Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/204639-22
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 25 februari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.A. Kamphuis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. L.A. Versteegh naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. De bewijsbeslissing
Inleiding
Op vrijdag 12 augustus 2022 om 23:15 uur wilden handhavers van de handhaving van de gemeente Zoetermeer de inzittende van een voertuig controleren. Dit voertuig reed weg en kon later ingehaald worden. De bestuurder van het voertuig werd staande gehouden, maar rende weg waarna een achtervolging te voet ontstond. Op de Vogeldreef kon de bestuurder alsnog staande gehouden worden. Hij werkte echter niet mee aan zijn aanhouding, waardoor de handboeien niet aangelegd konden worden. Er kwam een oploop van buurtbewoners en meerdere personen gingen zich met de aanhouding bemoeien. De handhavers werden hierbij mishandeld en beledigd. De verdachte wordt ervan verdacht dat hij als omstander, in vereniging met anderen, geweld heeft gepleegd tegen de handhavers.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte, rekening houdend met een forse overschrijding van de redelijke termijn van berechting, wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor een duur gelijk aan het voorarrest (104 dagen), met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, en daarnaast een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, nu op de beelden duidelijk te zien is dat de verdachte geen geweldshandelingen heeft gepleegd. Het door de verdachte uiten van scheldwoorden in combinatie met filmen is onvoldoende om aan te merken als een significante bijdrage aan de openlijke geweldpleging.
De beoordeling
Bewijswaardering in deze zaak
Aan een ambtsedig proces-verbaal van een opsporingsambtenaar komt bijzondere bewijskracht toe. Uit artikel 344, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering volgt immers dat de rechter op grond van één bewijsmiddel in de vorm van een ambtsedig proces-verbaal tot een bewezenverklaring van een aan een verdachte ten laste gelegd strafbaar feit kan komen. Op een opsporingsambtenaar rust dan ook een zware verantwoordelijkheid om zijn of haar waarnemingen volledig en naar waarheid vast te leggen, omdat het proces-verbaal grote invloed kan hebben op de bewijsbeslissing in een strafzaak. Het staat de rechter vrij een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar niet tot het bewijs te bezigen wanneer bijzondere omstandigheden twijfel geven aan de betrouwbaarheid daarvan.
In deze zaak stelt de rechtbank vast dat ten aanzien van de openlijke geweldpleging substantiële discrepanties bestaan tussen wat door de handhavers [handhaver 1] en [handhaver 2] in ambtsedige processen-verbaal is opgeschreven en wat op de camerabeelden in het dossier te zien is. De rechtbank licht dat hierna toe.
In het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van [handhaver 1] (p. 70 van het zaaksdossier) schrijft zij op dat zij, toen zij bovenop medeverdachte [de medeverdachte 1] op de grond zat, vuistslagen in haar gezicht zou hebben gekregen van [de medeverdachte 1] . [handhaver 1] verbaliseert daarover het volgende:
“ik probeerde zijn armen te blokkeren, om te voorkomen dat hij mij in mijn gezicht kon slaan. Ik voelde dat [de medeverdachte 1] mij beetpakte aan de bovenkant van mijn steekwerende vest en mij omlaag trok richting zijn bovenlichaam. Hierna
voelde ik meerdere vuistslagen in mijn gezicht.”
Het moment waarop [handhaver 1] bovenop medeverdachte [de medeverdachte 1] op de grond kwam te zitten is door de verdachte van korte afstand en vanaf het begin tot het einde gefilmd met zijn telefoon. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting zijn deze beelden afgespeeld. Op die beelden is niet te zien dat medeverdachte [de medeverdachte 1] handhaver [handhaver 1] aan haar vest omlaag trekt en zijn geen vuistslagen van medeverdachte [de medeverdachte 1] in de richting van het hoofd van [handhaver 1] te zien. Op basis daarvan stelt de rechtbank vast dat de bovenstaande verklaring, geen correcte weergave is van de feitelijke situatie zoals die zich op dat moment heeft afgespeeld en zoals op de camerabeelden te zien is. Overigens is op geen van de camerabeelden te zien dat [handhaver 1] op enig ander moment vuistslagen in haar gezicht krijgt van medeverdachte [de medeverdachte 1] .
In het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van [handhaver 2] (p. 89 van het zaaksdossier) schrijft hij op dat hij, vlak nadat hij op de Vogeldreef de bestuurder van de auto staande had gehouden, door de medeverdachte [de medeverdachte 1] bij zijn keel is gegrepen. Hij verbaliseert hieromtrent:
“Direct hierna kwamen [de medeverdachte 1] en [de medeverdachte 2] zich ermee bemoeien. (…) Ik werd toen door [de medeverdachte 1] bij mijn keel vastgepakt. ik voelde dat hij kracht aanzette. Ik heb toen een harde duw gegeven aan [de medeverdachte 1] waardoor ik loskwam. Ik stond toen met drie jongens om mij heen die mij aan het belagen waren. Ik heb toen om 23:24 uur de noodknop van ons portofoonsysteem ingedrukt en om spoed assistentie gevraagd. Kort hierna kwam mijn collega [handhaver 1] erbij.”
Van het moment van staandehouding van de bestuurder van de auto op de Vogeldreef en de gebeurtenissen in de minuten daarna zijn bodycambeelden van zowel handhavers [handhaver 2] als [handhaver 1] en de voornoemde camerabeelden van de telefoon van de verdachte aanwezig. Uit die beelden blijkt dat op het moment van staandehouding van de bestuurder van de auto door [handhaver 2] verder alleen de verdachte (en dus niet [de medeverdachte 1] ) aanwezig was, dat [handhaver 2] toen al vrij snel om noodassistentie heeft gevraagd, dat toen handhaver [handhaver 1] arriveerde en dat medeverdachte [de medeverdachte 1] pas daarna kwam aanrennen. Medeverdachte [de medeverdachte 1] kan [handhaver 2] dus onmogelijk bij zijn keel hebben vastgepakt en [handhaver 2] kan hem onmogelijk een duw hebben gegeven voordat [handhaver 1] erbij kwam. De rechtbank stelt dan ook vast dat de in dit verband opgeschreven waarneming van [handhaver 2] , geen correcte weergave is van de feitelijke situatie zoals die zich op dat moment heeft afgespeeld en zoals op de camerabeelden te zien is. Overigens is op geen van de camerabeelden te zien dat [handhaver 2] op enig ander moment door medeverdachte [de medeverdachte 1] bij zijn keel wordt vastgepakt.
Gelet op voornoemde forse discrepanties tussen de gang van zaken zoals omschreven in de processen-verbaal van handhavers [handhaver 1] en [handhaver 2] en wat op de camerabeelden van het voorval te zien is, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval niet zonder meer kan worden vertrouwd op de inhoud van de voornoemde processen-verbaal. De rechtbank zal daarom deze ambtsedig opgemaakte processen-verbaal niet gebruiken voor het bewijs en als uitgangspunt hanteren dat zij slechts tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van de ten laste gelegde (gewelds)handelingen, indien deze blijken uit ander bewijsmateriaal.
Vrijspraak
De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging jegens de handhavers. [handhaver 2] en [handhaver 1] verklaren weliswaar allebei dat de verdachte hen een of meerdere vuistslagen heeft gegeven, maar zij hebben de verdachte dat over en weer niet bij de ander zien doen. De rechtbank overweegt verder dat noch uit de bodycambeelden noch uit camerabeelden van de telefoon van de verdachte noch uit enig andere bron (zoals bijvoorbeeld getuigenverklaringen van omstanders of verklaringen van andere handhavers ter plaatse), blijkt dat hij vuistslagen heeft gegeven aan de aangevers.
De rechtbank acht de door de verdachte geuite scheldwoorden in combinatie met het filmen van de handhavers en de situatie, hoe hinderlijk en kwalijk ook, onvoldoende om aan te merken als een significante en/of wezenlijke bijdrage aan het door de medeverdachten gepleegde geweld. Daartoe overweegt de rechtbank dat weliswaar sprake is geweest van een onheuse en onfatsoenlijke bejegening, maar dat geen sprake is van vocale aanmoediging waardoor (het gevaar van) escalatie van het geweld een reëel gevolg zou zijn.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde.
4. De vordering van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregel
[handhaver 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 46.490,34, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 16.490,34,- aan materiële schade en € 30.000,- aan immateriële schade. Daarnaast vordert de benadeelde partij vergoeding van € 1.572,- voor de gemaakte proceskosten.
[handhaver 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 4.000,- aan immateriële schade. Daarnaast vordert de benadeelde partij vergoeding van € 831,- voor de gemaakte proceskosten.
[handhaver 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 10.969,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 969,- aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade. Daarnaast vordert de benadeelde partij vergoeding van € 1.179,- voor de gemaakte proceskosten.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van de benadeelde partijen dienen te worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in verband met de bepleitte vrijspraak.
Het oordeel van de rechtbank
De verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen.
5. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
vordering benadeelde partijen
verklaart de benadeelde partij [handhaver 1] niet-ontvankelijk in haar vordering;
verklaart de benadeelde partij [handhaver 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering;
verklaart de benadeelde partij [handhaver 3] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.X. Cozijn, voorzitter,
mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,
mr. J. Herfkens, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Straaten, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 maart 2026.
Bijlage I: Tekst tenlastelegging
hij op of omstreeks 12 augustus 2022 te Zoetermeer openlijk, te weten, de Vogeldreef, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een) persoon/personen, te weten [handhaver 1] en/of [handhaver 3] en/of [handhaver 2] door
- ( als groep) een numeriek overwicht ten opzichte van die [handhaver 1] en/of [handhaver 3] en/of [handhaver 2] te creëren en/of
- te trekken aan de kleding van die [handhaver 1] en/of [handhaver 2] en/of
- aan de haren van die [handhaver 1] te trekken en/of
- die [handhaver 1] een elleboogstoot tegen haar borst te geven en/of
- die [handhaver 1] tegen het lichaam te stompen en/of
- die [handhaver 2] tegen de borst te duwen en/of
- die [handhaver 2] bij de keel te grijpen en/of
- die [handhaver 2] tegen het hoofd te stompen en/of
- die [handhaver 3] tegen zijn elleboog te stompen/slaan.