RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12321
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 23 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 10 maart 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 12 maart 2026 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft op 16 maart 2026 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2000 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.
Recht op rechtsbijstand
2. Eiser stelt dat zijn recht op rechtsbijstand en het beginsel van fair trial is geschonden. Hij heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling aangegeven dat hij wenst te worden bijgestaan door zijn raadsman. Verweerder is ervan op de hoogte dat eiser sinds de inbewaringstelling op 18 november 2025 wordt bijgestaan door mr. R.W. Koevoets, zoals ook het geval bij het laatste vervolgberoep. Eiser heeft de uitspraak op dit beroep overgelegd. Desondanks heeft verweerder mr. Koevoets niet in kennis gesteld van het voornemen om de grondslag van de maatregel van bewaring om te zetten. Eisers verzoek om rechtsbijstand is door verweerder genegeerd. Er zijn enkel namen genoemd van advocaten die eiser niet kent.
3. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een schending van eisers recht op rechtsbijstand. Uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling van 23 februari 2026 blijkt dat bij aanvang van het gehoor aan eiser is gevraagd of het klopt dat mr. van den Toorn-Volkers zijn advocaat is. Eiser heeft daar bevestigend op geantwoord. Verweerder kon geen contact krijgen met mr. van den Toorn-Volkers en heeft daarom de piketcentrale ingelicht. Mr. Boone heeft de piketmelding geaccepteerd. Hij heeft aangegeven niet bij het gehoor aanwezig te kunnen zijn en eiser later te bezoeken. Dit is ook aan eiser meegedeeld. De rechtbank ziet in deze gang van zaken geen aanleiding om te concluderen dat het beginsel van fair trial is geschonden. Zijn verzoek om rechtsbijstand is immers niet genegeerd. De advocaat van wie hij heeft aangegeven zijn gemachtigde te zijn is door verweerder gebeld. De stelling dat mr. Koevoets gebeld moest worden omdat hij eiser eerder heeft bijgestaan doet daar niet aan af.
Non-refoulement
4. Eiser stelt dat hij meermaals heeft aangegeven niet terug te willen naar Tanzania. Tijdens het vertrekgesprek op 14 januari 2026 heeft hij nog aangegeven dat hij grote risico’s heeft genomen en zijn land heeft verlaten om hier bescherming te vragen. Verweerder heeft er onvoldoende blijk van gegeven geverifieerd te hebben of de uitzetting niet in strijd is met het beginsel van non-refoulement.
5. De Afdeling heeft bij uitspraak van 12 februari 2026 verduidelijkt wat de gevolgen van het [arrest] zijn voor de nationale rechter die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. Uit deze uitspraak volgt onder meer dat de bewaringsrechter moet beoordelen of verweerder op het moment van oplegging van de maatregel van bewaring heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich al dan niet tegen de uitzetting van de vreemdeling verzet.
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de maatregel van bewaring onder het kopje ‘beginsel van non-refoulement’ een dergelijke beoordeling heeft gemaakt en heeft overwogen dat de uitzetting van eiser in strijd is met het verbod op refoulement. Daarnaast is het aan eiser om concreet te maken waarom het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan zijn uitzetting. Eiser heeft op 18 november 2025 een opvolgende asielaanvraag ingediend in Nederland. In deze procedure heeft eiser ruimschoots de mogelijkheid gekregen om eventuele vrezen bij terugkeer naar Tanzania naar voren te brengen. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 16 december 2025. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 23 februari 2026 ongegrond verklaard.
Ambtshalve toets
7. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 17 maart 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.