RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58236
(gemachtigde: mr. J.W.J. van den Broek),
en
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven, omdat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico op ernstige schade loopt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop van deze zaak. Onder 3 staat een beschrijving van het asielrelaas van eiser en onder 4 staat waarom de minister de asielaanvraag heeft afgewezen. De beoordeling van de beroepsgronden volgt vanaf overweging 5. Aan het einde van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 28 januari 2024 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 20 november 2025 afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is door zijn vader gedwongen om in Gambia naar een Koranschool te gaan. Omdat eiser op die Koranschool werd mishandeld en werd gedwongen om dingen te doen die hij niet wilde doen, is hij daar weggegaan en teruggekeerd naar zijn ouders. Maar omdat eiser van de Koranschool was weggegaan, werd hij thuis door zijn vader een keer mishandeld en heeft zijn vader hem bedreigd. Eiser heeft nog geprobeerd om aangifte te doen tegen zijn vader, maar de politie wilde hem niet verder helpen. Bij terugkeer naar Gambia vreest eiser door zijn vader te worden gedood.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
(1) Identiteit, nationaliteit en herkomst;
(2) Plaatsing op Koranschool door vader en mishandeling door docenten.
De minister stelt zich op het standpunt dat beide elementen geloofwaardig zijn, maar dat eiser als gevolg hiervan geen gegronde vrees voor vervolging heeft en ook geen reëel risico op ernstige schade loopt. Daarom heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Heeft eiser bij terugkeer naar Gambia een gegronde vrees voor vervolging of loopt hij daar een reëel risico op ernstige schade?
5. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij bij terugkeer naar Gambia geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser stelt allereerst dat hem niet kan worden verweten dat hij een minimale inspanning heeft verricht om bescherming te krijgen in Gambia. De minister heeft niet onderkend dat eiser nog jong was en bovendien van drie personen (zijn vader, de school en de politie) impliciet of expliciet te horen kreeg dat hij maar moest accepteren dat hij werd geslagen. Bovendien is het maar de vraag of eiser daadwerkelijk bescherming kan inroepen in Gambia. Er is weliswaar een wet in Gambia die gaat over huiselijk geweld (de Domestic Violence Act 2013), maar de Verenigde Naties maken zich zorgen over de manier waarop in de praktijk met deze wet wordt omgegaan: politieagenten zouden bijvoorbeeld onvoldoende zijn toegerust om zaken met betrekking tot huiselijk geweld te behandelen. Dat er een wet is, wil daarom nog niet zeggen dat deze in de praktijk wordt toegepast en dat de geboden bescherming effectief is. In zoverre worden ook de verklaringen van eiser bevestigd dat hij door de politie niet werd geholpen toen hij daar om hulp vroeg. De minister heeft dat niet onderkend. Tot slot mocht de minister niet aan eiser tegenwerpen dat hij pas in de zienswijze naar voren heeft gebracht dat hij in Gambia geen netwerk, inkomen, werkervaring, woning en vermogen heeft. Dit volgt logischerwijs uit het feit dat eiser als minderjarige uit Gambia is vertrokken en uit de verklaringen van eiser.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Gambia geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico op ernstige schade loopt. De minister stelt zich in de eerste plaats terecht op het standpunt dat eiser niet alle mogelijkheden voor bescherming in Gambia heeft uitgeput en dat (mede daarom) niet is gebleken dat de Gambiaanse autoriteiten hem geen bescherming kunnen bieden. Eiser is één keer bij de politie geweest en is daar weliswaar weggestuurd zonder dat hij is geholpen, maar de minister wijst er – onder verwijzing naar de Gambiaanse Domestic Violence Act 2013 – terecht op dat eiser zich ook had kunnen wenden tot bijvoorbeeld een ‘social welfare officer’ of een ‘social health provider’. Dat eiser nog jong was toen eiser bij de politie is geweest, maakt dit niet anders. Het feit dat eiser uit eigen beweging naar de politie is gegaan, laat immers zien dat hij zich – ondanks zijn jonge leeftijd – heeft gerealiseerd dat het niet normaal is dat hij werd mishandeld. Daar komt nog bij dat de minister er terecht op heeft gewezen dat de moeder van eiser begrip had voor zijn problemen, zodat eiser ook zijn moeder om hulp had kunnen vragen. De omstandigheid dat de Verenigde Naties zich zorgen maken over de toepassing van deze Gambiaanse wetgeving, leidt ook niet tot een ander oordeel. Uit het enkele feit dat er zorgen zijn over de wijze waarop deze wetgeving in de praktijk wordt toegepast, valt in het concrete geval van eiser niet af te leiden dat de Gambiaanse autoriteiten geen daadwerkelijke bescherming zouden kunnen bieden. Tot slot is op zitting gebleken dat eiser het ontbreken van een netwerk, werk en een woning niet zo zeer als asielmotief naar voren heeft gebracht, maar juist om toe te lichten dat hij daarom zal moeten terugkeren naar zijn vader en op die manier een verhoogd risico op vervolging of ernstige schade loopt. In zoverre is de tegenwerping van de minister dat eiser dit pas in de zienswijze naar voren heeft gebracht niet meer van belang. De minister wijst er echter ook terecht op dat eiser inmiddels volwassen is, zodat hij eigen keuzes kan maken met betrekking tot woonplaats en educatie en dus niet wordt gedwongen om (weer) bij zijn vader te gaan wonen. De rechtbank ziet daarom niet in waarom eiser als gevolg hiervan een verhoogd risico op vervolging of ernstige schade loopt.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.