RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11170
(gemachtigde: mr. J.M. Walther),
en
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Procesverloop
Bij besluit van 27 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 6 maart 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn via beeldverbinding verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank, als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. In het geval van eiser houdt dit in dat de bewaring over de periode van 27 februari 2026 tot het moment van opheffen van de maatregel van bewaring op
6 maart 2026 voorligt.
Bestaat er een concreet aanknopingspunt dat eiser op grond van de Dublinverordening aan Spanje kan worden overgedragen?
2. Eiser betoogt dat de minister hem niet in bewaring mocht stellen, omdat er volgens hem geen aanknopingspunt bestaat dat hij op grond van de Dublinverordening aan Spanje kan worden overgedragen. Eiser ontkent niet dat er aanwijzingen waren dat hij mogelijk onder de reikwijdte van de Dublinverordening viel, maar wijst erop dat de door Nederland ingediende Dublinclaim door de Spaanse autoriteiten op 4 maart 2026 is afgewezen omdat hij noch in Spanje noch in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend. Volgens eiser was het voorzienbaar dat deze claim zou worden afgewezen. In een situatie waarin hierover onduidelijkheid bestond, had de minister hier volgens eiser niet op mogen vooruitlopen door hem in bewaring te stellen.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat er een concreet aanknopingspunt moet bestaan dat een vreemdeling op grond van de Dublinverordening kan worden overgedragen, maar dat niet vereist is dat concreet bekend is naar welk land. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat uit de Eurodac-treffer van 31 oktober 2025 volgt dat eiser op 19 december 2018 in Spanje asiel heeft aangevraagd. Ook heeft hij in Luxemburg, Duitsland en Nederland een asielaanvraag ingediend. Uit vaste rechtspraak volgt dat dit een concreet aanknopingspunt voor toepassing van de Dublinverordening is. Ook na afwijzing van het door Nederland ingediende claimverzoek kan nog sprake zijn van een Dublinclaimant. Overigens is eiser eerder, op 4 december 2025, overgedragen aan Spanje. Gelet op het voorgaande bestond een concreet aanknopingspunt dat eiser op grond van de Dublinverordening aan Spanje kan worden overgedragen. De beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser betwist zware grond 3d en lichte gronden 4a en 4c. Ten aanzien van zware grond 3d betoogt eiser dat hij weliswaar geen officiële identiteitsdocumenten heeft overgelegd, maar dat er geen aanwijzingen zijn dat zijn opgegeven persoonsgegevens onjuist zijn. Verder is het begrijpelijk dat hij nog geen contact heeft opgenomen met de consulaire vertegenwoordiging van zijn land, omdat hij ervan uitging dat zijn asielprocedure in Spanje nog liep. Ten aanzien van lichte grond 4a voert eiser aan dat de motivering dat hij zich niet aan de meldplicht heeft gehouden en niet beschikt over een geldig reisdocument ook al is gebruikt bij de zware gronden 3b en 3d en daardoor geen zelfstandige betekenis heeft voor deze grond. Ten aanzien van lichte grond 4c voert eiser aan dat hij wel een vaste woon- of verblijfplaats heeft, omdat hij bij een vriend in Utrecht kan verblijven.
In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding om de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten. De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval de onbetwiste zware grond 3b en lichte grond 4d die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd feitelijk juist zijn, voldoende zijn toegelicht en voldoende zijn om aan te nemen dat sprake is van een significant risico op onttrekking aan het toezicht. De zware grond 3b is feitelijk juist omdat eiser zich aan het vreemdelingentoezicht heeft onttrokken door zich niet aan de opgelegde meldplicht te houden. Hij is meerdere keren, op 21 oktober 2025 en 12 november 2025, met onbekende stemming vertrokken en heeft geen gehoor gegeven aan de vordering van 19 december 2025 om zich te melden in Ter Apel. De lichte grond 4d is feitelijk juist en voldoende toegelicht omdat eiser beschikt over slechts € 0,55 en heeft verklaard dat hij geen inkomsten heeft, zodat hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Hierdoor heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij zelfstandig uit Nederland kan vertrekken, waardoor onttrekking aan het toezicht aannemelijk is dan zijn vertrek. De zware grond 3b en lichte grond 4d kunnen de maatregel van bewaring dragen. Wat eiser verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
4. Eiser betoogt dat de minister gelet op de belangenafweging had moeten volstaan met een lichter middel.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat een lichter middel had moeten worden opgelegd. Dat hij stelt een vriendin te hebben in Nederland, is niet onderbouwd en maakt het oordeel niet anders. Eiser is gedurende de asielprocedures tweemaal met onbekende bestemming vertrokken en heeft niet meegewerkt aan zijn overdracht zodat de minister niet van vrijwillig vertrek heeft kunnen uitgaan. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat met een lichter middel dan inbewaringstelling niet kon worden volstaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring?
5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens ook geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.