RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.40883
geboren op [geboortedatum] 2009, Syrische nationaliteit,
(V-nummer: [V-nummer]), eiser,
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en
(gemachtigde: mr. J. van Raak).
Procesverloop
Eiser heeft op 7 mei 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
Verweerder heeft deze aanvraag in zijn besluit van 16 oktober 2024 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) omdat aan eiser door de Bulgaarse autoriteiten een internationale beschermingsstatus is verleend.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 oktober 2024 en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL24.40884).
Verweerder heeft op 20 januari 2025 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om voorlopige voorziening, op 23 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting na de behandeling van het beroep aangehouden en heeft op 24 januari 2025 middels een bericht in het digitale dossier medegedeeld dat de rechtbank , zoals besproken ter zitting, aanleiding ziet om een bestuurlijke lus toe te passen.
Bij besluit van 6 februari 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld en bepaald dat eiser zich onmiddellijk naar Bulgarije dient te begeven.
Gemachtigde van eiser heeft desgevraagd aangegeven geen nadere gronden aan te zullen voeren.
De rechtbank heeft het onderzoek op 5 maart 2026 gesloten en heeft partijen medegedeeld dat zij zonder nadere zitting uitspraak zal doen.
Overwegingen
Het verloop van de procedure
1. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en heeft op 7 mei 2024 de voorliggende asielaanvraag ingediend.
2. Bij besluit van 16 oktober 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard omdat door de Bulgaarse autoriteiten aan eiser een internationale beschermingsstatus is verleend.
3. Verweerder heeft op 12 november 2024 laten weten dat eiser volgens melding van het Centraal Orgaan opvang (COa) asielzoekers op 7 november 2024 met onbekende bestemming is vertrokken.
4. Verweerder heeft tijdens de zitting van 23 januari 2025 primair het standpunt ingenomen dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken, er daarom geen procesbelang is en het beroep niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Volgens verweerder is er dan ook geen aanleiding om de zaak inhoudelijk te behandelen. Ter zitting is echter ook besproken en vastgesteld dat in het besluit van 16 oktober 2024 ten onrechte is uitgegaan van de meerderjarigheid van eiser. Verweerder heeft te kennen gegeven dat als van de minderjarigheid van eiser zou worden uitgegaan, een nieuwe beoordeling zou moeten plaatsvinden om na te gaan of eiser zijn rechten als statushouder in Bulgarije kan effectueren.
5. Op 23 januari 2025, na de zitting, heeft de gemachtigde van eiser een kopie van het familieboekje van eiser overgelegd. Op 24 januari 2025 heeft de gemachtigde van eiser WhatsAppberichten met eiser over hetgeen ter zitting is besproken overgelegd.
6. De rechtbank heeft op 24 januari 2025 middels een bericht in het digitale dossier medegedeeld dat de rechtbank hierin aanleiding ziet om een bestuurlijke lus toe te passen.
7. Bij brief van 7 februari 2025 heeft verweerder de rechtbank laten weten dat niet-ontvankelijkverklaring van eisers asielaanvraag komt te vervallen en hij eiser niet langer zal opdragen om zich naar Bulgarije te begeven.
8. Bij brief van 24 februari 2025 heeft verweerder de rechtbank laten weten dat tijdelijk niet op de asielaanvraag van eiser wordt beslist omdat er, gelet op de situatie in Syrië, een besluitmoratorium is ingesteld.
9. De rechtbank heeft op 28 februari 2025 aan verweerder gevraagd of dit betekent dat verweerder definitief afziet van zijn eerdere beslissing om de asielaanvraag niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de door Bulgarije toegekende status.
10. Verweerder heeft in reactie hierop op 28 februari 2025 laten weten dat niet langer wordt tegengeworpen dat eiser reeds internationale bescherming in Bulgarije heeft.
11. Verweerder heeft op 1 december 2025 nogmaals bevestigd dat aan eiser niet langer wordt tegengeworpen dat aan hem internationale bescherming is verleend door de Bulgaarse autoriteiten. Verweerder heeft aangegeven eiser te moeten horen over zijn asielmotieven. Verweerder heeft vastgesteld dat eiser zich nog niet gemeld had en dat zijn verblijfplaats onbekend is.
12. De gemachtigde van eiser heeft op 7 januari 2026 laten weten dat zij geen contact heeft met eiser en ook niet weet waar hij verblijft. Gemachtigde heeft een WhatsAppbericht naar eiser gestuurd en wacht op antwoord.
13. Verweerder heeft op 9 januari 2026 aangegeven dat er op 22 januari 2026 een gehoor gepland staat.
14. Gemachtigde van eiser heeft op 12 januari 2026 laten weten dat het haar tot op heden niet meer gelukt is om contact te krijgen met eiser.
15. Op 22 januari 2026 is eiser niet verschenen bij het geplande en aangekondigde gehoor. Hiervan is een rapport ‘niet verschijnen voor gehoor’ opgemaakt.
16. Op 22 januari 2026 heeft verweerder een voornemen uitgebracht tot buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 omdat eiser is verdwenen en hiervoor geen reden heeft opgegeven. Verder heeft verweerder overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV). Uit informatie van het COa is namelijk gebleken dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en het onderzoek naar adequate opvang is nog niet afgerond. Omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken, wordt aangenomen dat hij geen behoefte heeft aan dit onderzoek en dat hij zelf heeft voorzien in een vorm van opvang. Ook heeft verweerder de belangen van het kind meegewogen en overwogen dat terugkeer naar Syrië in dit geval in zijn belang wordt geacht. In het voornemen staat ten slotte dat eiser een terugkeerbesluit krijgt waaruit volgt dat hij moet terugkeren naar Syrië. Verweerder heeft hierbij overwogen dat uit eisers asielaanvraag in beginsel kan worden afgeleid dat hij vreest voor vervolging of ernstige schade bij terugkeer naar Syrië. Eiser is echter zonder opgaaf van redenen met onbekende bestemming vertrokken en deze handelswijze geeft volgens verweerder aanleiding om aan te nemen dat het terugkeerbesluit kan worden genomen zonder schending van het beginsel van non-refoulement.
17. Eiser heeft op 4 februari 2026 een zienswijze ingediend. Hij stelt dat hij rechtmatig verblijf heeft in Griekenland. Verweerder heeft de Griekse autoriteiten niet op de hoogte gesteld van het terugkeerbesluit. Ook heeft verweerder niks gezegd over het TQ-arrest en over adequate opvang. De manier waarop de zaak van eiser is behandeld laat bovendien zien dat het belang van eiser als kind niet als eerste overweging is meegewogen. Volgens eiser kan er dan ook niet worden gesproken van een terugkeerbesluit.
18. Bij besluit van 6 februari 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Volgens verweerder is niet in geschil dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en om deze reden blijft overeind dat eisers aanvraag buiten behandeling wordt gesteld. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat geen terugkeerbesluit aan eiser kan worden opgelegd omdat hij een verblijfsstatus heeft in Bulgarije. Daarom krijgt eiser dan ook geen terugkeerbesluit. Met betrekking tot het TQ-arrest en adequate opvang verwijst verweerder naar het voornemen waarin volgens verweerder is gemotiveerd is waarom eiser geen verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor AMV krijgt. Over het belang van het kind stelt verweerder zich op het standpunt dat vaststaat dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en de behandeling van zijn aanvraag niet heeft afgewacht. Volgens verweerder dient eiser zich onmiddellijk naar Bulgarije te begeven.
19. Op 3 maart 2026 heeft verweerder middels een brief een overzicht van de procedure weergegeven en zich primair op het standpunt gesteld dat het beroep primair niet-ontvankelijk is en subsidiair ongegrond is.
20. De rechtbank heeft eiser op 4 maart 2026 in de gelegenheid gesteld om aanvullende beroepsgronden in te dienen tegen het besluit van 6 februari 2026. De gemachtigde van eiser heeft op diezelfde dag laten weten geen nadere beroepsgronden in te dienen.
Het oordeel van de rechtbank
21. De rechtbank overweegt allereerst dat in de rechtspraak wordt aangenomen dat als de vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uit mag worden uitgegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. Dit is op grond van de thans actuele rechtspraak slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit houdt dan in dat de gemachtigde weet waar een vreemdeling verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
22. Doorgaans vindt niet-ontvankelijkverklaring van het -gehele- beroep reeds plaats als wordt aangenomen dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming door en in Nederland. De beoordeling van een asielaanvraag is evenwel niet identiek aan de beoordeling of een terugkeerbesluit kan en moet worden vastgesteld. De verplichtingen die voor verweerder en voor de rechtbank voortvloeien uit richtlijn 2008/115 zien namelijk niet op de beoordeling van de beschermingsbehoefte. Indien mag worden aangenomen dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op internationale bescherming in Nederland, volgt hieruit dan ook niet zonder meer dat er geen procesbelang bestaat bij een rechterlijke controle van het terugkeerbesluit. De rechtbank verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 12 januari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:347).
23. Op het moment dat verweerder vaststelt dat een derdelander illegaal in Nederland verblijft, zal hij moeten nagaan of een terugkeerbesluit kan en moet worden vastgesteld. De rechtbank overweegt dat indien verweerder geen terugkeerbesluit neemt maar de vreemdeling opdraagt om zich naar de statusverlenende lidstaat te begeven, verweerder -óók- richtlijn 2008/115 ten uitvoer legt.
24. Bij de tenuitvoerlegging van richtlijn 2008/115 is verweerder onder meer gehouden om rekening te houden met de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en moet verweerder het beginsel van non-refoulement eerbiedigen. Deze verplichting geldt ongeacht of verweerder beslist op een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel of regulier, dan wel dat de derdelander geen verblijfsvergunning heeft gevraagd. De omvang van deze verplichting is steeds dezelfde en dus niet afhankelijk van de verblijfsprocedure die zo mogelijk voorafgaat aan de eventuele vaststelling van een terugkeerbesluit. Het toetsingskader kan wel verschillen naar gelang een terugkeerbesluit wordt vastgesteld, dan wel een vreemdeling wordt opgedragen om zich naar de statusverlenende lidstaat te begeven. Verweerder mag ten aanzien van de meeste lidstaten namelijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat regardeert de inhoudelijke beoordeling.
25. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact heeft met zijn gemachtigde. De rechtbank zal dan ook niet inhoudelijk beoordelen of aan eiser een asielvergunning moet worden verleend omdat verweerder mag aannemen dat eiser geen bescherming in en door Nederland meer wil. Eiser doet hiermee echter geen afstand van zijn grondrechten en de rechtbank zal daarom wel inhoudelijk controleren of verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij eiser kon en moest opdragen om zich naar Bulgarije te begeven.
26. De rechtbank acht het in dit verband opmerkelijk dat verweerder in het voornemen aangeeft een terugkeerbesluit te zullen opleggen waaruit volgt dat eiser zou moeten terugkeren naar Syrië. Verweerder heeft in het besluit van 6 februari 2026 vervolgens geen terugkeerbesluit opgelegd maar eiser opgedragen om zich naar Bulgarije te begeven. Verweerder had evenwel reeds eerder in de procedure te kennen gegeven dit niet te zullen doen. De rechtbank begrijpt dat het complex is om een terugkeerbesluit vast te stellen omdat eiser minderjarig is. De Afdeling heeft in de uitspraak van 9 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:119) overwogen dat verweerder ook indien hij een asielaanvraag buiten behandeling stelt, in het geval de vreemdeling minderjarig is, aan zijn onderzoeksplicht naar adequate opvang moet voldoen zoals het Hof dit heeft verduidelijkt in het arrest van 14 januari 2021 in de zaak TQ (ECLI:EU:C:2021:9). In de onderhavige procedure is aan eiser bovendien door een andere lidstaat internationale bescherming verleend zodat het de vraag is of aan eiser wel een terugkeerbesluit en dus de verplichting om terug te keren naar zijn land van herkomst mag worden opgelegd. De rechtbank verwijst in dit verband naar de prejudiciële vragen die de rechtbank, zittingsplaats Haarlem, op 19 februari 2026 hierover heeft gesteld (ECLI:NL:RBDHA:2026:3626). Verweerder heeft in het besluit niet toegelicht waarom eiser in het besluit alsnog wordt opgedragen om zich naar Bulgarije in plaats van Syrië te begeven. Verweerder heeft ook niet gemotiveerd waarom hij zich hiertoe bevoegd acht na zijn eerdere mededelingen dat eiser niet naar Bulgarije hoeft te gaan. Verweerder heeft ook niet toegelicht of na de buitenbehandelingstelling van een asielaanvraag, er alsnog een niet-ontvankelijk verklaring kan volgen en verweerder heeft niet gemotiveerd dat hij niet hoeft te volstaan met een niet-ontvankelijk verklaring.
27. Daargelaten al deze kwesties die verweerder best had mogen ophelderen aangezien hij bij herhaling heeft aangegeven dat eiser niet naar Bulgarije hoeft te gaan, concludeert de rechtbank dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende toereikend is gemotiveerd.
28. Indien een vreemdeling aan wie door een andere lidstaat internationale bescherming is verleend, niet in aanmerking komt voor verblijf in Nederland, dient verweerder deze vreemdeling allereerst op grond van artikel 6, tweede lid, van richtlijn 2008/115 op te dragen om zich naar de statusverlenende lidstaat te begeven. Zoals eerder overwogen moet verweerder bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn echter nagaan of de in artikel 5 van deze richtlijn genoemde belangen in de weg staan aan de, in dit geval, vaststelling van een bevel om zich onmiddellijk naar het grondgebied van die andere lidstaat te begeven. Verweerder heeft deze belangen niet kenbaar heeft benoemd en gewogen in zijn besluit.
29. Bij het besluitonderdeel waaruit volgt dat eiser zich naar Bulgarije moet begeven, heeft verweerder geen rekening gehouden met de belangen zoals genoemd in artikel 5 van richtlijn 2008/115 en dan met name de belangen van het kind. Eiser is (nog steeds) minderjarig en verweerder heeft geen enkele overweging gewijd aan de belangen van eiser als kind en artikel 3 van het IVRK. Verweerder heeft op geen enkele wijze gemotiveerd dat eiser als minderjarige statushouder in Bulgarije zijn rechten kan effectueren. Bovendien heeft verweerder ter zitting aangegeven dat in het geval van minderjarige statushouders Bulgarije niet snel worden overgedragen. Ook vindt er volgens verweerder ofwel nader onderzoek plaats waarbij garanties worden gevraagd ofwel wordt de asielaanvraag ingewilligd. Deze ter zitting door verweerder gegeven toelichting is niet vermeld in het besluit van 6 februari 2026.
30. Eiser is weliswaar met onbekende bestemming vertrokken. Verweerder en de rechtbank moeten evenwel ook uit eigen beweging voldoen aan de vereisten die richtlijn 2008/115 stellen. Eiser is minderjarig. Voordat verweerder eiser kan opdragen om zich naar Bulgarije te begeven, dient verweerder te onderzoeken of hij van eiser kan verwachten dat hij zijn rechten als statushouder in Bulgarije kan effectueren. Deze onderzoeksplicht is vergelijkbaar als de onderzoeksplicht die de Afdeling heeft benoemd in de eerder genoemde uitspraak van 9 januari 2026 met dien verstande dat het onderzoek naar adequate opvang alleen plaatsvindt ten aanzien van terugkeer naar het land waar de terugkeerverplichting op ziet en niet op andere lidstaten. Dat eiser ‘mob is’ ontslaat verweerder dus niet van de verplichting om rekening te houden met het belang van het kind. Indien verweerder niet kan motiveren dat eiser in Bulgarije in staat zal zijn om zijn rechten als statushouder te effectueren, zal verweerder alsnog moeten motiveren of aan eiser een terugkeerbesluit kan worden opgelegd. Indien dat niet het geval is omdat de Bulgaarse autoriteiten de status niet intrekken of indien er geen adequate opvang in Syrië is, kan verweerder geen terugkeerbesluit vast stellen. Richtlijn 2008/115 regelt geen voorwaarden voor verblijf, dus indien eiser door zijn proceshouding aangeeft geen bescherming in en door Nederland te wensen, kan verweerder in dat geval volstaan met het buiten behandeling stellen van de aanvraag en is verweerder dus niet bevoegd om een meeromvattende beschikking te nemen.
31. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en vernietigt het besluit van 6 februari 2026. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt hiervoor een termijn van zes weken.
32. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr.M.M.M.F. Roijen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 16 maart 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.