RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.3368 (beroep) en NL26.3369 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas),
en
(gemachtigde: mr. E. de Jong).
1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser, omdat verweerder Frankrijk daarvoor verantwoordelijk acht. Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Hij voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag. Daarnaast beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder Frankrijk verantwoordelijk heeft kunnen achten voor de behandeling van eisers asielaanvraag. De stelling van eiser, dat het terugnameverzoek op een onjuiste grondslag is gebaseerd, treft geen doel. Ook heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om gebruik te maken van zijn in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening neergelegde discretionaire bevoegdheid om eisers aanvraag onverplicht in behandeling te nemen. Eiser kan tot slot ook geen geslaagd beroep doen op het arrest Tarakhel. Het beroep van eiser is daarom ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hieronder wordt uitgelegd hoe de rechtbank en de voorzieningenrechter tot dit oordeel zijn gekomen.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 21 oktober 2025 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet kan worden overgedragen aan Frankrijk totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank en de voorzieningenrechter
Feiten en omstandigheden
3. Eiser is geboren op [datum] 1995 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser op 5 januari 2024 vingerafdrukken heeft afgestaan in Frankrijk en daar op dezelfde datum een asielaanvraag heeft ingediend. Eiser is op 19 oktober 2025 Nederland ingereisd en heeft hier op 21 oktober 2025 een asielaanvraag ingediend.
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat op grond van de Dublinverordening Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling hiervan. Op 30 oktober 2025 heeft verweerder een verzoek om terugname verstuurd aan Frankrijk. Dat verzoek hebben de Franse autoriteiten op 10 november 2025 geaccepteerd. Daarmee is de verantwoordelijkheid van Frankrijk vast komen te staan.
Strijd met de goede procesorde?
5. De rechtbank moet allereerst beoordelen of de stukken die eiser de avond voor de zitting heeft ingediend, nog tijdig zijn ingediend.
De rechtbank overweegt dat in een zaak als deze in beroep nog nadere gegevens of nieuwe stukken kunnen worden ingediend. Dat mag alleen niet als dat in strijd is met de goede procesorde. Strijd met de goede procesorde doet zich voor als die nadere gegevens of nieuwe stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend, dat de andere partij wordt belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.
In deze procedure is ook van belang dat eiser de dag voor de zitting, 25 februari 2026, nog stukken kon indienen. Op de dag van ontvangst van eisers beroep, 20 januari 2026, heeft de rechtbank zijn gemachtigde ook bericht dat hij nog nieuwe stukken kon indienen en dit zo spoedig mogelijk moest doen, “maar in elk geval niet later dan een werkdag voor de zitting, dus uiterlijk op woensdag 25 februari 2026.”. Dit is echter niet bepalend voor het antwoord op de vraag of het overleggen van nadere stukken in strijd is met de goede procesorde. Bij het antwoord op de vraag of er sprake is van strijd met de goede procesorde is doorslaggevend of een zinvolle bespreking van de stukken ter zitting kan plaatsvinden.
De gemachtigde van eiser heeft op 25 februari rond 15:30 uur gebeld met de griffie van de rechtbank en meegedeeld dat hij nog aanvullende stukken ging indienen, maar dat hij nog niet wist hoe laat. De rechtbank constateert dat de gemachtigde vervolgens op 25 februari 2026 tussen 21:22 uur en 22:05 uur vijf stukken en een bericht heeft ingediend door deze in de digitale zaakdossiers te plaatsen. Ter zitting heeft de gemachtigde gesteld dat hij de stukken daarmee tijdig heeft ingediend omdat hij dat voor 25 februari 2026, 24.00 uur, had gedaan. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij de stukken nog niet heeft gezien en dus ook niet heeft kunnen lezen en gesteld dat deze gang van zaken in strijd is met de goede procesorde.
Ook de rechtbank vindt in dit geval dat het indienen van deze stukken, en het bericht op dit late tijdstip, in strijd is met de goede procesorde. Door dit zo te doen, heeft eisers gemachtigde belemmerd dat verweerder voor de zitting kennis kon nemen van de stukken. Daarmee was een zinvolle bespreking ervan ter zitting niet mogelijk en is verweerder de mogelijkheid om er adequaat op te kunnen reageren ontnomen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de behandeling van deze zaak ter zitting plaatsvond om 10:00 uur. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat de gemachtigde van eiser desgevraagd niet heeft kunnen uitleggen waarom hij de stukken pas zo laat heeft ingediend en dit niet eerder - of ten minste eerder op 25 februari 2026 - had kunnen doen. De rechtbank laat de op 25 februari ingediende stukken daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing.
Wat is er tussen de partijen in geschil?
6. Eiser heeft ter zitting zijn beroep op het arrest C.K. zoals opgenomen in de beroepsgronden van 27 januari 2026 laten vallen. Het aanvankelijk ter zitting gedane beroep op het AIDA Country Report France, update on 2024, van juni 2025, heeft eiser later ter zitting ook laten vallen. Daarmee is tussen partijen alleen nog in geschil of het terugnameverzoek op een juiste grondslag berust, of de aanvraag in behandeling genomen had moeten worden op grond van artikel 17 van de Dublinverordening en of eiser een geslaagd beroep kan doen op het arrest Tarakhel.
Berust het terugnameverzoek op een juiste grondslag?
7. Eiser voert aan dat het terugnameverzoek aan Frankrijk op een onjuiste grondslag berust. In het terugnameverzoek is namelijk vermeld dat het is gebaseerd op artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Dit zou artikel 18, eerste lid, onder a, van de Dublinverordening moeten zijn.
De rechtbank stelt vast dat uit de Eurodac-gegevens die in het dossier staan blijkt dat eiser op 5 januari 2024 een asielaanvraag heeft ingediend in Frankrijk. De stelling van eiser, dat het terugnameverzoek ingediend zou moeten zijn op grond van artikel 18, eerste lid, onder a, van de Dublinverordening, is dan ook onjuist. De a-grond is immers alleen van toepassing als de verzoeker nog geen asielaanvraag heeft ingediend in de verantwoordelijke lidstaat. Verder wijst de rechtbank er nog op dat, ongeacht de juistheid van de grondslag van het door Nederland ingediende terugnameverzoek, Frankrijk het terugnameverzoek heeft aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat dit een onjuiste grondslag is. Daarmee is een eventuele onjuistheid in de grondslag van het door Nederland ingediende terugnameverzoek gecorrigeerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder de aanvraag in behandeling moeten nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening?
8. Eiser voert aan dat verweerder zijn aanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling had moeten nemen. Eiser heeft medische klachten, die onder meer voortkomen uit het feit dat hij in Algerije een jaar in de gevangenis heeft gezeten toen hij dienstweigerde. Daarbij heeft hij ongeveer een maand in een donkere cel doorgebracht. Hij heeft PTSS en is momenteel onder behandeling van een psycholoog en een specialist in traumatherapie als gevolg van zijn opsluiting en mishandeling.
Op grond van artikel 17 van de Dublinverordening kan verweerder een asielaanvraag ook onverplicht in behandeling nemen. Volgens paragraaf C2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 maakt verweerder gebruik van deze bevoegdheid indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling van een onevenredige hardheid getuigt.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet heeft onderbouwd dat zijn medische situatie zodanig is dat verweerder hierin reden moest zien om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen. Ook in de gebeurtenissen in Algerije heeft verweerder geen bijzondere, individuele omstandigheden hoeven zien die maken dat de overdracht van eiser van een onevenredige hardheid getuigt. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van een situatie als bedoeld in het arrest Tarakhel?
9. Eiser voert aan dat hij bijzonder kwetsbaar is zoals bedoeld in het arrest Tarakhel.
Overdracht behoort dan ook niet plaats te vinden zonder individuele garanties van de
Franse autoriteiten.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij bijzonder kwetsbaar is zoals bedoeld in het arrest Tarakhel. Daarmee is er voor verweerder al geen reden om voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties te vragen aan Frankrijk, nog los van de omstandigheid dat eiser ook niet heeft aangetoond dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen kan krijgen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser kan worden overgedragen aan Frankrijk.
Nu de rechtbank uitspraak doet over eisers beroep en dit ongegrond verklaart, is er geen grond meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat in beide zaken geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover dat ziet op het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.