ECLI:NL:RBDHA:2026:5473

ECLI:NL:RBDHA:2026:5473

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 16-03-2026
Zaaknummer NL24.49354
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Beroep tegen niet-ontvankelijkheidsverklaring asielaanvraag. Aanvraag kon opgevat worden als een asielaanvraag. Beroep op ambtshalve toetsing aan artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK slaagt niet. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.49354

(gemachtigde: mr. D. de Vries),

en

(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996. De minister heeft met het bestreden besluit van 4 december 2024 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de minister heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Issa als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is het standpunt van de minister in het bestreden besluit?

3. De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat Oostenrijk op 25 januari 2022 internationale bescherming aan eiser heeft verleend. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Oostenrijk de verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM niet nakomt. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn band met Oostenrijk niet zodanig sterk is dat het niet redelijk is voor eiser om naar Oostenrijk terug te gaan.

De minister heeft vervolgens ambtshalve getoetst of eiser voldoet aan het nareiscriterium en op die grond in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Dit is niet het geval. Eiser heeft zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel namelijk niet binnen drie maanden nadat zijn gezinsleden hun verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hebben gekregen ingediend.

De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser geen specifieke en bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd, die er op grond van artikel 3 IVRK of de inherente afwijkingsbevoegdheid toe zouden moeten leiden dat eiser in Nederland in aanmerking komt voor een ‘afgeleide’ verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel.

Tot slot stelt de minister zich op het standpunt dat er bij het niet-ontvankelijk verklaren van een asielaanvraag geen ambtshalve toets hoeft plaats te vinden aan reguliere verblijfsgronden, zoals de vraag of verblijf moet worden verleend op grond van artikel 8 van het EVRM.

Wat maakt geen deel meer uit van het geschil?

4. Op zitting heeft eiser zijn beroepsgronden gericht op het voldoen aan het nareiscriterium ingetrokken. Dit ligt dan ook niet langer aan de rechtbank ter beoordeling voor.

Heeft de minister de aanvraag van eiser kunnen opvatten als een asielaanvraag?

Wat betoogt eiser?

5. Eiser voert aan dat hij in Nederland wil blijven, omdat zijn echtgenote en minderjarige kinderen in Nederland verblijven. Op zitting heeft eiser dit ook nog eens verklaard. Hij is uit Syrië vertrokken, omdat hij gevaar liep. Daarom kreeg hij bescherming in Oostenrijk. Maar eiser wil niet terug naar Oostenrijk. Hij wil bij zijn gezin zijn.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

De rechtbank overweegt dat een asielaanvraag in beginsel niet-ontvankelijk kan worden verklaard als een vreemdeling inmiddels internationale bescherming heeft verkregen in een andere (lid)staat. Hierop zijn een aantal uitzonderingen mogelijk. Eén van die uitzonderingen is dat de betrokkene internationale bescherming heeft gekregen in een andere lidstaat dan waar zijn kinderen verblijven.

In haar uitspraak van 2 oktober 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat de aanvraag van een vreemdeling niet niet-ontvankelijk verklaard mag worden als de vreemdeling een internationale beschermingsstatus heeft in een andere lidstaat en alleen verblijf wenst bij zijn minderjarige kind in Nederland in het kader van nareis als bedoeld in artikel 29, tweede lid van de Vw. Daarbij vond de Afdeling relevant dat:

de vreemdeling zelf nadrukkelijk heeft verklaard dat hij de aanvraag alleen heeft ingediend, om bij zijn minderjarige kind te verblijven en dus geen beroep doet op internationale bescherming;

het doel van artikel 29, tweede lid van de Vw is om gezinshereniging mogelijk te maken en niet het verlenen van internationale bescherming.

De minister heeft zich in het verweerschrift en op zitting op het standpunt gesteld dat de situatie van eiser niet dezelfde is als de situatie van de vreemdeling in de in 5.2. genoemde Afdelingsuitspraak. De rechtbank volgt de minister hierin, aangezien eiser, anders dan in die zaak, bij het doen van zijn aanvraag niet expliciet en uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij geen asiel wil maar gezinshereniging. De minister kon hierbij betrekken dat eiser een asielaanvraagformulier ondertekend heeft ingediend. De minister heeft eisers aanvraag daarom terecht opgevat als een asielaanvraag. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft de minister de toets aan artikel 8 van het EVRM achterwege kunnen laten?

Wat betoogt eiser?

6. Eiser bestrijdt niet langer dat hij niet heeft voldaan aan het nareiscriterium. Wel betoogt eiser dat de minister had moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

De rechtbank overweegt dat er bij het niet-ontvankelijk verklaren van een asielaanvraag op grond van artikel 30a Vw door de minister niet ambtshalve aan reguliere verblijfsgronden hoeft te worden getoetst.

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 5.3. geoordeeld dat de minister de aanvraag van eiser terecht heeft opgevat als een asielaanvraag. Deze asielaanvraag heeft de minister op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard. Hierom kon de minister een ambtshalve toets aan artikel 8 van het EVRM achterwege laten. De rechtbank komt daarom ook niet toe aan het beroep op artikel 4:84 Awb. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft de minister voldoende rekening gehouden met de belangen van eisers kinderen in de besluitvorming?

Wat betoogt eiser?

7. Eiser voert aan dat het belang van het kind altijd een eerste overweging moet zijn in de besluitvorming van de overheid en verwijst daarbij naar artikel 3 van het IVRK. Het is in het belang van eisers kinderen dat zij bij beide ouders opgroeien en door beide ouders worden opgevoed. De minister heeft volgens eiser geen rekening gehouden met de belangen van zijn kinderen.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

De rechtbank stelt ten eerste vast dat uit Afdelingsrechtspraak volgt dat artikel 3, eerste lid, van het IVRK rechtstreekse werking heeft voor wat betreft het gedeelte 'dat bij alle maatregelen betreffende het kind de belangen van het kind moeten worden betrokken'. Als het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. De bestuursrechter moet in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter.

Vervolgens stelt de rechtbank vast dat de minister op pagina 3 van het bestreden besluit ingaat op de belangen van eisers kinderen en daar overweegt dat er geen specifieke en bijzondere omstandigheden naar voren zijn gekomen. Zo is niet gebleken dat er sprake is van ernstige ontwikkelingsproblemen bij de kinderen. Ook is niet gebleken dat er problematiek speelt bij de moeder van zijn kinderen, waardoor zij onvoldoende in staat is om de zorgtaken te vervullen. De minister wijst er in het bestreden besluit ook op dat de optie voor eiser om een reguliere verblijfsvergunning bij zijn gezin aan te vragen nog open staat. De rechtbank oordeelt dan ook dat uit de besluitvorming niet blijkt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van eisers minderjarige kinderen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van

mr. S. Jongmans, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.W.M. Bunt

Griffier

  • mr. S. Jongmans

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?