RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoekster
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56145
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Bell),
en
Procesverloop
Bij besluit van 16 april 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 10 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Overwegingen
1. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht
betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 194,-. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
2. Bij brief van 20 december 2025 is verzoekster in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na de datum van de brief het griffierecht te betalen. Hierop is niet gereageerd. Daarom is verzoekster bij aangetekende brief van 19 januari 2026 nogmaals in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de datum van de brief het griffierecht te betalen. In de brief is ook vermeld dat als het griffierecht niet binnen deze termijn wordt betaald het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster het griffierecht niet heeft betaald. Verzoekster heeft ook geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging van dit verzuim gebleken.
4. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 16 maart 2026 door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.