ECLI:NL:RBDHA:2026:5571

ECLI:NL:RBDHA:2026:5571

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-02-2026
Datum publicatie 17-03-2026
Zaaknummer NL25.41373
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

AA, status en procedures in Griekenland, bekering, problemen met de Taliban, artikel 8 EVRM, gegrond, rechtsgevolgen van het vernietigde deel blijven in stand

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.41373

(gemachtigde: mr. M. Pater),

en

(gemachtigde: mr. D. Gigengack).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag). Verweerder heeft met het bestreden besluit van 29 augustus 2025 de asielaanvraag van eiser in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door de waarnemend gemachtigde mr. M. Rasul. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1999. Hij heeft op 15 december 2022 asiel aangevraagd in Nederland.

Op 5 dan wel 6 november 2019 heeft eiser asiel aangevraagd in Griekenland. Uit de stukken blijkt dat eiser daarbij heeft verklaard niet te willen terugkeren naar Afghanistan vanwege de oorlog, het gevaar van militaire rekrutering, de aanwezigheid van de Taliban en economische problemen van zijn familie. In het gehoor op 3 december 2020 heeft eiser verklaard dat hij Afghanistan had verlaten omdat hij zich tot het christendom had bekeerd en daarom gevaar loopt van de zijde van zijn familie. De aanvraag is afgewezen. Eiser is daartegen in beroep gegaan. Het beroep is afgewezen omdat (kort gezegd) eiser wisselend en vaag heeft verklaard en zijn gestelde bekering mede door het ontbreken van het ervaringselement ongeloofwaardig werd geacht. Eiser heeft vervolgens een opvolgende aanvraag gedaan en verklaard dat hij niet kan terugkeren naar Afghanistan vanwege de onzekere situatie daar door de machtsovername door de Taliban en zijn positie als Hazara. Op 24 januari 2022 is aan hem de vluchtelingenstatus verleend vanwege zijn ras (Hazara) en godsdienst (sjiiet) en omdat het voor eiser vanwege de algemene instabiele veiligheidssituatie niet haalbaar is zich elders in Afghanistan te vestigen.

Het asielrelaas

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft Afghanistan verlaten omdat hij problemen heeft ervaren als Hazara en met de Taliban. De Taliban hebben hem opdracht gegeven om een rugzak te bewaren en de volgende dag ergens te plaatsen. De vader van eiser stelde dat dit een bom zou zijn en eiser is dezelfde dag nog uit Afghanistan gevlucht. Ook is eiser in Griekenland bekeerd tot het christendom. Bij terugkeer vreest eiser gedood te worden omdat hij bekeerd is, omdat hij in Europa geweest is en omdat hij de opdracht van de Taliban niet heeft uitgevoerd.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. Etniciteit (Hazara);

3. Problemen met de Taliban;

4. Bekering tot het christendom.

Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Eisers etniciteit acht verweerder ook geloofwaardig. Verweerder acht het niet geloofwaardig dat eiser problemen heeft gehad met de Taliban en dat hij bekeerd is tot het christendom.

Dat eiser uit Afghanistan komt is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te

zijn. Eiser wordt als Hazara niet beschouwd als vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Eisers herkomst uit Afghanistan is op zichzelf ook niet genoeg om een risico op ernstige schade aan te nemen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 20 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4648) overwogen dat uit openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Eisers individuele omstandigheden maken dit niet anders. Er doet zich volgens verweerder daarom geen asielgrond voor als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e en h, van de Vw 2000. Daarbij heeft verweerder betrokken dat de verklaringen van eiser zijn beoordeeld als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig en dat eiser zich niet zo snel als mogelijk heeft aangemeld bij de bevoegde autoriteiten en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij internationale bescherming wenst. Daarnaast komt eiser volgens verweerder niet in aanmerking voor ambtshalve verlening van een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Het beroep

4. Eiser voert (kort samengevat) de volgende beroepsgronden aan. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder ten volle rekening heeft gehouden met de beoordeling van de Griekse autoriteiten. Verweerder heeft ten onrechte de tegenstrijdigheden uit/met de Griekse gehoren tegengeworpen. In Griekenland had eiser in de voornemenfase geen toegang tot rechtsbijstand waardoor eiser het gehoor niet heeft kunnen corrigeren. Ook had verweerder eiser gelet op artikel 3.113 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) in een nader gehoor met de gestelde tegenstrijdigheden moeten confronteren. Verder betoogt eiser dat verweerder ten onrechte de afvalligheid niet als apart asielmotief heeft aangemerkt en op geloofwaardigheid heeft beoordeeld. Verweerder heeft ook onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser, het medisch advies van Medifirst en de omstandigheid dat eiser de tolk tijdens het gehoor niet goed heeft kunnen verstaan. De ondervonden problemen met de Taliban heeft verweerder onterecht ongeloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder de bekering tot het christendom ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Bovendien had verweerder moeten beoordelen of eiser afvalligheid zal worden toegedicht. Verder heeft verweerder ten onrechte geen vluchtelingschap dan wel een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Afghanistan aangenomen. Verweerder miskent dat Hazara’s structureel worden gediscrimineerd in Afghanistan. Daarnaast heeft eiser lange tijd in Europa verbleven, staat hij onder negatieve belangstelling van de Taliban en zal hij worden beschouwd als afvallige. De asielaanvraag is ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft door zijn psychische situatie namelijk een ontijdige asielaanvraag gedaan. Ten slotte is ten onrechte niet ambtshalve een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM verleend. Er is sprake van een duurzame en exclusieve relatie met zijn partner en eiser en zijn partner hebben een kind. Zij kunnen door omstandigheden niet samenwonen. Samenwonen is geen voorwaarde voor het aannemen van familieleven.

Het oordeel van de rechtbank

Status en procedures in Griekenland

5. Op grond van het arrest van 18 juni 2024, QY, ECLI:EU:C:2024:524, van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), het IB 2024/37 en de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2865, moet verweerder bij de beoordeling ten volle rekening houden met de beslissing van de Griekse autoriteiten om aan eiser de vluchtelingenstatus toe te kennen en met de elementen waarop die beslissing is gebaseerd. Verweerder heeft bij de Griekse autoriteiten informatie opgevraagd. De daarop door Griekenland toegestuurde aanvragen en verklaringen van eiser en de besluiten/uitspraken in zijn Griekse asielzaken zijn door verweerder (met vertaling) in het voornemen betrokken en aan het dossier toegevoegd.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder niet ten volle rekening heeft gehouden met de beoordeling van de Griekse autoriteiten. Daargelaten dat de Griekse autoriteiten ook tegenstrijdigheden in eisers verklaringen hebben geconstateerd, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser in de zienswijze in de gelegenheid is gesteld om zich uit te laten over de tegenstrijdigheden in/tussen zijn in Griekenland en zijn in Nederland afgelegde verklaringen. Eiser heeft in de zienswijze, in zijn beroepsgronden en ter zitting (op het moment van de bekering en de stroming na, waarover hierna onder 8 en volgende meer) niet concreet gemaakt wat er gebrekkig is weergegeven in de verslagen van zijn in Griekenland afgelegde verklaringen en wat hij had willen corrigeren indien hij daartoe in Griekenland gelegenheid zou hebben gehad, alsmede wat hij in een aanvullend gehoor in Nederland over de tegenstrijdigheden had willen verklaren. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de tegenstrijdigheden in of met de in Griekenland afgelegde verklaringen door vertaalfouten komen. Uit de Griekse stukken blijkt dat eiser in het Farsi is gehoord en dat eiser bevestigend antwoordt op de vraag of hij de tolk goed kan begrijpen (en dat de tolk verklaart dat hij eiser goed kon begrijpen). In Nederland is deze vraag in de gehoren ook meerdere keren aan eiser gesteld en antwoordt eiser ook dat hij de tolk goed heeft begrepen en verstaan. De beroepsgrond slaagt niet.

Asielmotieven

6. Eiser betoogt dat afvalligheid en bekering als zelfstandige asielmotieven moeten worden beoordeeld en dat hij in Afghanistan al afstand heeft genomen van de islam (voor zover dat kon in die samenleving). Ter onderbouwing verwijst eiser naar de Afdelingsuitspraak van 12 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:94).

De rechtbank volgt eiser niet. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat bij de gestelde afvalligheid van de islam en bekering tot het christendom sprake was van één verstrengeld proces waarbij geen duidelijk te onderscheiden fasen kunnen worden aangewezen. Verweerder heeft zich daarvoor mogen baseren op de verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor. Eiser verklaart immers dat hij in Afghanistan nooit had nagedacht over de aanwezigheid van een god in het algemeen en of hij kon twijfelen aan de islam, geloof of religie, en dat hij begon te twijfelen toen hij in Griekenland voor het eerst naar de kerk was geweest. Dat eiser, zoals ook volgt uit zijn verklaring, in Afghanistan meer uit gewoonte meedeed aan islamitische rituelen en gebruiken dan uit innerlijke betrokkenheid, heeft verweerder niet als een innerlijke verandering en afwending van de islam hoeven zien. De rechtbank merkt hierbij op dat eiser – zoals verweerder ook noemt - heeft verklaard dat hij toen hij in Griekenland was de eerste maanden er nog voor heeft gekozen af en toe de dagelijkse islamitische gebeden te doen. In de Afdelingsuitspraak van 12 januari 2022 is eerst sprake van afwending van de islam, waarna later de bekering tot het christendom volgt. In het geval van eiser is deze scheiding tussen zijn gestelde afvalligheid en bekering niet zo duidelijk. De beroepsgrond slaagt niet.

Referentiekader, vertaling en medische situatie

7. Eiser betoogt dat het tijdens het nader gehoor niet goed met hem ging en dat hij de tolk niet goed kon verstaan. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met zijn referentiekader (eisers mentale problemen en zijn moeite met lezen en schrijven) en met zijn medische situatie.

Uit het medisch advies blijkt dat eiser heeft aangegeven moeite te hebben met lezen en schrijven en dat hij niet in staat is om de exacte data te benoemen omtrent zijn asielrelaas. Volgens eiser kan hij dit aangeven bij benadering (maanden, seizoenen en jaartallen). Verder blijkt dat eiser heeft aangegeven dat er pijnlijke gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in het verleden, reden waarom wordt geadviseerd eiser op zijn gemak te stellen en de tijd geven om te antwoorden op de gestelde vragen.

De rechtbank constateert dat meermaals aan eiser is gevraagd of hij de tolk goed heeft begrepen en goed heeft kunnen verstaan, waarop eiser bevestigend heeft geantwoord. Eiser heeft ontkennend geantwoord op de vraag of hij op- of aanmerkingen heeft over de werkwijze van de tolk. Door de hoormedewerker is ook gerefereerd aan de medische klachten van eiser, er is begrip getoond voor zijn situatie en voor pijnlijke gebeurtenissen, meermaals gevraagd hoe het met eiser gaat en of hij behoefte heeft aan een pauze en er zijn pauzes ingelast. De eerste dag is het nader gehoor ook beëindigd toen eiser om paracetamol vroeg vanwege hoofdpijnklachten.

Naar het oordeel van de rechtbank is er – gelet op wat hiervoor is vermeld - in het gehoor voldoende rekening gehouden met de mentale en medische klachten van eiser en zijn referentiekader. De tegenwerpingen van verweerder zien onder meer op jaartallen. Deze zou eiser gezien zijn referentiekader wel aan moeten kunnen geven, te meer nu hij in de betreffende jaren nog in Afghanistan (2018, 2019) dan wel inmiddels in Griekenland verbleef (2021). Eiser relateert bovendien zelf zijn gestelde problemen met de Taliban aan de periode kort voor de overname door de Taliban (die plaatsvond in augustus 2021), wat niet wijst op een vergissing qua jaartal. De rechtbank is verder ook niet gebleken dat eiser een klacht tegen de tolk heeft ingediend of dat het om wat voor reden dan ook niet mogelijk is geweest om een klacht in te dienen. In zijn beroepsgronden en ter zitting heeft eiser niet geconcretiseerd wat, naast zijn correcties en aanvullingen op het nader gehoor, niet correct is vertaald door de tolk en heeft hij ook niet alsnog de juiste vertaling gegeven, zodat de rechtbank hiermee in de beoordeling geen rekening kan houden. De beroepsgrond slaagt niet.

Bekering tot het christendom

8. Eiser heeft in het nader gehoor verklaard dat hij zich in Griekenland heeft bekeerd tot het christendom, nadat hij met zijn tentgenoten naar de kerk is gegaan. Eiser betoogt dat hij wel consistent heeft verklaard en dat verweerder zijn bekering tot het christendom ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.

Bij het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de bekering van eiser heeft verweerder kennelijk de ten tijde van het bestreden besluit toepasselijke Werkinstructie 2022/3 (WI 2022/3) als uitgangspunt genomen. Verweerder beoordeelt volgens deze WI of het aannemelijk is dat de door de vreemdeling gestelde bekering gebaseerd is op een diepgewortelde innerlijke overtuiging. Bij de beoordeling of de gestelde bekering geloofwaardig is, richt verweerder zich op drie thema’s, te weten: 1- de motieven voor en het proces van bekering, 2- de kennis van het nieuwe geloof, en 3- de activiteiten, zoals bezoeken aan religieuze bijeenkomsten, die een persoon onderneemt binnen de nieuwe

geloofsovertuiging en het effect van de veranderingen.

Verweerder heeft zich in het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling van de bekering van eiser op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn bekering geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, in de zin van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Ook kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd, in de zin van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw 2000.

De rechtbank volgt verweerder in zijn tegenwerping dat eiser te summier, vaag en wisselend heeft verklaard over zijn bekering en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanuit een diepgewortelde innerlijke overtuiging tot een nieuw geloof is gekomen. Uit het Griekse asieldossier volgt dat eiser in Griekenland heeft verklaard dat hij in Afghanistan is bekeerd via een kennis in Nederland die hij op het internet had ontmoet. Dit zorgde voor problemen met zijn vader en verdere familie en zij wilden hem vanwege zijn bekering vermoorden. In Nederland heeft eiser verklaard dat zijn vader en oom hem hebben geholpen om Afghanistan te verlaten en dat hij in Griekenland is bekeerd via landgenoten in de opvang. Eisers standpunt dat die verschillen te maken hebben met de omstandigheid dat hij in Griekenland geen correcties en aanvullingen heeft kunnen indienen, volgt de rechtbank niet, mede gelet op wat hiervoor onder 5.1 is overwogen. Ook uit andere stukken volgt bovendien dat eiser wisselend verklaart over het moment van zijn bekering en de manier waarop die heeft plaatsgevonden. De getuigenverklaringen die eiser heeft overgelegd, van de pastoraal werker van Hoogeveen en de voorzitter van de kerkenraad van Eindhoven, stroken immers ook niet met eisers huidige verklaring dat hij in Griekenland is bekeerd. Daarnaast heeft eiser in Griekenland verklaard katholiek te zijn en in Nederland verklaard niet te weten tot welke stroming zijn tentgenoten in Griekenland en de kerk die hij met hen op het eiland bezocht behoorden, maar zelf protestants te zijn. De tegenwerping van eiser op zitting, dat hij beide stromingen ziet als het christendom, verklaart niet waarom eiser hier wisselend over heeft verklaard. In zijn gehoor in Griekenland en in het nader gehoor kan eiser de verschillende stromingen namelijk noemen. Verweerder heeft ook naar de motieven en het proces van de gestelde bekering, de kennis en de documenten gekeken die eiser heeft aangevoerd. Verweerder heeft dit alles niet ten onrechte (ook in onderlinge samenhang bezien) niet voldoende bevonden om de bekering van eiser te onderbouwen. Verweerder heeft op goede gronden overwogen dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt waarom hij christen is geworden, waarom hij er klaar voor was om zich te laten dopen en waarom hij geruime tijd geen kerk heeft bezocht in Nederland. De tegenwerping van eiser dat hij alleen een Farsi of Dari-talige kerk wilde bezoeken, kan de rechtbank niet volgen, nu eiser verklaart niet bij het COa te hebben gevraagd naar een dergelijke kerk en bovendien op dit moment al enige tijd een Nederlandstalige kerk bezoekt.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers bekering tot het christendom ongeloofwaardig is. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de overige beroepsgronden die op de gestelde bekering zien te bespreken. De onder 8. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.

Problemen met de Taliban

9. Eiser betoogt dat verweerder de problemen met de Taliban ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.

Verweerder heeft zich in het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling van de problemen met de Taliban op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, in de zin van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Ook kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd, in de zin van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw 2000.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers gestelde problemen met de Taliban niet geloofwaardig zijn. Zo heeft verweerder eiser tegen mogen werpen dat hij heeft verklaard tot in juli/augustus 2021 in Afghanistan te hebben gewoond en dat de gestelde problemen zich net voor de machtsovername door de Taliban (in augustus 2021) voordeden, terwijl uit Eurodac blijkt dat eiser op 5 november 2019 in Griekenland een eerste asielaanvraag heeft ingediend en uit eisers verklaringen blijkt dat hij niet is teruggekeerd naar Afghanistan. Van eiser mag worden verwacht dat hij correct kan verklaren over de tijdsaanduiding van zijn ondervonden problemen. Uit het medisch advies volgt dat eiser data kan aangeven bij benadering (in maanden, jaartallen of seizoenen). Daarnaast heeft eiser in Griekenland verklaard geen problemen met de Taliban te hebben ervaren in Afghanistan, maar dat hij als Hazara wel problemen met de Taliban verwacht bij terugkeer. In Griekenland heeft eiser niets verklaard over de thans gestelde problemen met Talibanstrijders die hem zouden hebben gevraagd een rugzak met onbekende inhoud aan te nemen. In Nederland verklaart eiser hier wel over en verklaart hij dat dit de voornaamste aanleiding is geweest om het land te verlaten. Dit maakt de verklaringen van eiser wisselend.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door eiser gestelde gang van zaken met de rugzak, die door de Talibanstrijders aan eiser zou zijn gegeven, ongeloofwaardig is. Het is onlogisch dat de Taliban al een dag voordat die rugzak ergens heen moest (mogelijk om een aanslag te plegen), die rugzak afgaf aan eiser, een willekeurige herder, omdat zij zelf geen plek hadden om die op te bergen. Zeker nu eiser verklaard heeft dat de Taliban aanwezig was in zijn regio, daar talloze spionnen zou hebben en dat de (toenmalige) overheid daar niet aanwezig was en geen macht had.

Het voorgaande is al voldoende dragend voor het oordeel dat de gestelde problemen met de Taliban ongeloofwaardig zijn. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de overige beroepsgronden die op de problemen met de Taliban zien te bespreken. De onder 9. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.

Fatwa en toegedichte afvalligheid

10. Eiser heeft na zijn zienswijze en opnieuw in beroep een verzoek om advies en een daarop gevolgde fatwa overgelegd die op hem betrekking hebben en stelt in beroep dat hij deze via Whatsapp heeft ontvangen van een dorpsgenoot die destijds in Afghanistan verbleef.

Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de fatwa niet op echtheid te controleren is, nu dit een kopie is die door eiser via Whatsapp is ontvangen. Daarom kan Bureau Documenten dit document niet onderzoeken. Ook stelt verweerder dat aan de fatwa niet de waarde gehecht kan worden die eiser daaraan toekent. De rechtbank kan verweerder hierin volgen. Eiser heeft namelijk – zoals verweerder ter zitting ook heeft opgemerkt - in de beroepsgronden en ter zitting onvoldoende uitleg gegeven over de totstandkoming van de fatwa, hoe eiser eraan is gekomen, wie de fatwa hebben verzocht en wie deze hebben opgesteld, hoe de verzoekers en opstellers aan hun informatie zijn gekomen etc. Ook strookt de vermelding in het verzoek dat eiser tijdens zijn verblijf in Afghanistan soms woorden sprak die in strijd waren met de principes van het sjiisme, naar het oordeel van de rechtbank niet met de verklaringen van eiser. Eiser verklaart dat hij in Afghanistan slechts één keer heeft geprobeerd een gesprek te voeren met zijn vader over het geloof (toen hij als zes- of zevenjarige op straat een Bijbel had gekregen van een Amerikaan) en verklaart niet dat hij zich in Afghanistan negatief heeft uitgelaten over het sjiitische geloof. Op de zitting heeft eiser juist verklaard dat hij pas in Griekenland kritiek op de Islam uitte. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar wat hiervoor onder 6.1 is overwogen. Ten slotte is het opmerkelijk dat de datum die op de fatwa staat dezelfde datum is als waarop eiser gedoopt is en dat de fatwa, die al zou dateren van jaren geleden, pas in 2025 ‘opduikt’ en wordt overgelegd.

Mede gelet hierop en op wat hiervoor is overwogen onder 6.1 en 8 tot en met 8.4, heeft eiser onvoldoende concrete aanknopingspunten aangevoerd om aan te nemen dat – zoals eiser pas in beroep betoogt - hem afvalligheid zal worden toegedicht. Verweerder heeft dus het risico dat eiser bij terugkeer loopt vanwege toegedichte afvalligheid niet verder hoeven beoordelen.

Zwaarwegendheidsbeoordeling

11. Eiser voert aan dat hij vanwege zijn Hazara etniciteit en vanwege zijn lange verblijf in Europa (door eiser aangeduid als verwestering) niet terug naar Afghanistan kan.

Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheden dat eiser uit Afghanistan komt, Hazara is en in het westen heeft verbleven, onvoldoende grond vormen voor de conclusie dat er sprake is van vluchtelingschap. Ook heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser bij een terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege die omstandigheden.

De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:265. In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat uit openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Vreemdelingen die vrijwillig terugkeren na verblijf in het Westen zijn niet aan te merken als groep die een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser heeft zijn stelling dat hij verwesterd is niet met concrete feiten en omstandigheden toegelicht en onderbouwd en heeft ook anderszins geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat het risico op ernstige schade vanwege zijn verblijf in het westen in zijn individuele geval anders zal zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser wat betreft zijn etniciteit niet aan het individualiseringsvereiste heeft voldaan, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan vanwege zijn etniciteit persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging heeft. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit het algemeen ambtsbericht Afghanistan van 16 december 2025 volgt dat Hazara’s niet te maken krijgen met systematische vervolging. Er is volgens een bron wel sprake van stelselmatige discriminatie door lokale leiders. Wat er verder ook zij van het huidige beleid van verweerder om Hazara’s niet meer als risicoprofiel aan te wijzen, de rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de enkele omstandigheid dat eiser in Afghanistan vaak beledigd en uitgescholden werd, onvoldoende zwaarwegend is om eiser als vluchteling aan te merken. Uit de verklaringen van eiser volgt ook dat hij in Afghanistan naar de koranschool is geweest, heeft gewerkt en toegang had tot medische zorg. Eiser heeft volgens zijn eigen verklaring in Afghanistan de mogelijkheid gehad zijn leven te leiden als Hazara.

De onder 11. vermelde beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 8 EVRM

12. Eiser betoogt dat er sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM is tussen hem en zijn partner en tussen hem en zijn kind. Verweerder had daarom een belangenafweging moeten maken.

Uit het beleid van verweerder, zoals neergelegd in paragraaf B7/3.8.1. van de Vc 2000, volgt dat verweerder in ieder geval familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aanneemt tussen echtgenoten in een reëel huwelijk en tussen partners in een reële en in voldoende mate met een huwelijk op een lijn te stellen relatie. Verweerder heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat – ook als ex nunc getoetst wordt - hiervan tussen eiser en zijn partner geen sprake is. Verweerder heeft daarbij de omstandigheid dat eiser en zijn partner niet samenwonen als een indicatie kunnen zien dat van een dergelijke relatie geen sprake is. Wat eiser heeft verklaard over de invulling van zijn relatie met zijn partner, is onvoldoende om wel familie-/gezinsleven aan te nemen. Dat eiser en zijn partner door verschillende omstandigheden niet samen kunnen wonen, heeft eiser niet met stukken onderbouwd. Hoewel de rechtbank aannemelijk acht dat, zoals eiser stelt, zijn partner en kind niet bij eiser in het AZC kunnen en mogen wonen, heeft eiser bijvoorbeeld geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij en/of zijn partner hebben geprobeerd elders woonruimte te verkrijgen. De rechtbank neemt verder bij de beoordeling van het familie- en gezinsleven in aanmerking dat eiser op de zitting heeft verklaard dat hij zijn partner en kind 2 à 3 maal per week bezoekt en dat ze dan meestal naar een park, de kerk of het centrum of iets dergelijks gaan, omdat hij niet of nauwelijks bij zijn partner thuis op bezoek mag komen en zijn partner niet in het AZC mag verblijven.

Ook volgt uit het beleid van verweerder zoals neergelegd in paragraaf B7/3.8.1. van de Vc 2000, dat verweerder in ieder geval familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aanneemt tussen ouders en hun uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie geboren minderjarige kinderen. Wanneer de kinderen niet zijn geboren uit een huwelijk of niet-huwelijkse relatie, dan dient (naast bijvoorbeeld erkenning of biologisch vaderschap) sprake te zijn van hechte persoonlijke banden om te kunnen spreken van familie- of gezinsleven. Hechte persoonlijke banden is een begrip van feitelijke aard waarbij gekeken moet worden naar de invulling van het contact op dit moment en in het verleden en naar de intensiteit van dat contact.

De rechtbank constateert dat uit het bestreden besluit niet duidelijk wordt of verweerder heeft beoordeeld of tussen eiser en zijn kind sprake is van hechte persoonlijke banden. Dit had verweerder wel moeten bezien, te meer nu eiser niet alleen aanvoert dat het gaat om zijn biologische kind, maar bij de zienswijze ook stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij het kind heeft erkend. Het bestreden besluit is daarom gebrekkig en het beroep is gegrond. De rechtbank zal, gelet op dit zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek, het bestreden besluit vernietigen en zal bezien of de rechtsgevolgen in stand kunnen worden gelaten.

De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, nu verweerder het hiervoor vermelde gebrek ter zitting heeft hersteld. Verweerder heeft, in aanvulling op wat in het bestreden besluit is vermeld, ter zitting alsnog uitdrukkelijk besproken of er sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiser en zijn zoon en heeft afdoende gemotiveerd dat dit niet het geval is omdat dit onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Eén van de punten waar verweerder naar kijkt in dit verband is of eiser zorgtaken verricht. Dit is een toets van feitelijke aard. Eiser verklaart wel dat hij zijn kind enkele keren per week ziet, maar uit wat hij daarover verklaart blijkt niet hoe hij zijn vaderschap invult en dat hij zorgtaken verricht. Ook heeft eiser niet duidelijk gemaakt wat hij in de toekomst als zorgtaken op zich zou willen nemen. Eiser heeft bovendien te weinig stukken overgelegd om zijn standpunt te onderbouwen.

Verweerder heeft dan ook kunnen concluderen dat er, ook wanneer ex nunc wordt beoordeeld, geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiser en zijn partner en kind. Nu er geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van 8 EVRM, heeft verweerder geen belangenafweging hoeven maken.

Kennelijk ongegrondverklaring

13. Eiser betoogt dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig als mogelijk is kon indienen door zijn psychische situatie.

Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw (naast artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw). De enkele omstandigheid dat een vreemdeling psychische klachten ervaart, verklaart niet dat een asielaanvraag niet tijdig is ingediend. Eiser heeft ook wisselend verklaard over de reden voor de late indiening van zijn asielaanvraag. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit op één onderdeel. Het overwogene in rechtsoverweging 12.4. leidt de rechtbank tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten. Eiser krijgt dus inhoudelijk geen gelijk. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser wel een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen.

15. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Verweerder wordt voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 29 augustus 2025 voor wat betreft de beoordeling van het familie- of gezinsleven van eiser met zijn kind;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van

mr. J. Dommerholt, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?