterklaas

Volgens rooster

Volgens rooster

Kerstvakantie en kerstdagen

Oneven jaren: Alle dagen van de vakantie t/m 1e Kerstdag na het avondeten en vanaf 1 januari

Even jaren: Alle dagen van de vakantie tot kerstavond en vanaf oudejaarsdag

Oneven jaren: 1e Kerstdag na het avondeten t/m 1 januari

Even jaren: Alle dagen vanaf kerstavond tot oudejaarsdag

Oud en Nieuw

Oneven jaren

Even jaren

Voorjaarsvakantie

X

Meivakantie

1e week oneven jaren

2e week even jaren

Indien Koningsdag en 5 mei in dezelfde week vallen, deze dag in overleg, zodat dit verdeeld wordt

1e week even jaren

2e week oneven jaren

Goede Vrijdag / Paasdagen

Volgens rooster

Indien Pasen/Pinksteren in het weekend van dezelfde ouder vallen, zullen ouders 1 weekend afwijken, zodat beide ouders 1 feestweekend met

[minderjarige] zullen hebben

Volgens rooster

Hemelvaartsdag

Volgens rooster

Volgens rooster

Indien Hemelvaartsdag valt voor het weekend van vader, zal [minderjarige] op deze dag al naar vader gaan

Pinksteren

Volgens rooster

Zie opmerkingen Paasdagen

Volgens rooster

De moeder haalt en brengt [minderjarige] bij de wisselmomenten rondom het weekend. De vader haalt en brengt [minderjarige] op de woensdagen. Bij de extra wisselmomenten rondom de feestdagen en vakanties zullen de ouders een gelijkwaardig aandeel hebben in het halen en brengen.

- Artikel 6 – Kinderalimentatie en studiebijdrage

De kosten van de opvoeding en het verzorgen van [minderjarige] zijn aan de hand van de meest recente Tabellen Kosten Kinderen bepaald op € 617 per maand. Dit is de totale behoefte van [minderjarige] , inclusief wonen en verblijfsoverstijgende kosten.

Het kinderalimentatiebedrag door de vader maandelijks aan de moeder te voldoen is bepaald op € 385. Deze bedragen zijn vastgesteld aan de hand van een

alimentatieberekening volgens de Tremanornem uitgevoerd. Vanaf de dag dat [minderjarige] 12 jaar wordt zal de nu meegenomen schuld van vader in de berekening komen te vervallen.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt, met wijziging van het tussen de ouders gesloten ouderschapsplan, na wijziging voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens:

te bepalen dat tussen de ouders een zorgregeling zal gelden conform het volgende schema:

- reguliere verdeling

- [minderjarige] is in de oneven weken het weekend bij de vader, van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school. De vader haalt [minderjarige] uit school, en brengt haar op maandagochtend naar school. Voor het overige is [minderjarige] bij de moeder;

- tijdens vakanties en feestdagen

zomervakantie: in de even jaren de eerste 2 weken bij de moeder, de derde en vierde week bij de vader, de vijfde week bij de moeder, de zesde week bij de vader. In de oneven jaren andersom;

herfstvakantie: bij vader even jaren, bij moeder oneven jaren;

voorjaarsvakantie: bij moeder even jaren, bij vader oneven jaren;

sinterklaas: volgens rooster;

oud en nieuw: moeder oneven jaren, vader even jaren;

meivakantie / Goede Vrijdag / Pasen / Hemelvaartsdag / Pinksteren: zoals in het ouderschapsplan afgesproken;

kerstvakantie: even jaren eerste week bij de vader, tweede week bij de moeder, in de oneven jaren andersom;

Kerst: eerste kerstdag even jaren bij de vader, en oneven jaren bij de moeder. tweede kerstdag even jaren bij de moeder, en oneven jaren bij de vader. Een kerstdag begint om 9.30 uur en duurt tot 19.30 uur, halen / brengen in overleg;

als een ouder met een kind op vakantie gaat dan geeft deze aan de andere ouder op de aankomstdag door of zij goed op het vakantieadres zijn aangekomen, en evenzo voor de terugreis naar huis op de terugkomstdag;

verjaardag van [minderjarige] : in de even jaren bij de moeder, in de oneven jaren bij de vader. De ouder bij wie [minderjarige] niet is heeft op de verjaardag zelf een videobelmoment, tijd te bepalen in onderling overleg;

althans een zodanige omgangsregeling met een zodanige ingangsdatum als de rechtbank in goede justitie bepaalt;

te bepalen dat de vader met ingang van de datum van indiening van onderhavig verzoek, maandelijks tegen een behoorlijk bewijs van kwijting bij vooruitbetaling aan de moeder dient te voldoen een bijdrage van € 534,- in de kosten van levensonderhoud voor [minderjarige] , althans een zodanige bijdrage en ingangsdatum als de rechtbank in goede justitie bepaalt.

De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vader zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de zorg- en contactregeling rond de kerstperiode er als volgt uit zal zien:

in de even jaren is [minderjarige] de tweede week van de kerstvakantie bij de vader en de eerste week bij de moeder;

in de oneven jaren is [minderjarige] de eerste week van de kerstvakantie bij de vader en de tweede week bij de moeder.

indien [minderjarige] dan twee kerstdagen bij de vader zou zijn volgens deze regeling, kan de moeder [minderjarige] één van de kerstdagen ophalen en terugbrengen (waar de vader op dat moment is). De moeder kiest welke kerstdag dat is mits zij dat voor 1 november van dat jaar aan de vader aangeeft.

De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Ouderschapsbemiddeling

De rechtbank heeft met de ouders en hun advocaten besproken dat zij het, net als de Raad, van belang acht dat de ouders gaan deelnemen aan het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling. Dit om te gaan werken aan het verbeteren van hun onderlinge communicatie.

Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Enver voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Enver.

De rechtbank zal de ouders bij eindbeschikking verwijzen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient.

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van één van hen op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) samen met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Gelet op het vijfde lid van artikel 1:253a BW beproeft de rechtbank eerst een vergelijk tussen de ouders voordat zij een beslissing in het belang van het kind neemt.

Naar het oordeel van de rechtbank is het enkele feit dat [minderjarige] twee jaar ouder is voldoende om een wijziging van omstandigheden aan te nemen. Dit betekent dat de ouders ontvankelijk zijn in hun verzoeken. De rechtbank heeft op de zitting een vergelijk tussen de ouders beproefd, wat niet tot overeenstemming heeft geleid. Daarom zal de rechtbank de verzoeken van de ouders beoordelen en hierop een beslissing nemen die zij in het belang van [minderjarige] acht.

Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat de overdrachtsmomenten voor [minderjarige] niet altijd even goed verlopen. Zo wordt [minderjarige] niet door de ene ouder aan de andere ouder overgedragen, maar moet zij telkens zelfstandig van de auto van de ene ouder naar het huis van de andere ouder lopen. De rechtbank acht dit niet in het belang van [minderjarige] . Daarom zal de rechtbank de zorgregeling wijzigen, in die zin dat de vader [minderjarige] één keer per twee weken op vrijdag uit school haalt. De rechtbank is van oordeel dat dit van de vader verwacht kan worden. Daarmee is er voor [minderjarige] een overdrachtsmoment minder. [minderjarige] zal op zondag, zoals nu ook het geval is, weer naar de moeder gaan. De rechtbank acht het niet in het belang van [minderjarige] dat zij op maandagochtend vanuit [plaats 1] naar school wordt gebracht.

Naar de rechtbank begrijpt heeft de moeder op de zitting haar verzoek gewijzigd, in die zin dat [minderjarige] één keer in de twee weken op woensdag naar de vader blijft gaan. De rechtbank acht dit ook in het belang van [minderjarige] en zal de zorgregeling op dit punt niet aanpassen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de zorgregeling in artikel 4.3 en 4.6 van het ouderschapsplan wijzigen in zoverre dat de vader [minderjarige] op vrijdag uit school haalt in week A. Het meer of anders verzochte over de reguliere zorgregeling zal de rechtbank afwijzen.

Op de zitting hebben de ouders grotendeels overeenstemming bereikt over de vakantie- en feestdagenregeling. De ouders hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over de zomervakantie. De rechtbank zal de in het ouderschapsplan opgenomen regeling over de zomervakantie niet wijzigen en overweegt daartoe als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vader op de zitting voldoende onderbouwd dat de afspraak over de zomervakantie destijds is gemaakt in verband met zijn werk. Dit is door de moeder niet betwist. Nu de werkzaamheden van de vader niet zijn gewijzigd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de regeling voor de zomervakantie aan te passen. De rechtbank zal het verzoek van de moeder op dit punt afwijzen. De rechtbank zal verder overeenkomstig de overeenstemming van de ouders beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet.

Kinderalimentatie

Ingangsdatum

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum.

Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de wijziging van de onderhoudsverplichting bepalend zijn.

De rechtbank acht het redelijk om als ingangsdatum de datum van de indiening van het verzoekschrift van de moeder te hanteren, te weten 17 januari 2025. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de ouders vanaf die datum rekening kunnen houden met een wijziging van de kinderalimentatie.

Behoefte

De ouders zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige] € 617,- per maand bedraagt in 2023. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 698,- per maand.

Draagkracht moeder

De ouders zijn het niet eens over draagkracht van de moeder. Daarom zal de rechtbank de draagkracht van de moeder berekenen. Gelet op de ingangsdatum, zal de rechtbank rekenen met de tarieven van 2025-I.

De moeder werkt ongeveer 14 uur in de week. De vader stelt zich op het standpunt dat de moeder haar verdiencapaciteit daarmee niet volledig benut. Volgens hem kan van de moeder worden verwacht dat zij 32 uur in de week werkt.

De moeder is van mening dat het redelijk is dat zij ongeveer 14 uur per week werkt, omdat zij de zorg voor [minderjarige] heeft en ook tijd voor zichzelf nodig heeft.

De rechtbank overweegt als volgt. Zij acht het aannemelijk dat de moeder meer dan 14 uur per week kan werken. Niet is gebleken dat er omstandigheden zijn die hier aan in de weg staan. Het feit dat de moeder aangeeft geen weekenddienst te kunnen doen, omdat zij tijd voor zichzelf nodig heeft, acht de rechtbank niet doorslaggevend. De rechtbank zal daarom aan de zijde van de moeder uitgaan van een verdiencapaciteit gebaseerd op 32 uur per week, en rekenen met een inkomen van (€ 18,98 x 32 x 52 x 1,08 =) € 34.109,- per jaar.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2025 op € 3.206,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

De rechtbank zal voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan: 70% x [3206 – (0,3 x 3206 + 1310)] = € 654,- per maand.

Draagkracht vader

De ouders zijn het niet eens over draagkracht van de vader. Daarom zal de rechtbank de draagkracht van de vader berekenen. Gelet op de ingangsdatum, zal de rechtbank rekenen met de tarieven van 2025-I.

De moeder vindt het redelijk uit te gaan van het gemiddelde inkomen uit onderneming over de afgelopen 3 jaar, waarbij de winstprognose en gemiddelde privé-onttrekkingen over 2023 en 2024 als uitgangspunt voor 2025 zijn genomen. De moeder komt dan uit op een jaarinkomen van € 83.746,-.

Volgens de vader is het niet correct dat de moeder de winst en de privé-onttrekkingen bij elkaar optelt. De hoge privé-onttrekkingen komen doordat de vader € 60.000,- aan de moeder moest voldoen in verband met de financiële afwikkeling van de woning.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank zal uitgaan van een gemiddelde winst over de jaren 2023 tot en met 2025 van € 27.522,- per jaar. Echter is gebleken dat in 2023 en 2024 sprake is van behoorlijke privé-onttrekkingen, met een gelijktijdige forse daling van de winst. Over de jaren daarvoor heeft de vader geen inzage verschaft in zijn privé-onttrekkingen, maar zijn winst was in die jaren wel beduidend hoger. Niet betwist is dat de vader de moeder € 60.000,- heeft betaald in het kader van de financiële afwikkeling van de woning. De rechtbank acht het aannemelijk dat de vader een deel van dit geld aan zijn onderneming heeft onttrokken. Dit verklaart echter niet het gehele bedrag aan privé-onttrekkingen in de jaren 2023 en 2024. De vader heeft verder geen inzage verschaft in de privé-onttrekkingen in de overige jaren. Dit komt voor zijn rekening en risico. De rechtbank zal daarom aannemen dat bij het inkomen van de vader € 50.000,- aan privé-onttrekkingen moet worden opgeteld. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank rekenen met een winst uit onderneming van € 77.522,- per jaar.

De rechtbank houdt verder rekening met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2025 op € 4.512,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

De rechtbank zal voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [4512 – (0,3 x 4512 + 1310)] = € 1.294,- per maand.

Zorgkorting

Tussen de ouders is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat de vader gemiddeld twee dagen per week de zorg heeft voor [minderjarige] , geldt een percentage van 25. De zorgkorting bedraagt dan € 175,- per maand (25% van € 698,-).

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van de ouders bedraagt gezamenlijk € 1.948,- per maand (€ 654,- + € 1.294,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 654 / 1948 x 698 = € 234,-

Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 1294 / 1948 x 698 = € 464,-

samen € 698,-

Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 234,- per maand voor rekening van de moeder. Een gedeelte van € 464,- per maand komt voor rekening van de vader.

Rekening houdend met de zorgkorting van afgerond € 175,- per maand, zoals hiervoor is overwogen, moet de moet de vader aan de moeder een kinderalimentatie voor [minderjarige] betalen van (464 – 175 =) € 289,- per maand.

Conclusie

De rechtbank zal bepalen dat de vader, met ingang van 17 januari 2025, € 289,- per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen. Het verzoek van de moeder dat dit tegen een behoorlijk bewijs van kwijting zal zijn, wijst de rechtbank af bij gebrek aan belang.

Aanhechten berekeningen

De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de draagkracht van de ouders. Deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.

Proceskosten

Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de

proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van het ouderschapsplan van 29 augustus 2023 – :

*

bepaalt dat artikel 4.3 en 4.6 van het ouderschapsplan wordt gewijzigd, in die zin dat

de vader op vrijdag in week A de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] , van school haalt;

*

bepaalt in het kader van de vakantie- en feestdagenregeling dat het volgende geldt:

*

stelt vast dat de ouders, te weten:

[de moeder] , (de moeder)

wonende in [plaats 2] aan het [adres 1] ( [postcode 1] ),

en

[de vader] , (de vader)

wonende in [plaats 1] aan de [adres 2] ( [postcode 2] );

bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Enver voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar: Enver, Omgangsbegeleiding, J. van Lennepkade 6, 2802 LH Gouda;

*

bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van 17 januari 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 289,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

stelt vast dat de ouders bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.A. Wien

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand