Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/069634-25
Datum uitspraak: 18 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1975 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres], [postcode] [woonplaats].
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 4 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Bakker en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. R.M. Bissumbhar naar voren is gebracht.
[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en schadevergoeding gevorderd. Tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak was [benadeelde] aanwezig, bijgestaan door haar advocaat mr. M.J.E.J. Coenraad. [benadeelde] heeft tijdens de inhoudelijke behandeling gebruik gemaakt van haar spreekrecht. Haar advocaat heeft namens [benadeelde] een standpunt ingenomen ten aanzien de vordering tot schadevergoeding, de bewijsbaarheid van de ten laste gelegde feiten en de strafmaat.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1hij in of omstreeks de periode van 1 september 2019 tot en met 30 september 2019 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [benadeelde] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van genoemde [benadeelde], immers heeft/is hij, verdachte, meerdere malen althans een maal- Genoemde [benadeelde] op de bil(en) geslagen en/of- genoemde [benadeelde] op de grond/bank geduwd en/of- zijn, verdachtes, hand voor de mond van genoemde [benadeelde] gedaan en/of gehouden en/of- op genoemde [benadeelde] gaan liggen en/of- zijn vinger in de vagina van genoemde [benadeelde] gestopt en/of- met deze vinger op en neer gaande bewegingen gemaakt;
2hij in of omstreeks de periode van 1 september 2019 tot en met 30 september 2019 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, [benadeelde] ([geboortedatum 2]2005), heeft mishandeld, door genoemde [benadeelde]- te duwen (waardoor zij is gevallen) en/of- (in het been) te knijpen en/of- tegen het been en/of tegen/in de schaamstreek te slaan/stompen,terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen een kind dat hij (mede) verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin.
3. De bewijsbeslissing
Inleiding
Op 19 januari 2022 heeft er bij de politie een informatief gesprek plaatsgevonden met [benadeelde] (hierna: [benadeelde]), geboren op [geboortedatum 2] 2005. Kort samengevat heeft [benadeelde] verklaard dat zij in september 2019 door haar toenmalige stiefvader, te weten de verdachte, seksueel is misbruikt, waarbij de verdachte onder meer zijn vingers in haar vagina heeft gebracht. Ook heeft zij verklaard dat ze door de verdachte is mishandeld.
[benadeelde] is vervolgens op 24 mei 2022 door de politie als getuige gehoord, waarna door de moeder van [benadeelde] en de ex-partner van de verdachte, genaamd [aangeefster] (hierna: [aangeefster]), op 29 juni 2022 aangifte tegen de verdachte is gedaan.
De officier van justitie heeft bij beslissing van 30 januari 2023 de zaak tegen de verdachte geseponeerd, vanwege onvoldoende aanknopingspunten om te komen tot een bewijsbare zaak.
In een klaagschriftprocedure ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), ingesteld door [aangeefster], heeft de verdachte als volgt verklaard: Ik zat met de jongste op de bank. [benadeelde] moest eigenlijk van klaagster boven blijven omdat ze straf had, maar ze ging met haar voeten onder de neus van haar zusje zitten. Ze deed bijdehand, lag met haar benen mijn kant op en gaf mij een schop. Ze raakte me in mijn lies waar ik een pijnlijke plek heb vanwege een kogelwond. Ik heb [benadeelde] toen een tik verkocht, omdat ze me pijn had gedaan. Ik raakte haar met mijn knokkels op een verkeerde plek in haar lies/schaamstreek aan. Het was een reactie op haar schop. Ik sloeg opzij naar [benadeelde]. Ik heb haar niet gericht in die zone geraakt. [benadeelde] zei dat ik haar pijn had gedaan, maar ze zei niet waar. Ik heb [benadeelde] niet geknepen. Ik heb haar wel pijn gedaan bij haar poeni. Een paar minuten later kwam klaagster al binnen.
Het gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 20 augustus 2024 de artikel 12-klacht gegrond verklaard. Het gerechtshof heeft bevolen dat de vervolging tegen de verdachte zal worden ingesteld en heeft de officier van justitie gelast om een nader onderzoek door de rechter-commissaris te vorderen.
Na vordering van de officier van justitie heeft de rechter-commissaris twee getuigen, te weten [benadeelde] en [getuige] (hierna: [getuige]), een buurvrouw die op de dag van het gebeuren als oppas in de woning aanwezig zou zijn geweest en de verdachte gehoord. Voorts zijn verschillende stukken, waaronder een getuigenverhoor van [getuige] door de politie, WhatsApp-berichten tussen de verdachte en [aangeefster] en diverse mutaties in het dossier gevoegd. Ook is de verdachte bij de rechter-commissaris formeel als verdachte gehoord en hij heeft daar als volgt verklaard: Er is wel iets gebeurd die avond want [benadeelde] was vervelend, ze schopte me en over de rest heb ik al een verklaring afgelegd.
Na afronding van het onderzoek door de rechter-commissaris is de verdachte door de officier van justitie gedagvaard om als verdachte voor de meervoudige kamer van deze rechtbank te verschijnen.
De verdachte wordt in de kern verweten dat hij zijn toenmalige en destijds minderjarige stiefdochter [benadeelde] heeft verkracht (feit 1) en mishandeld (feit 2).
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit en dat het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
Voor zover nodig zal de rechtbank hieronder ingaan op de verweren van de verdediging.
Vrijspraak ten aanzien van feit 1
Toetsingskader
Veel zedenzaken worden gekenmerkt doordat het juridische minimumbewijs moeilijk te leveren is, omdat de verklaring van de aangever vaak lijnrecht staat tegenover de verklaring van de verdachte. Zo ook in de onderhavige zaak. Om dan toch tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit te kunnen komen, moet de rechtbank beoordelen of in het dossier voldoende steunbewijs voorhanden is voor de verklaringen van de aangever.
Uit de relevante jurisprudentie van de Hoge Raad over het bewijs in zedenzaken volgt dat niet is vereist dat de tenlastegelegde seksuele handelingen waarover een aangever verklaart als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Voldoende is als de verklaring van een aangever op bepaalde onderdelen bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen die afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring van een aangever en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan.
Zo kan in dit soort zedenzaken soms steunbewijs worden gevonden in de waarneming van (het gedrag van) een aangever door getuigen, vlak na het moment dat het tenlastegelegde feit heeft plaatsgevonden. Dit is het geval indien de emotionele toestand die de getuige(n) op dat moment bij de aangever heeft/hebben waargenomen, en eventuele latere gedragsveranderingen, niet anders kunnen worden geïnterpreteerd dan als een bevestiging van de verklaring van de aangever. Wel is behoedzaamheid op haar plaats bij het gebruik van emoties als steunbewijs. Het steunbewijs kan niet enkel worden gegrond op de door getuige(n) waargenomen emotionele gemoedstoestand van de aangever.
Deze zaak
De rechtbank is van oordeel dat voor de verklaring van [benadeelde] onvoldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is. Voor dit oordeel is het volgende redengevend.
Getuige [aangeefster] zelf heeft de door [benadeelde] bedoelde gebeurtenis niet waargenomen, [aangeefster] was toen niet thuis. Haar verklaringen bevatten verder geen eigen waarneming van emoties bij [benadeelde], anders dan dat [aangeefster], toen zij de desbetreffende avond thuis kwam, ‘voelde’ dat er iets aan de hand was met [benadeelde] en dat er ‘iets’ was gebeurd.
De verklaringen van getuige [getuige] bevatten evenmin een eigen waarneming van de vermeende gebeurtenis of daarmee samenhangende emoties of gedrag bij [benadeelde]. [getuige] was op het bewuste moment niet meer als oppas in de woning aanwezig en heeft naderhand van [aangeefster] – en dus uit tweede hand – gehoord over wat er gebeurd zou zijn met [benadeelde].
Hierbij weegt mee dat er belangrijke verschillen zijn tussen enerzijds de verklaring van [benadeelde] en anderzijds de verklaringen van [aangeefster] en [getuige] en andere bewijsmiddelen.
[benadeelde] heeft verklaard dat zij, toen zij na anderhalf jaar voor het eerst het incident aan haar moeder, [benadeelde], durfde te vertellen, gelijk alles aan [aangeefster] heeft verteld. [aangeefster] heeft echter verklaard dat [benadeelde] pas nadat zij door de politie is gehoord, aan haar heeft verteld dat de verdachte met zijn vingers in haar vagina is geweest.
[getuige] heeft verklaard dat zij van [aangeefster] heeft gehoord dat het in de kamer van [benadeelde] zou zijn gebeurd, terwijl [benadeelde] heeft verklaard dat het in de woonkamer is gebeurd.
[getuige] heeft verklaard dat zij drie dagen nadat het gebeurd zou zijn van [aangeefster] over het incident heeft gehoord, terwijl [benadeelde] heeft verklaard dat zij het pas na anderhalf jaar pas aan haar moeder, [aangeefster], durfde te vertellen. Volgens [getuige] zat [benadeelde] op haar eigen kamer toen zij wegging, terwijl [benadeelde] heeft verklaard dat zij de hele avond in de woonkamer zat.
[benadeelde] heeft verklaard dat [aangeefster] gelijk nadat [benadeelde] aan haar over het incident had verteld, de relatie met de verdachte heeft verbroken, maar uit de WhatsApp-berichten in het dossier blijkt dat geenszins het geval te zijn geweest.
De onder 3.1 aangehaalde verklaring van de verdachte dat hij met zijn hand de schaamstreek van [benadeelde] heeft aangeraakt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet als steunbewijs voor de verklaring van [benadeelde] dienen, nu de door hem gegeven uitleg – het was een onbedoelde aanraking in reactie op vervelend gedrag van [benadeelde] – niet kan worden uitgesloten. Daarnaast is de door verdachte bedoelde aanraking van de schaamstreek een andere gedraging dan het hem gemaakte verwijt dat hij met zijn hand in de broek van [benadeelde] en vervolgens met zijn vingers in de vagina van [benadeelde] is geweest.
Steunbewijs kan evenmin worden gevonden in de WhatsApp-berichten tussen [aangeefster] en de verdachte, nu de inhoud daarvan naar het oordeel van de rechtbank in een te ver verwijderd verband staat van de verklaring van [benadeelde].
Conclusie
Nu voldoende wettig bewijs ontbreekt, dient verdachte van het onder 1 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft ten aanzien van feit 2 in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [benadeelde], zijn toenmalige stiefdochter, opzettelijk in haar been heeft geknepen en dat hij [benadeelde] hierbij pijn heeft gedaan. De verklaring van [benadeelde] wordt in voldoende mate ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier. De verdachte heeft verklaard dat hij [benadeelde] op de desbetreffende avond pijn heeft gedaan. Ook heeft de verdachte in een tekstbericht aan [aangeefster] geschreven dat hij [benadeelde] niet had mogen knijpen. Voorts heeft de verdachte in een Whatsappbericht aan [aangeefster] geschreven dat hij [benadeelde] in haar bovenbeen kneep.
Het onder 2 ten laste gelegde feit kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
2hij in de periode van 1 september 2019 tot en met 30 september 2019 te 's-Gravenhage, [benadeelde], geboren op [geboortedatum 2] 2005, heeft mishandeld, door genoemde [benadeelde] in het been te knijpen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen een kind dat hij mede verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de strafmaat geen standpunt ingenomen.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige stiefdochter. De verdachte heeft daarmee haar lichamelijke integriteit geschonden. Het handelen van verdachte heeft bij zijn toenmalige stiefdochter gevoelens van angst en onveiligheid opgeroepen. Het feit speelde zich ook af in haar eigen huis, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat kindermishandeling kan zorgen voor gezondheidsklachten en gevolgen voor het welzijn en de ontwikkeling op lange termijn. Kinderen kunnen van dergelijke feiten tot in hun volwassenheid last van hebben. De verdachte heeft zijn toenmalige stiefdochter door de mishandeling ernstig tekort gedaan. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Het strafblad van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 2 februari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 2 maart 2026. Het recidiverisico wordt door de reclassering als laag ingeschat. De verdachte heeft geen acute problemen op de verschillende leefgebieden en een stabiel leven. De verdachte is niet eerder met justitie in aanraking gekomen. Bij een veroordeling adviseert de reclassering dan ook een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten, waarin als uitgangspunt voor een eenvoudige mishandeling is opgenomen een geldboete van € 700,-. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat het feit is gepleegd tegen de toenmalige stiefdochter van de verdachte en in de huiselijke kringen. Voorts acht de rechtbank, gelet op de financiële situatie van de verdachte, een geldboete niet passend en geboden.
Al met al acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste voorwaardelijke taakstraf passend en geboden.
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 10.675,-, en te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 3.875,- aan materiële schade, € 5.000,- aan immateriële schade en € 1.800,- aan proceskosten.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 300,-, en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, gelet op de bepleite vrijspraak.
Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de gevorderde schade geen rechtstreeks verband heeft met de ten laste gelegde feiten. Ook is de door de benadeelde partij aangehaalde rechterlijke uitspraak niet vergelijkbaar met deze zaak. Ten aanzien van de gevorderde proceskosten heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de benadeelde partij een toevoeging kon aanvragen.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Het gevorderde schadebedrag is opgebouwd uit verschillende bedragen, te weten:- € 800,- voor ‘kapotgeslagen telefoon’;
- € 300,- voor ‘tv flatscreen kapotgeslagen’;
- € 60,- voor ‘Ikea boekenkast kapotgeslagen’;
- € 1.560,- voor ‘EMDR therapie’;
- € 1.155,- voor ‘eigen risico zorgverzekering’.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de materiële schade als volgt. De verdachte wordt veroordeeld voor mishandeling. Met betrekking tot voornoemde schadeposten is dan ook geen sprake van rechtstreekse schade toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Dit maakt dat de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in dit deel van de vordering
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit, te weten een mishandeling. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de aard en de ernst van het door de verdachte gepleegde feit meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat voor de benadeelde partij kan worden aangenomen dat zij ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast, zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Dit kan aan de verdachte worden toegerekend. De rechtbank zal, gelet op de nu beschikbare onderbouwing van de vordering en vergelijkbare gevallen uit de rechtspraak, de immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 200,-. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.
Conclusie
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 200,-, bestaande uit immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 30 september 2019, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten op basis van het ‘Liquidatietarief rechtbank en gerechtshoven’ op € 1.108,- (gebaseerd op 2 punten in een zaak met een geldswaarde van beneden € 10.000,-). Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 200,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 september 2019 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde].
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.7 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de tijd van 40 (VEERTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 20 (TWINTIG) DAGEN;
bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het eind van de hierbij op 2 (TWEE) JAREN vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] deels toe tot een bedrag van € 200,-, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 september 2019 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde];
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op € 1.108,-, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 200,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 september 2019 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 2 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.A.W. Zijlstra, voorzitter,
mr. M.L. Harmsen, rechter,
mr. S.S. Buisman, rechter,
in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 maart 2026.
Mr. Buisman is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.