ECLI:NL:RBDHA:2026:5577

ECLI:NL:RBDHA:2026:5577

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-03-2026
Datum publicatie 17-03-2026
Zaaknummer NL26.3163
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Derde beroep niet tijdig, nareis/8 EVRM, beroep ontvankelijk en gegrond, verweerschrift, beslistermijn van 4 weken na ontvangst reactie eiser

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.3163

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. F.W. Verweij),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: B. Asadoella).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend na de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 1 mei 2025.1 In die uitspraak staat onder meer dat de minister binnen twee weken na verzending van die uitspraak moet beslissen op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging nareis asiel en een mvv voor verblijf voor gezinshereniging nareis asiel – 8 EVRM (hierna: de aanvraag). Eiser stelt nu beroep in, omdat de minister binnen die termijn geen beslissing heeft genomen op de aanvraag.

Overwegingen

1. Zaaknummer NL25.427 (niet gepubliceerd).

2 Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3 ECLI:NL:RVS:2025:5787.

4 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.

Is het beroep van eiser ontvankelijk?

4. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de bestuursrechter in de uitspraak van 1 mei 2025 een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn heeft gesteld voor het nemen van een besluit.5 Ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling is het beroep van eiser dus ontvankelijk.

Is het beroep van eiser gegrond?

5. De rechtbank stelt vast dat de minister niet binnen de door de rechtbank genoemde termijn alsnog een besluit heeft genomen op de aanvraag. Het beroep is kennelijk gegrond.

Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?

6. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen.6 Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.7

7. De minister heeft een verweerschrift ingediend, waarin hij heeft verzocht om een nadere beslistermijn van vier weken na ontvangst van een reactie op een op 17 februari 2026 naar eiser verzonden brief. Hiertoe heeft de minister aangegeven dat eiser is gehoord en dat hem naar aanleiding van dat gehoor is verzocht een originele echtscheidingsakte over te leggen. Het Bureau Documenten heeft de akte onderzocht en negatief beoordeeld. De minister heeft eiser om die reden per brief van 17 februari 2026 verzocht om uiterlijk op 3 maart 2026 een verklaring aan te leveren over de negatief beoordeelde akte. Afhankelijk van de reactie op deze brief zal de minister vervolgens een besluit nemen. Een termijn van vier weken na ontvangst van een reactie op de brief van 17 februari 2026 is volgens de minister in dit kader een passende beslistermijn.

8. De rechtbank stelt vast dat tussen het moment van de aanvraag en het moment waarop de aanvraag door de minister in juli 2025 ter hand is genomen een periode lag van meer dan 23 maanden. Eiser zag zich hierdoor genoodzaakt nu voor de derde keer een beroep wegens niet tijdig beslissen in te dienen.8 De minister heeft ervoor gekozen de eerder door de rechtbank gegeven termijnen te negeren en de door de rechtbank opgelegde dwangsommen te laten vollopen. Die keuze ontslaat hem niet van de verplichting zo spoedig mogelijk te beslissen. Omdat de minister in zijn verweerschrift heeft meegedeeld voornemens te zijn binnen vier weken na ontvangst van een reactie op de brief van 17 februari 2026 een besluit te nemen, zal de rechtbank, ondanks het lange tijdverloop tot nu toe en gelet op de vereiste zorgvuldigheid, een langere termijn dan twee weken geven. De rechtbank past daarbij de uitgangspunten van de door de minister aangehaalde uitspraak toe.9 De rechtbank vindt het passend om te bepalen dat de minister een besluit op de aanvraag van eiser moet nemen binnen een termijn van vier weken na ontvangst van een reactie op de brief van 17 februari 2026.

5 ECLI:NL:RVS:2021:774.

6 Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.

7 Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.

8 Zaaknummers NL24.24683 & NL25.427 (niet gepubliceerd).

9 ECLI:NL:RBDHA:2023:3590.

Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?

9. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.10 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van

€ 37.500,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om een lagere dwangsom op te leggen, zoals de minister heeft verzocht.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen de onder 8. genoemde termijn alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.

11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend. De rechtbank volgt de minister niet in diens standpunt dat de zaak van “zeer licht” gewicht is, als gevolg waarvan een wegingsfactor van 0,25 zou moeten worden toegekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet de minister het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.

10 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

13 maart 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.P. Loman

Griffier

  • mr. A.W. van Eerden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?