RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7377
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Bell),
en
Procesverloop
Bij het besluit van 9 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat het beroepschrift de gronden van beroep. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb, kan ingevolge artikel 6:6 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
2. Eiser heeft geen gronden van beroep vermeld in het beroepschrift van 10 februari 2026. De rechtbank heeft eiser om deze reden bij bericht van 12 februari 2026 verzocht om de gronden alsnog binnen vijf werkdagen (dus uiterlijk op 19 februari 2026) in te dienen. Daarbij is aan eiser medegedeeld dat het beroep anders niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Er zijn geen gronden ingediend. De rechtbank heeft daarom op 27 februari 2026 aan eiser verzocht om binnen vijf werkdagen mede te delen of hiervoor een verschoonbare reden was. Ook hierop is niet gereageerd.
3. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat het verzuim verschoonbaar is. Uit de berichtgeving van 12 februari 2026 volgt dat de termijn vijf werkdagen is. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
4. Tot slot biedt het dossier geen concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat bij overdracht van eiser aan Frankrijk onmiskenbaar sprake zal zijn van een schending van artikel 3 EVRM. Van Bahaddar-omstandigheden is daarom geen sprake.
5. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 13 maart 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.