ECLI:NL:RBDHA:2026:5471

ECLI:NL:RBDHA:2026:5471

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-03-2026
Datum publicatie 16-03-2026
Zaaknummer 09/204626-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

taakstraf voor bewezenverklaring openlijke geweldpleging en mishandeling van een ambtenaar in functie.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/204626-22

Datum uitspraak: 11 maart 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 25 februari 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.A. Kamphuis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. H. Sytema naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. De bewijsbeslissing

Inleiding

Op vrijdag 12 augustus 2022 om 23:15 uur wilden handhavers van de handhaving van de gemeente Zoetermeer de inzittende van een voertuig controleren. Dit voertuig reed weg en kon later ingehaald worden. De bestuurder van het voertuig werd staande gehouden, maar rende weg waarna een achtervolging te voet ontstond. Op de Vogeldreef kon de bestuurder alsnog staande gehouden worden. Dit bleek medeverdachte [de medeverdachte 1] , tevens de broer van de verdachte, te zijn. Hij werkte echter niet mee aan zijn aanhouding, waardoor de handboeien niet aangelegd konden worden. Er kwam een oploop van buurtbewoners en meerdere personen gingen zich met de aanhouding bemoeien. De handhavers werden hierbij mishandeld en beledigd. De verdachte wordt ervan verdacht dat hij zich zodanig heeft bemoeid met de aanhouding van medeverdachte [de medeverdachte 1] dat hij hierbij, in vereniging met anderen, geweld heeft gepleegd tegen de handhavers.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van bepaalde onderdelen van de ten laste gelegde feiten.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Beoordeling

Bewijswaardering in deze zaak

Aan een ambtsedig proces-verbaal van een opsporingsambtenaar komt bijzondere bewijskracht toe. Uit artikel 344, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering volgt immers dat de rechter op grond van één bewijsmiddel in de vorm van een ambtsedig proces-verbaal tot een bewezenverklaring van een aan een verdachte ten laste gelegd strafbaar feit kan komen. Op een opsporingsambtenaar rust dan ook een zware verantwoordelijkheid om zijn of haar waarnemingen volledig en naar waarheid vast te leggen, omdat het proces-verbaal grote invloed kan hebben op de bewijsbeslissing in een strafzaak. Het staat de rechter vrij een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar niet tot het bewijs te bezigen wanneer bijzondere omstandigheden twijfel geven aan de betrouwbaarheid daarvan.

In deze zaak stelt de rechtbank vast dat ten aanzien van de openlijke geweldpleging substantiële discrepanties bestaan tussen wat door de handhavers [handhaver 1] en [handhaver 2] in ambtsedige processen-verbaal is opgeschreven en wat op de camerabeelden in het dossier te zien is. De rechtbank licht dat hierna toe.

In het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van [handhaver 1] (p. 70 van het zaaksdossier) schrijft zij op dat zij, toen zij bovenop de verdachte op de grond zat, vuistslagen in haar gezicht zou hebben gekregen van de verdachte. [handhaver 1] verbaliseert daarover het volgende:

ik probeerde zijn armen te blokkeren, om te voorkomen dat hij mij in mijn gezicht kon slaan. Ik voelde dat [de verdachte] mij beetpakte aan de bovenkant van mijn steekwerende vest en mij omlaag trok richting zijn bovenlichaam. Hierna

voelde ik meerdere vuistslagen in mijn gezicht.

Het moment waarop [handhaver 1] bovenop de verdachte op de grond kwam te zitten is door de medeverdachte [de medeverdachte 2] van korte afstand en van het begin tot het einde gefilmd met zijn telefoon. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting zijn deze beelden afgespeeld. Op die beelden is niet te zien dat de verdachte handhaver [handhaver 1] aan haar vest omlaag trekt en zijn geen vuistslagen van de verdachte in de richting van het hoofd van [handhaver 1] te zien. Op basis daarvan stelt de rechtbank vast dat de bovenstaande verklaring, geen correcte weergave is van de feitelijke situatie zoals die zich op dat moment heeft afgespeeld en zoals op de camerabeelden te zien is. Overigens is op geen van de camerabeelden te zien dat [handhaver 1] op enig ander moment vuistslagen in haar gezicht krijgt van de verdachte.

In het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van [handhaver 2] (p. 89 van het zaaksdossier) schrijft hij op dat hij, vlak nadat hij op de Vogeldreef medeverdachte [de medeverdachte 1] staande had gehouden, door de verdachte bij zijn keel is gegrepen. Hij verbaliseert hieromtrent:

Direct hierna kwamen [de verdachte] en [de medeverdachte 2] zich ermee bemoeien. (…) Ik werd toen door [de verdachte] bij mijn keel vastgepakt. ik voelde dat hij kracht aanzette. Ik heb toen een harde duw gegeven aan [de verdachte] waardoor ik loskwam. Ik stond toen met drie jongens om mij heen die mij aan het belagen waren. Ik heb toen om 23:24 uur de noodknop van ons portofoonsysteem ingedrukt en om spoed assistentie gevraagd. Kort hierna kwam mijn collega [handhaver 1] erbij.”

Van het moment van staandehouding van medeverdachte [de medeverdachte 1] op de Vogeldreef en de gebeurtenissen in de minuten daarna zijn bodycambeelden van zowel handhavers [handhaver 2] als [handhaver 1] , en de voornoemde camerabeelden van de telefoon van de medeverdachte [de medeverdachte 2] aanwezig. Uit die beelden blijkt dat op het moment van staandehouding van medeverdachte [de medeverdachte 1] door [handhaver 2] verder alleen de medeverdachte [de medeverdachte 2] (en dus niet de verdachte) aanwezig was, dat [handhaver 2] toen al vrij snel om noodassistentie heeft gevraagd, dat toen handhaver [handhaver 1] arriveerde en dat de verdachte pas daarna kwam aanrennen. De verdachte kan [handhaver 2] dus onmogelijk bij zijn keel hebben vastgepakt en [handhaver 2] kan hem onmogelijk een duw hebben gegeven voordat [handhaver 1] erbij kwam. De rechtbank stelt dan ook vast dat de in dit verband opgeschreven waarneming van [handhaver 2] , geen correcte weergave is van de feitelijke situatie zoals die zich op dat moment heeft afgespeeld en zoals op de camerabeelden te zien is. Overigens is op geen van de camerabeelden te zien dat [handhaver 2] op enig ander moment door de verdachte bij zijn keel wordt vastgepakt.

Gelet op voornoemde forse discrepanties tussen de gang van zaken zoals omschreven in de processen-verbaal van handhavers [handhaver 1] en [handhaver 2] en wat op de camerabeelden van het voorval te zien is, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval niet zonder meer kan worden vertrouwd op de inhoud van de voornoemde processen-verbaal. De rechtbank zal daarom deze ambtsedig opgemaakte processen-verbaal niet gebruiken voor het bewijs en als uitgangspunt hanteren dat zij slechts tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van de ten laste gelegde (gewelds)handelingen, indien deze blijken uit ander bewijsmateriaal.

Openlijke geweldpleging

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat medeverdachte [de medeverdachte 1] zich met geweld tegen zijn staandehouding en aanhouding heeft verzet, door zijn arm stijf te houden dan wel weg te trekken, de arm van [handhaver 2] weg te duwen en [handhaver 2] meermaals met kracht weg te duwen. Kort nadat handhaver [handhaver 1] erbij komt, komt ook de verdachte met een verhoogde snelheid in de richting van [handhaver 1] aan lopen. Hij probeert een wig te vormen tussen medeverdachte [de medeverdachte 1] en [handhaver 1] , waarbij hij zijn linker elleboog tegen de borst van [handhaver 1] aan stoot. Hierop ontstaat een schermutseling, waarbij beiden naar de grond gaan. Te zien is dat [handhaver 1] op de verdachte komt te zitten, teneinde hem in bedwang te houden, waarna de verdachte aan haar haren trekt.

Kort hierop vindt eveneens een in hevigheid toenemende confrontatie plaats tussen medeverdachte [de medeverdachte 1] en handhaver [handhaver 2] . Op de beelden is te zien dat medeverdachte [de medeverdachte 1] [handhaver 2] met kracht ter hoogte van zijn borst vastgrijpt, tegen de muur aan duwt en hem daar tegenaan gedrukt houdt. Daarbij is te zien dat de geweldshandelingen van medeverdachte [de medeverdachte 1] pas stoppen, nadat deze met hulp van handhaver [handhaver 1] en andere collega handhavers konden worden afgebroken. Vervolgens ontstond een worsteling waarbij vier handhavers nodig waren om de verdachte en medeverdachte [de medeverdachte 1] naar de grond te krijgen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte opzet had op het plegen van geweld in vereniging met medeverdachte [de medeverdachte 1] jegens handhavers van de gemeente Zoetermeer, en dat beide verdachten een significante en wezenlijke bijdrage aan dat geweld hebben geleverd. De rechtbank kwalificeert de gedragingen van de verdachte en medeverdachte [de medeverdachte 1] als openlijke geweldpleging in de zin van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken van de ten laste gelegde (gewelds)handelingen onder feit 1 voor zover zij niet blijken uit de bewijsmiddelen. Ten aanzien van het letsel aan de elleboog van handhaver [handhaver 3] overweegt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld hoe dit letsel is ontstaan. Op de bodycambeelden van handhaver [handhaver 4] zegt [handhaver 3] dat hij op zijn elleboog is gevallen, volgens het verslag van de spoedeisende hulp (p. 77 van het zaaksdossier) zou het zijn gegaan om een schop en in het proces-verbaal van bevindingen van handhaver [handhaver 3] (p. 80 van het zaakdossier) verklaart hij over een klap of een trap. Gelet op voornoemde onduidelijkheid zal de verdachte ook van deze ten laste gelegde geweldshandeling partieel worden vrijgesproken.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zich hiernaast ook schuldig heeft gemaakt aan het mishandelen van handhaver [handhaver 5] , door hem bij de keel te pakken en in het gezicht te stompen.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1.

hij op of omstreeks 12 augustus 2022 te Zoetermeer openlijk, te weten, aan de Vogeldreef, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een) persoon/personen, te weten [handhaver 1] en/of [handhaver 3] en/of [handhaver 2] door- (als groep) een numeriek overwicht ten opzichte van die [handhaver 1] en/of [handhaver 3] en/of [handhaver 2] te creëren en/of- te trekken aan de kleding van die [handhaver 1] en/of [handhaver 2] en/of- aan de haren van die [handhaver 1] te trekken en/of- die [handhaver 1] een elleboogstoot tegen haar borst te geven en/of- die [handhaver 1] tegen het lichaam te stompen en/of- die [handhaver 2] tegen de borst te duwen en/of - die [handhaver 2] bij de keel te grijpen en/of- die [handhaver 2] tegen het hoofd te stompen en/of- die [handhaver 3] tegen zijn elleboog te stompen/slaan;2.hij op of omstreeks 12 augustus 2022 te Zoetermeer, een ambtenaar, [handhaver 5] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [handhaver 5] bij de keel te pakken en/of in het gezicht te stompen.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte, rekening houdend met een forse overschrijding van de redelijke termijn van berechting, wordt veroordeeld tot een

onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor een duur gelijk aan het voorarrest (35 dagen) met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, en daarnaast een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de strafoplegging dient te worden volstaan met de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging, gericht tegen handhavers die op dat moment in functie waren. Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling, door een andere handhaver tegen het gezicht te stompen en hem bij de keel te pakken. De aanleiding hiervoor was een uit de hand gelopen staandehouding van de broer van de verdachte, waarbij de medeverdachte [de medeverdachte 1] zich vanaf het begin daarvan niet meewerkend heeft opgesteld. Hoewel de rechtbank op basis van de camerabeelden van oordeel is dat de ’handhavers de situatie eveneens op een andere manier hadden kunnen en moeten aanpakken, ligt het zwaartepunt van de escalatie bij de verdachten. De wijze waarop de verdachte heeft gehandeld, in combinatie met de daarna ontstane consternatie die mede het gevolg is van zijn handelen, heeft gezorgd voor gevoelens van angst en onveiligheid bij de handhavers. Dat is onacceptabel. Naast het feit dat geweld inbreuk maakt op de lichamelijke integriteit en het welbevinden van een handhaver, getuigt dergelijk gedrag van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag. De rechtbank rekent dit de verdachte dan ook zeer aan.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 3 februari 2026. Daaruit blijkt dat hij niet eerder en ook nadien niet is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank weegt het strafblad van de verdachte niet in strafverzwarende of strafverminderende zin mee bij de strafoplegging. Verder blijkt uit zijn strafblad dat hij na de pleegdatum van onderhavige feiten is veroordeeld in verband met onder meer Wegenverkeerswet feiten. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is daarom van toepassing.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft op het onderzoek ter terechtzitting kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daaruit blijkt dat hij in 2025 getrouwd is met zijn partner en dat hij in de nabije toekomst een kind verwacht. Daarnaast is hij onlangs met een nieuwe baan gestart en draagt hij (financiële) zorg voor zijn moeder en zijn broer.

Overschrijding van de redelijke termijn

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van berechting in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) fors is overschreden. De termijn is immers gaan lopen bij de aanhouding en het eerste verhoor van de verdachte op 13 augustus 2022. De termijn eindigt met het wijzen van dit vonnis op 11 maart 2026. De rechtbank heeft deze overschrijding van de redelijke termijn in het voordeel van de verdachte meegewogen bij de op te leggen straf.

Strafoplegging

De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat ter vergelding van de bewezen verklaarde feiten een taakstraf voor de tijd van 120 uren passend en geboden is. De door de verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd zal worden omgerekend en zal van deze taakstraf worden afgetrokken. De rechtbank wijkt daarmee af van de eis van de officier van justitie, omdat zij heeft gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting die een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 150 uren tot uitgangspunt nemen en omdat de rechtbank tot een beperktere bewezenverklaring is gekomen.

7. De vordering van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van feit 1

[handhaver 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 46.490,34, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 16.490,34,- aan materiële schade en € 30.000,- aan immateriële schade. Daarnaast vordert de benadeelde partij vergoeding van € 1.572,- voor de gemaakte proceskosten.

[handhaver 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 4.000,- aan immateriële schade. Daarnaast vordert de benadeelde partij vergoeding van € 831,- voor de gemaakte proceskosten.

[handhaver 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 10.969,- te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 969,- aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade. Daarnaast vordert de benadeelde partij vergoeding van € 1.179,- voor de gemaakte proceskosten.

Ten aanzien van feit 2

[handhaver 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.024,99, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 24,99 aan materiële schade en € 4.000,- aan immateriële schade. Daarnaast vordert de benadeelde partij vergoeding van de gemaakte proceskosten.

Alle benadeelde partijen hebben in verband met de voornoemde vorderingen verzocht tot de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals hierboven weergegeven, dienen te worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, nu deze, gelet op de uitgebreidheid, hoogte en de aard daarvan, tot een onevenredige belasting van het strafgeding leiden.

De verdediging heeft in het bijzonder ten aanzien van de vordering van [handhaver 1] aangevoerd dat het materiële gedeelte van de vordering onvoldoende is onderbouwd, zodat dit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ten aanzien van het immateriële gedeelte van de vordering is naar voren gebracht dat de schade niet een rechtstreeks gevolg is van het ten laste gelegde feit.

Ten slotte is door de verdediging aangevoerd dat de gevorderde immateriële schadevergoedingen fors gematigd dienen te worden.

Het oordeel van de rechtbank

De materiële ontvankelijkheid van de vorderingen

De rechtbank is van oordeel dat de omvang van de toelichting op de vorderingen en de hoogte van de gevorderde bedragen, niet maken dat de behandeling hiervan een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdediging voldoende tijd heeft gehad om tegen de vorderingen verweer te voeren. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de vorderingen van de benadeelde partijen om deze reden niet-ontvankelijk te verklaren.

De vordering van de benadeelde partij [handhaver 1]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Een onderbouwing van het lichamelijke alsmede het psychische letsel is overgelegd. Daaruit blijkt onder meer dat [handhaver 1] ten gevolge van het bewezen verklaarde feit last heeft gehad van licht traumatisch hoofd- hersenletsel en (opleving van) PTSS-klachten. Ook blijkt daaruit dat zij in dat verband ergotherapie heeft gevolgd en in behandeling is geweest bij een GZ-psycholoog. De benadeelde is als gevolg van het incident langdurig ziek gemeld op haar werk. Zij is pas ruim een jaar na het incident weer volledig beter gemeld op het werk.

De materiële schade

Namens de benadeelde partij [handhaver 1] zijn de navolgende materiële schadeposten ingediend, met daarbij de onderstaande, verzochte ingangsdata van de wettelijke rente per schadepost:

(i) Zelfredzaamheid € 930,00, per d.d. 1 januari 2023;

(ii) Huishoudelijke hulp € 7.905,40, per d.d. 26 januari 2023;

(iii) Verzorging kinderen € 6.671,52, per d.d. 26 januari 2023;

(iv) Zelfwerkzaamheid € 250,-, per d.d. 1 december 2022;

(v) Gemist voordeel € 733,42, per d.d. 25 oktober 2022.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schadeposten (i) zelfredzaamheid, (iii) verzorging kinderen, en (iv) zelfwerkzaamheid namens de verdachte onvoldoende zijn betwist, en namens de benadeelde partij voldoende zijn onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade rechtstreeks heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de navolgende materiële schadeposten het volgende.

(ii) Huishoudelijke hulp

De rechtbank overweegt dat vaste rechtspraak is dat in geval van letselschade de kosten van huishoudelijke hulp door de aansprakelijke persoon aan de benadeelde moeten worden vergoed indien deze ten gevolge van het letsel niet langer in staat is de desbetreffende werkzaamheden zelf te verrichten, voor zover het gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin het slachtoffer verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners. Dit is niet anders indien die werkzaamheden in feite worden verricht door personen die daarvoor geen kosten in rekening (kunnen) brengen (vgl. HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998, HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:590 en HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:853).

Anders dan de verdediging heeft bepleit, bestaat naar het oordeel van de rechtbank een causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en het gevolg dat de benadeelde hierdoor huishoudelijke hulp nodig heeft gehad. Uit de arbeidskundigerapportage van A. Denekamp blijken immers de door haar ondervonden beperkingen als gevolg van het bewezen verklaarde feit 1 en de daaraan gerelateerde uitval in het huishouden.

In het onderhavige geval gaat het om werkzaamheden als de verzorging van [handhaver 1] en haar kinderen. De huishoudelijke hulp werd verricht door haar schoonmoeder en haar partner. Deze hulp had betrekking op koken, het doen van de was, boodschappen en het verschonen van bedden en de kamer waarin [handhaver 1] verbleef. Ook heeft [handhaver 1] hulp nodig gehad bij huishoudelijke taken zoals het op orde maken van de tuin en vuil ruimen. Voor dergelijke werkzaamheden geldt dat het normaal en gebruikelijk is om daarvoor betaalde huishoudelijke hulp in te schakelen. Anders dan de verdediging heeft bepleit gaat de Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp daarbij niet uit van een periode van maximaal 3 maanden.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vordering met betrekking tot de kosten van huishoudelijke hulp voldoende is onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.

(v) Gemist voordeel

De rechtbank acht de schadepost die ziet op het gemist voordeel onvoldoende onderbouwd. Uit de vordering blijkt dat [handhaver 1] voor de periode van september 2022 tot en met november 2022 facturen van 4Kids heeft moeten betalen in verband met de kinderopvang, zonder dat zij gebruik heeft kunnen maken van die diensten. Uit de onderbouwing daarvan blijkt echter niet om welke reden geen gebruik gemaakt is van die diensten. Daarom kan onvoldoende worden vastgesteld om welke reden de (tevergeefs) gemaakte kosten hun doel hebben gemist.

De rechtbank zal het gedeelte van de vordering dat ziet op gemist voordeel niet-ontvankelijk verklaren, nu dit deel namens de verdachte is betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd.

Toegewezen materiële schadebedrag

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering ten aanzien van de materiële schade toewijzen tot een bedrag van € 15.756,92.

Immateriële schade

Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd en gelet op immateriële schadevergoedingen die in soortgelijke zaken zijn toegewezen, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.000,- . De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige gedeelte afwijzen.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de wettelijke rente wat betreft de materiële schade toewijzen, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente wat betreft de immateriële schade toewijzen met ingang van 12 augustus 2022, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten op basis van het ‘Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven’ op € 1.306,- (gebaseerd op 2 punten in een zaak met een geldswaarde van € 10.000 tot € 20.000,-). Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 17.756,92, bestaande uit € 15.756,92 materiële schade en € 2.000,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover zoals hierboven is bepaald, ten behoeve van [handhaver 1] .

De vordering van de benadeelde partij [handhaver 2]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Daaruit blijkt onder meer dat [handhaver 2] ten gevolge van het bewezen verklaarde feit een kras in zijn nek, een schaafwond aan zijn beide ellebogen en een wond aan zijn linkerhand heeft opgelopen en last heeft gehad van angstklachten, hoofdpijn en duizeligheid. De benadeelde heeft zes weken volledig thuis gezeten als gevolg van het incident.

Immateriële schade

Nu [handhaver 2] (beperkt) lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het bewezen verklaarde feit, heeft hij recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde het door hem gestelde psychische letsel niet met voldoende concrete gegevens onderbouwd, zodat de rechtbank daarmee geen rekening zal houden bij het vaststellen van de immateriële schadevergoeding. De aard en ernst van de normschending zijn in dit geval ook niet zodanig dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd en gelet op immateriële schadevergoedingen die in soortgelijke zaken zijn toegewezen, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 700,- . De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente wat betreft de immateriële schade toewijzen met ingang van 12 augustus 2022, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten op basis van het ‘Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven’ op € 831,- (gebaseerd op 1,5 punt zoals gevorderd in een zaak met een geldswaarde van beneden € 10.000,-). Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 700, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 augustus 2022 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [handhaver 2] .

De vordering van de benadeelde partij [handhaver 3]

De rechtbank zal de benadeelde partij [handhaver 3] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, omdat niet is gebleken dat de gestelde schade is veroorzaakt door het bewezen verklaarde feit 1.

De vordering van de benadeelde partij [handhaver 5] (feit 2)

Materiële schade

De vordering ten aanzien van de materiële schade is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het onder 2 bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag, te weten: € 24,99,-.

Immateriële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 2 bewezen verklaarde feit. Uit de medische informatie blijkt dat [handhaver 5] als gevolg van de klappen tegen zijn hoofd een ‘ei’ aan de achterkant van zijn hoofd had en dat hij last heeft gehad van hoofdpijn en duizeligheid. Daardoor is hij drie weken niet in staat geweest om te werken.

Nu [handhaver 5] (beperkt) lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het bewezen verklaarde feit, heeft hij recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde het door hem gestelde psychische letsel niet met voldoende concrete gegevens onderbouwd, zodat de rechtbank daarmee geen rekening zal houden bij het vaststellen van de immateriële schadevergoeding. De aard en ernst van de normschending zijn in dit geval ook niet zodanig dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd en gelet op immateriële schadevergoedingen die in soortgelijke zaken zijn toegewezen, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 7005,-. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de immateriële schade voor het overige afwijzen.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 12 augustus 2022, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten op basis van het ‘Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven’ op € 1.108,- (gebaseerd op 2 punten in een zaak met een geldswaarde van tot € 10.000,-). Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 724,99, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 augustus 2022 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [handhaver 5] .

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelzijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 141, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 : openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

en

ten aanzien feit 2: mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf voor de tijd van 120 (honderdtwintig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 60 (zestig) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [handhaver 1]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [handhaver 1] deels toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om te betalen:

materiële schade tot een bedrag van € 930,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2023 tot aan de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan: [handhaver 1] ;

materiële schade tot een bedrag van € 7.905,40, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 26 januari 2023 tot aan de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan: [handhaver 1] ;

materiële schade tot een bedrag van € 6.671,52, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 26 januari 2023 tot aan de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan: [handhaver 1] ;

materiële schade tot een bedrag van € 250,-. te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 december 2022 tot aan de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan: [handhaver 1] ;

immateriële schade tot een bedrag van € 2.000,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 augustus 2022 tot aan de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan: [handhaver 1] ;

wijst de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij [handhaver 1] voor het overige af;

bepaalt dat de benadeelde partij [handhaver 1] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vorderingen tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij [handhaver 1] gemaakt, tot op heden begroot op € 1.306,- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;

schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op om aan de Staat te betalen een bedrag van:

materiële schade tot een bedrag van € 930,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2023 tot aan de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [handhaver 1] ;

materiële schade tot een bedrag van € 7.905,40, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 26 januari 2023 tot aan de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [handhaver 1] ;

materiële schade tot een bedrag van € 6.671,52, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 26 januari 2023 tot aan de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [handhaver 1] ;

materiële schade tot een bedrag van € 250,-. te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 december 2022 tot aan de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [handhaver 1] ;

immateriële schade tot een bedrag van € 2.000,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 augustus 2022 tot aan de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [handhaver 1] ;

bepaalt dat als de mededader [de medeverdachte 1] de toegewezen schadevergoeding en/of proceskosten deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 113 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [handhaver 2]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om te betalen de immateriële schade tot een bedrag van € 700,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 augustus 2022 tot aan de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan: [handhaver 2] ;

wijst de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij [handhaver 2] voor het overige af;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij [handhaver 2] gemaakt, tot op heden begroot op € 831,- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;

schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op om aan de Staat te betalen een bedrag van € 700,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 augustus 2022 tot aan de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [handhaver 2] ;

bepaalt dat als de mededader [de medeverdachte 1] de toegewezen schadevergoeding en/of proceskosten deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 7 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [handhaver 3]

verklaart dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [handhaver 5]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 724,99, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 augustus 2022 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan: [handhaver 5] ;

wijst de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij [handhaver 5] voor het overige af;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij [handhaver 5] gemaakt, tot op heden begroot op € 1.108,- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;

schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat te betalen een bedrag van € 724,99, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 augustus 2022 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [handhaver 5] ;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 7 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.X. Cozijn, voorzitter,

mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,

mr. J. Herfkens, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Straaten, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 maart 2026.

Bijlage I: Tekst tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 12 augustus 2022 te Zoetermeer openlijk, te weten, de Vogeldreef, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,

in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een) persoon/personen, te weten [handhaver 1] en/of [handhaver 3] en/of [handhaver 2] door

- ( als groep) een numeriek overwicht ten opzichte van die [handhaver 1] en/of [handhaver 3] en/of [handhaver 2] te creëren en/of

- te trekken aan de kleding van die [handhaver 1] en/of [handhaver 2] en/of

- aan de haren van die [handhaver 1] te trekken en/of

- die [handhaver 1] een elleboogstoot tegen haar borst te geven en/of

- die [handhaver 1] tegen het lichaam te stompen en/of

- die [handhaver 2] tegen de borst te duwen en/of

- die [handhaver 2] bij de keel te grijpen en/of

- die [handhaver 2] tegen het hoofd te stompen en/of

- die [handhaver 3] tegen zijn elleboog te stompen/slaan;

2.

hij op of omstreeks 12 augustus 2022 te Zoetermeer, een ambtenaar, [handhaver 5] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [handhaver 5] bij de keel te pakken en/of in het gezicht te stompen.

Bijlage II: gebruikte bewijsmiddelen

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer: PL1500-2022238781, van de politie eenheid Den Haag, district Zoetermeer - Leidschendam / Voorburg, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 207).

1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 12 augustus 2022, voor zover inhoudende (p. 104-105):

Ik, [handhaver 6] , Buitengewoon Opsporingsambtenaar, verklaar het volgende. Op vrijdag 12 augustus 2022 bevond ik mij te Zoetermeer. Ik hoorde een noodoproep via mijn portofoon. Via de meldkamer kreeg ik te horen dat het signaal van de collega's uit stond op de Vogeldreef. Omstreeks 23.30 uur kwam ik en mijn collega ter plaatse, aan de linkerzijde van de Vogeldreef zag ik een viertal collega's worstellen met twee personen, zij lagen allemaal op de grond. Ik stapte terug naar achteren waar mijn collega [handhaver 1] aan het worstelen was met een persoon welke later [de medeverdachte 1] bleek te zijn.

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 13 augustus 2022, voor zover inhoudende (p. 106-109):

Op vrijdag 12 augustus 2022 omstreeks 23:15 uur was ik, M.D. Kalkhoven, aanwezig op de Velddreef te Zoetermeer. Ik ben samen met mijn

collega's [handhaver 5] en [handhaver 3] door een steegje gerend. Dit steegje kwam uit op de Vogeldreef. Toen ik bijna door het steegje was gerend, zag ik mijn collega's [handhaver 2] en [handhaver 1] op de Velddreef staan. Ik zag dat om mijn collega's [handhaver 2] en [handhaver 1] ongeveer 10 personen stonden. Ik zag dat mijn collega [handhaver 2] tegen een

woning gedrukt stond. Ik keek achterom en zag dat mijn collega [handhaver 5] met een persoon naar de grond ging. Dit bleek later uit informatie van de politie om [de verdachte] te gaan. Ik zag dat mijn collega [handhaver 5] op zijn rug, op de grond lag. ik zag dat [de verdachte] boven op mijn collega [handhaver 5] lag.

3. De eigen waarneming van de rechtbank, gedaan op de terechtzitting van 25 februari 2026, voor zover inhoudende:

De voorzitter toont tijdens het onderzoek ter terechtzitting bodycam-beelden van respectievelijk [handhaver 1] en [handhaver 2] alsook video-opnames van de mobiele telefoon van [de medeverdachte 2] .

De voorzitter ziet op de bodycam-beelden van [handhaver 1] (met bestandsnaam [bestandsnaam 1] ) dat de verdachte [de verdachte] aan komt rennen en met zijn linker elleboog tegen de borst van [handhaver 1] aan stoot. Als gevolg daarvan valt de bodycam op de grond.

De voorzitter ziet op de bodycam-beelden van [handhaver 2] (met bestandsnaam [bestandsnaam 2] ) dat de

de verdachte [de medeverdachte 1] zich tegen de staandehouding verzet, door zijn arm stijf te houden dan wel weg te trekken en de arm van [handhaver 2] weg te duwen. Vervolgens is te zien dat de verdachte [de medeverdachte 1] [handhaver 2] meermaals met kracht weg duwt, onder meer tegen de borst.

De voorzitter ziet op de beelden van [de medeverdachte 2] (met bestandsnaam [bestandsnaam 3] ) dat de verdachte [de verdachte] aan de haren trekt van [handhaver 1] .

4. Het proces-verbaal van aangifte van [handhaver 5] , opgemaakt op 13 augustus 2022, voor zover inhoudende (p. 92):

Hierbij doe ik aangifte ter zake mishandeling. Op vrijdag 12 augustus

2022 bevond ik mij op de Velddreef in Zoetermeer. Ik was daar in

de hoedanigheid van buitengewoon opsporingsambtenaar van de gemeente Zoetermeer. Aldaar vond een incident plaats waarbij meerdere buitengewoonopsporingsambtenaren zijn belaagd en waar meerdere verdachten door ons zijn aangehouden. Tijdens dit incident ben ik mishandeld en is mijn T-shirt vernield. Ik ben mishandeld door [de verdachte] van 29-05-2002. Ik ben door hem bij mijn keel gepakt waarbij ik voelde dat hij kracht op mijn keel zette. Ik merkte dat ik in mijn ademhaling beperkt werd. Ik zag en voelde vervolgens dat hij terwijl hij een hand op mijn keel hield met zijn andere hand een vuist op mijn linker jukbeen gaf. Ik voelde dat dat een pijnstoot op mijn jukbeen gaf.

5. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [handhaver 4] , opgemaakt op 13 augustus 2022, voor zover inhoudende (p. 102-103):

Op vrijdag 12 augustus 2022 bevond ik mij te Zoetermeer. lk hoorde omstreeks 23:25 uur een noodoproep over de portofoon waarbij de locatie Vogeldreef

geroepen werd. lk zag op de Vogeldreef een grote groep personen bij elkaar stonden. lk hoorde veel geschreeuw uit de richting van de groep kwam. Ik ben hierop naar de groep personen toegerend. Ik zag dat twee personen op grond lagen. ik zag dat de persoon die onderop lag mijn collega [handhaver 5] was. Ik zag dat de persoon die boven op mijn collega lag, mijn collega in de houdgreep hield. De persoon die bovenop lag, bleek later [de verdachte] te zijn. ik zag dat [de verdachte] zijn rechterarm om de achterkant van de nek van [handhaver 5] hield.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?