ECLI:NL:RBDHA:2026:5519

ECLI:NL:RBDHA:2026:5519

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-02-2026
Datum publicatie 17-03-2026
Zaaknummer NL25.62725
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Asiel Syrië, beroep gegrond. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom in Syrië sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 december 2025. Verweerder heeft de humanitaire omstandigheden onvoldoende betrokken in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.62725

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. S.L. Sarin)

en

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom in Syrië sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 december 2025. Verweerder heeft de humanitaire omstandigheden onvoldoende betrokken in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 15 december 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [datum] 2009. Eiser komt uit Idlib en heeft Syrië verlaten vanwege de algemene veiligheidssituatie. Daarnaast werd hij sinds juli 2023 in Syrië bedreigd en later ook in Nederland. Eiser weet niet wie er achter de bedreigingen zit. Hij vreest dat de personen die hem bedreigen hem bij terugkeer naar Syrië zullen ontvoeren en/of vermoorden. Hij is in Syrië ontvoerd en geslagen. Pas nadat zijn ouders losgeld voor hem hebben betaald, is eiser weer vrijgelaten. Daarnaast is eiser opgeroepen voor de militaire dienst, maar eiser wil niet dienen.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

Verweerder vindt het eerste asielmotief geloofwaardig en het tweede asielmotief niet geloofwaardig. Verweerder vindt het tweede asielmotief niet geloofwaardig omdat eiser pas laat in het gehoor heeft verklaard over de bedreigingen. Verweerder werpt eiser ook tegen dat hij geen bewijs heeft van de bedreigingen. Ook verklaart eiser tegenstrijdig over het moment dat de bedreigingen begonnen. Wat betreft de veiligheidssituatie, stelt verweerder dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico op ernstige schade loopt. Er is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Wat betreft de humanitaire situatie, stelt verweerder dat humanitaire omstandigheden niet snel doorslaggevend zullen zijn in de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Verweerder wijst de asielaanvraag van eiser af als ongegrond.

Heeft verweerder kunnen stellen dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade?

Standpunt eiser

5. Eiser voert aan dat verweerder niet kenbaar heeft gemaakt of de humanitaire situatie in Syrië is betrokken bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juli 2025 en naar een uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 december 2025. Uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië (AAB) van mei 2025 volgt dat meer dan 90% van de bevolking onder de armoedegrens leeft en meer dan 500.000 kinderen onder de vijf jaar aan levensbedreigende ondervoeding lijden. De omstandigheid dat verweerder een nieuw ambtsbericht heeft laten opstellen sinds het AAB van mei 2025 laat zien dat ook verweerder vindt dat de nu beschikbare informatie niet volstaat. Eiser verwijst naar een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 10 december 2025 waarin de humanitaire situatie in Syrië uiteen wordt gezet. De veiligheidssituatie in Syrië is onduidelijk en onzeker. Uit het EUAA Country Guidance Rapport Syria, van 2 december 2025 volgt dat de humanitaire omstandigheden in Syrië rampzalig blijven en dat 16,5 miljoen mensen hulp nodig hebben. Verder volgt uit dit rapport dat een derde van de woningen in Syrië is verwoest of ernstig beschadigd, waardoor de leefomstandigheden verder verslechteren. Ook volgt uit het rapport dat het gezondheidszorgsysteem in Syrië in een erbarmelijke staat verkeert terwijl 65% van de totale bevolking humanitaire gezondheidszorg nodig heeft. Toegang tot basisvoorzieningen blijft hiermee zeer moeilijk. Toegang tot voedsel en water blijft ook zeer beperkt, zo zijn er ernstige watertekorten.

Eiser doet ook in het kader van 3 EVRM los van artikel 15c, een beroep op deze humanitaire omstandigheden.

Standpunt verweerder

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in heel Syrië, waaronder Idlib, sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld. Verweerder verwijst in aanvulling op het bestreden besluit naar de brief van de Tweede Kamer van 10 juni 2025 waarin dit nader is toegelicht. Wat betreft het rapport van de EUAA Country Guidance Syria stelt verweerder in aanvulling op het bestreden besluit het volgende. Uit dat rapport blijkt dat veiligheidsincidenten en burgerslachtoffers en slachtoffers door ontplofbare oorlogsresten is gedaald; dat een hoog aantal Syriërs terugkeert naar hun gebied van herkomst; en dat in Idlib willekeurig geweld plaatsvindt, maar niet op een hoog niveau. Verweerder verwijst verder naar gegevens van de UNHCR over terugkeer van ontheemden naar Idlib vanuit buurlanden. Ook wijst verweerder op cijfers van ACLED, SNHR en INSO met betrekking tot aantallen geweldsincidenten en slachtoffers (overigens zonder toe te lichten wat dit betekent voor zijn standpunt).. Wat betreft de humanitaire situatie in Syrië stelt verweerder zich op het standpunt dat deze niet of nauwelijks te wijten is aan een (actor die partij is bij een) lopend gewapend conflict. Volgens verweerder is de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats onjuist en daarom is daartegen hoger beroep ingesteld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Voor zover eiser stelt dat hij vanwege de slechte humanitaire situatie, los van het gewapend conflict, een risico loopt op schending van artikel 3 EVRM, volgt verweerder dit niet. Er is geen sprake van een situatie als bedoeld in het arrest Sulfi en Elmi, waar het ging om het tegenwerpen van een vestigingsalternatief. Er is ook geen sprake van “very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling” Van dergelijke zeer uitzonderlijke individuele omstandigheden is niet gebleken.

Oordeel rechtbank

7. De rechtbank stelt vast dat de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 december 2025 niet alleen van toepassing is op Syrische asielzoekers uit Homs. In enkele overwegingen in de uitspraak gaat de rechtbank specifiek in op de veiligheidssituatie in Homs, maar de rechtbank betrekt ook bronnen die zien op de algemene veiligheidssituatie in Syrië. De rechtbank komt in die uitspraak tot de conclusie dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is, dat de verslagperiode van het algemeen ambtsbericht Syrië van mei 2025 daarvoor een te korte periode beslaat en uit meerdere andere bronnen blijkt dat de veiligheidssituatie fragiel, slecht en onduidelijk is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de uitspraak van 11 december 2025 ook van toepassing is op de zaak van eiser.

Ten aanzien van verweerders standpunt over de Country Guidance Syrië van de EUAA van december 2025, overweegt de rechtbank als volgt. In dat rapport concludeert de EUAA dat er in Idlib thans geen sprake is van willekeurig geweld van het hoogste niveau. De rechtbank vindt de verwijzing naar dit rapport echter zonder nadere motivering onvoldoende om af te wijken van de uitspraak van 11 december 2025. De rechtbank heeft in de MK-uitspraak van 11 december 2025 ook landeninformatie betrokken die ziet op de humanitaire situatie in Syrië. Eiser heeft er terecht op gewezen dat verweerder in het bestreden besluit de humanitaire situatie in Syrië ten onrechte niet heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Zoals de rechtbank in de uitspraak van 11 december heeft overwogen, zijn ook de humanitaire omstandigheden relevant welke direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict. Daarbij komt dat uit de EUAA Guidance van december 2025 niet blijkt dat de humanitaire situatie in Idlib minder ernstig is dan in andere delen van Syrië. Ook in het bericht van UNHCR van 8 december 2025 wordt benadrukt dat van gedwongen terugkeer van vluchtelingen moet worden afgezien, omdat de situatie in Syrië nog steeds fluïde is en gelet op de slechte humanitaire omstandigheden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat – ondanks de aanvullende motivering ten opzichte van het besluit waarop de MK-uitspraak van de 11 december 2025 betrekking had - sprake is van een motiveringsgebrek.

Nu verweerder ook in het bestreden besluit heeft nagelaten de humanitaire situatie in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn te beoordelen, is reeds sprake van een motiveringsgebrek en dient het besluit te worden vernietigd. De rechtbank zal daarom niet toekomen aan de overige beroepsgronden. De rechtbank ziet ook geen grond om de beantwoording af te wachten van de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond.

Conclusie en gevolgen

8. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 15 december 2025;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.P.W. van de Ven

Griffier

  • mr. J.W. Robijn

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?