RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52083
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en
(gemachtigde: mr. N.E. Joseph).
Procesverloop
Bij besluit van 24 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Gedwongen rekrutering
Conclusie
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Verweerder erkent dat gedwongen rekrutering voorkomt in door de overheid gecontroleerde gebieden, maar stelt dat dit minder voorkomt. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd hoeveel minder de kans is om te worden gerekruteerd door Al-Shabaab. Eiser verwijst in dit kader naar een rapport waaruit volgt dat Al-Shabaab sterke invloed heeft en regelmatig werft in de buitenste districten van [stad] . Verweerder stelt ten onrechte dat Al-Shabaab slechts bepaalde groepen mensen rekruteert en dat eiser geen risico zou lopen. Uit het door eiser overgelegde rapport volgt namelijk dat Al-Shabaab ook kinderen tussen de veertien en zeventien jaar oud rekruteert, voornamelijk uit arme gezinnen waarvan één of beide ouders zijn overleden. Eiser loopt gelet op deze informatie gevaar. Verweerder stelt ten onrechte dat eisers verklaringen dat Al-Shabaab zijn telefoonnummer vraagt om hem later te bellen en te vragen naar zijn verblijfplaats onlogisch zijn. Verweerder volgt ten onrechte niet dat de leden van Al-Shabaab bij de tweede benadering van eiser wisten wie hij was. Verweerder stelt ten onrechte dat het niet aannemelijk is dat Al-Shabaab eiser na de tweede benadering zou laten gaan nadat hij aangaf zich te willen aansluiten en zijn telefoonnummer heeft gegeven. Verweerder heeft het IVRK onvoldoende meegewogen in zijn beoordeling. De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het aan eiser is om zijn gestelde vrees voor gedwongen rekrutering aannemelijk te maken en dat eiser hierin niet is geslaagd. In dit kader heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser afkomstig is uit [stad] , waar Al-Shabaab niet aan de macht is. Eiser erkent ter zitting dat in [stad] de dreiging en rekrutering door Al-Shabaab niet voorkomt, maar stelt zich op het standpunt dat juist aan de randen en de buitengebieden van [stad] de strijd plaatsvindt en dat door Al-Shabaab daar wel wordt gerekruteerd. Verweerder heeft zich in dit kader op het standpunt kunnen stellen dat uit de in het bestreden besluit aangehaalde publicatie van de Britse overheid volgt dat de rekrutering in de buitenwijken van [stad] voornamelijk ziet op een aantal specifieke groepen, waaronder expliciete voorstanders van de regering. Daarbij ziet – anders dan eiser in de beroepsgronden stelt – de door eiser overgelegde passage van de Country Guidance Somalia op rekrutering van ontheemden die in de buitenwijken van [stad] verblijven. Niet is gesteld noch gebleken dat eiser tot deze groep behoort. Voorts heeft verweerder zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat er een kleine kans bestaat dat ook kinderen tussen de elf en zeventien jaar oud het risico lopen om gedwongen gerekruteerd te worden door Al-Shabaab. Deze kleine kans wordt eveneens bevestigd door de door verweerder in het bestreden besluit aangehaalde bron van de Britse overheid. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in zijn geval sprake is van risico verhogende factoren die maken dat hij te vrezen heeft voor gedwongen rekrutering door Al-Shabaab.
Benadering door Al-Shabaab
5. Verweerder heeft – gelet op de aard van de rekrutering van Al-Shabaab – kunnen overwegen dat het onlogisch is dat Al-Shabaab door angst te creëren hoopt dat eiser zijn verblijfplaats met hen zou delen. Hiertoe heeft verweerder in het bestreden besluit kunnen overwegen dat eiser niet heeft onderbouwd waarom hij zijn echte verblijfplaats aan Al-Shabaab zou vertellen als hij weet dat Al-Shabaab hem dan zou komen ophalen. Verweerder heeft verder aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt waarom Al-Shabaab van alle kinderen tussen de elf en zeventien jaar, specifiek eiser zou onthouden na de eerste benadering en specifiek hem zou willen rekruteren. Dit geldt te meer omdat eisers tweede benadering door Al-Shabaab op een andere locatie afspeelde. Daarbij heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij wisselend heeft verklaard. Zo heeft eiser verklaard dat Al-Shabaab jongens benaderde die volwassen zijn of er volwassen uitzien, terwijl eiser later heeft verklaard dat ook jongens van zijn leeftijd (veertien jaar) werden geronseld.
IVRK
6. Eiser heeft zijn standpunt dat verweerder het IVRK onvoldoende heeft betrokken in de beoordeling van eisers asielaanvraag niet nader onderbouwd. Verweerder heeft in het bestreden besluit kunnen overwegen dat de scholing en de kans op een betere toekomst die eiser in Nederland zou hebben niet raken aan het vluchtelingschap dan wel aan ernstige schade. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat eiser ook in Somalië scholing heeft gevolgd. Anders dan eiser stelt, heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat eiser contact heeft met zijn moeder in Somalië. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat hij op de hoogte is van de verblijfplaats van zijn moeder. Voor zover eiser ter zitting betoogt dat situatie elke dag kan wijzigen, overweegt de rechtbank dat dit geen afbreuk doet aan het gegeven dat eiser zijn moeder nog steeds kan bereiken.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 16 maart 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.