ECLI:NL:RBDHA:2026:5666

ECLI:NL:RBDHA:2026:5666

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-03-2026
Datum publicatie 17-03-2026
Zaaknummer NL24.51769
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Beroep ongegrond. Te late indiening nareisaanvraag niet verschoonbaar. Aanvraag mvv terecht afgewezen. Middelenvereiste kon worden tegengeworpen. Passeren gebrek schending hoorplicht met toepassing van artikel 6:22 Awb.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.51769

V-nummer: [v nummer]

(gemachtigde: mr. M. Gavami),

en

(gemachtigde: mr. F.E. Mahler).

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Eiser is geboren op [geboortedag] 1988 en heeft de Eritrese nationaliteit. Eiser is in 2017 uit Eritrea vertrokken en is naar Sudan gegaan, samen met [persoon] (referente). In Sudan zijn zij getrouwd. Referente heeft op 25 augustus 2022 een verblijfsvergunning asiel verkregen en verblijft sindsdien dus rechtmatig in Nederland. Eiser verblijft momenteel in Uganda.

Eiser heeft op 6 april 2023 een aanvraag ingediend voor een mvv in de procedure Toegang en Verblijf, voor verblijf als familie- of gezinslid bij referente.

Met het primaire besluit van 21 november 2023 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat hij aan een TBC-onderzoek wil meewerken, dat hij niet voldoet aan het paspoortvereiste en dat referente niet voldoet aan het middelenvereiste. Verweerder heeft aangenomen dat sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiser en referente, maar heeft de belangenafweging in het nadeel van eiser laten uitvallen.

Met het bestreden besluit van 27 november 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft de afwijzingsgrond van het TBC-onderzoek laten vallen, omdat eiser in bezwaar een intentieverklaring TBC-onderzoek heeft overgelegd. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eisers beroep op het nareisbeleid te laat is. De reden voor het te laat indienen is niet verschoonbaar, gelet op paragraaf 2.2 van de Werkinstructie 2024/4. Verweerder heeft verder gesteld dat de identiteit van eiser niet is aangetoond en dat referente niet heeft aangetoond dat zij over voldoende middelen van bestaan geschikt. Verweerder heeft aangenomen dat sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiser en referente, maar heeft het belang van de Nederlandse overheid zwaarder laten wegen dan het belang van eiser. Verweerder verwijst naar de gedane belangenafweging in het primaire besluit.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 2 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben referente, de gemachtigde van eiser, A. Omar als tolk in de taal Tigrinya en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Verschoonbaarheid van de late indiening van de nareisaanvraag

Eiser voert aan dat referente wegens persoonlijke omstandigheden niet eerder de nareisaanvraag heeft kunnen indienen. Zij had verdriet om het overlijden van haar zus en heeft onvolledige informatie gekregen. Volgens eiser moet daarom van de beleidsregel worden afgeweken. Eiser wijst er op dat er contact is geweest tussen Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) en verweerder over het indienen van de aanvraag. Eiser vindt dat verweerder op dat moment had moeten aangeven dat eiser alsnog een nareisaanvraag kon indienen, ondanks dat de termijn was overschreden. Verweerder heeft eiser hierover onvoldoende informatie gegeven.

De rechtbank stelt allereerst vast dat referente een reguliere mvv-aanvraag heeft ingediend voor eiser en geen aanvraag heeft ingediend voor een mvv in het kader van nareis. Ze heeft het formulier gebruikt voor een reguliere mvv-aanvraag. Verweerder heeft de aanvraag daarom ook niet aangemerkt als een nareisaanvraag. Ten aanzien van de stelling van eiser dat verweerder de aanvraag wel als nareisaanvraag had moeten aanmerken, heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de aanvraag niet binnen de zogenaamde drie-maanden termijn is ingediend en daar geen verschoonbare reden voor is. Daarom kan de aanvraag niet gelden als nareisaanvraag zoals bedoeld in artikel 29 lid 2, sub a, b of c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

De rechtbank stelt vast dat referente niet binnen drie maanden na het verkrijgen van een zelfstandige asielvergunning de onderhavige aanvraag heeft ingediend. Referente is op 25 augustus 2022 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel. Dat betekent dat de nareisaanvraag op 25 november 2022 had moeten worden ingediend. Op 5 april 2023 heeft eiser de reguliere mvv-aanvraag ingediend. Dat is ongeveer vierenhalve maand na het verstrijken van de termijn voor de indiening van een nareisaanvraag. De vraag die voorligt is, voor zover verweerder de aanvraag als nareisaanvraag had moeten aanmerken, of referente een verschoonbare reden heeft voor de termijnoverschrijding. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft hierover in een uitspraak van 27 december 2018 overwogen dat de beoordeling van de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding geen belangenafweging is, maar dat wordt beoordeeld of de oorzaak van de termijnoverschrijding in redelijkheid aan de betrokkene kan worden toegerekend. Een termijnoverschrijding kan bijvoorbeeld verschoonbaar zijn als deze het gevolg is van een fout van het desbetreffende bestuursorgaan of als de betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat hij het besluit, waartegen hij binnen een bepaalde termijn had moeten opkomen, niet heeft ontvangen. Fouten van een gemachtigde zijn in de regel geen reden om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen. In Werkinstructie 2024/4 zijn verder instructies opgenomen hoe verschoonbaarheid van een nareisaanvraag moet worden beoordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Allereerst is sprake van een ruime termijnoverschrijding van ongeveer vierenhalve maand. Referente heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze termijnoverschrijding niet aan haar toegerekend kan worden. De rechtbank betreurt het dat haar zus is overleden en kan zich goed voorstellen dat zij daardoor veel verdriet heeft gehad, maar dit vormt op zichzelf geen reden om de ruime termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Verweerder heeft bovendien terecht overwogen dat het in de gegeven omstandigheden in de lijn der verwachting had gelegen dat referente zo snel mogelijk een nareisaanvraag in zou dienen voor haar man. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat hij van verweerder onvoldoende informatie heeft gekregen. Al zou verweerder hebben aangegeven dat eiser de aanvraag moest indienen als een nareisaanvraag, dan nog blijft het zo dat die nareisaanvraag te laat is ingediend. De rechtbank merkt in dit verband op dat fouten van een hulppersoon geen reden zijn om een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Er zijn verder geen feiten of omstandigheden die aanleiding geven om van dit uitgangspunt af te wijken. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat verweerder de aanvraag terecht niet als nareisaanvraag, maar als reguliere aanvraag op grond van artikel 8 van het EVRM heeft beoordeeld. De beroepsgrond slaagt niet.

Middelenvereiste

Eiser voert aan dat hij het enige vereiste dat nog overeind blijft en hem nog wordt tegengeworpen het middelenvereiste is, nu hij inmiddels zijn identiteitskaart en de TBC-verklaring heeft overgelegd. Volgens eiser kan het middelenvereiste hem niet worden tegengeworpen. Referente is pas kort in Nederland en voor haar is het onmogelijk is om op zo’n korte termijn werk te vinden. Eiser wijst op de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2023. Volgens eiser volgt hieruit dat verweerder de vluchtelingenachtergrond moet meenemen in de beoordeling, ook als de nareisaanvraag te laat is ingediend. Eiser voert aan dat verweerder in ieder geval beter had moeten motiveren waarom geen sprake is van vrijstelling van het middelenvereiste. Verweerder heeft dat nu pas gemotiveerd in het verweerschrift.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 3 juli 2023 het volgende geoordeeld:

‘4.1. Zoals de Afdeling in voormelde uitspraak van 27 december 2018, onder 13, heeft overwogen, volgt uit punt 64 van het arrest (het arrest K. en B. van het Hof van Justitie van 7 november 2018) dat artikel 12, eerste lid, derde alinea, van de Gezinsherenigingsrichtlijn toestaat dat de staatssecretaris eist dat een referent, van wie hij de eerste aanvraag wegens onverschoonbare termijnoverschrijding heeft afgewezen, in de reguliere procedure voldoet aan de in artikel 7, eerste lid, gestelde vereisten. Volgens punt 65 van het arrest moet de staatssecretaris ervoor zorgen dat die referent in aanmerking blijft komen voor de op hem toepasselijke gunstiger voorwaarden voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging, bepaald in de artikelen 10 en 11 of 12, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Dit betekent dat de staatssecretaris, als vreemdelingen een mvv met het oog op een verblijfsvergunning regulier aanvragen, in de reguliere procedure invulling moet geven aan de artikelen 10 en 11 of 12, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Of en hoe de staatssecretaris dit doet, staat echter niet ter beoordeling in de nareisprocedure, maar in de reguliere procedure. Met het oog hierop heeft de Afdeling er in voormelde uitspraak van 27 december 2018 op gewezen dat de staatssecretaris op de zitting bij de Afdeling voorafgaand aan de verwijzingsuitspraak heeft toegelicht dat hij bij de behandeling van een reguliere aanvraag beoordeelt of hij de desbetreffende referent moet vrijstellen van de verplichting om stabiele en regelmatige inkomsten te hebben en de verplichting om leges te betalen (zie de verwijzingsuitspraak van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1609, onder 12 en 19).’

De rechtbank overweegt allereerst dat uit deze uitspraak in ieder geval niet volgt dat verweerder bij vluchtelingen het middelenvereiste niet mag tegenwerpen als de driemaandentermijn bij een nareisaanvraag is overschreden. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn standpunt dat verweerder beter had moeten motiveren waarom geen sprake is van vrijstelling van het middelenvereiste. Verweerder heeft in het verweerschrift namelijk overwogen dat op grond van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn lidstaten een individuele beoordeling moeten maken. Verweerder heeft hierbij gesteld dat zij een ruime beoordelingsmarge hebben bij de toepassing van dit artikel, waarbij zij zijn gebonden aan artikel 8 van het EVRM en artikel 7 van het Handvest. Verweerder heeft gesteld dat de belangen zijn meegewogen en afgewogen tegen de belangen van de Nederlandse staat, waaronder de omstandigheid dat referente niet voldoet aan het middelenvereiste. Verweerder heeft benadrukt dat het voor referente niet onmogelijk is om in de toekomst aan het middelenvereiste te voldoen en dat het van referente verwacht mag worden dat zij een baan gaat zoeken, nu zij al sinds 2021 in Nederland is en sinds augustus 2022 een verblijfsvergunning heeft. De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat verweerder wel een individuele beoordeling heeft gemaakt ten aanzien van de vrijstelling van het middelenvereiste en acht deze beoordeling ook voldoende. Voor zover eiser er op heeft gewezen dat deze individuele beoordeling pas in het verweerschrift is gemaakt, volgt de rechtbank eiser niet. Verweerder heeft weliswaar in het verweerschrift de individuele beoordeling nader toegelicht, maar heeft ook in het bestreden besluit al de belangen gewogen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het middelenvereiste aan eiser heeft kunnen tegenwerpen.

Belangenafweging van artikel 8 van het EVRM

Eiser voert aan dat verweerder in de belangenafweging van artikel 8 van het EVRM ten onrechte het belang van de Nederlandse staat zwaarder heeft laten wegen dan het belang van eiser. Eiser wijst erop dat verweerder in het bestreden besluit heeft verwezen naar de belangenafweging in het primaire besluit. In het primaire besluit was echter de TBC-verklaring nog niet meegenomen in de belangenafweging. Volgens eiser moet verweerder daarom een nieuwe belangenafweging maken.

De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat tussen eiser en referente sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. In geschil is wel of verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiser mocht laten uitvallen. Wanneer een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM, dient de rechtbank eerst te toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient de rechtbank te toetsen of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De vraag of alle feiten en omstandigheden zijn betrokken, moet de rechtbank zonder terughoudendheid (vol) toetsen. De uitkomst van de gemaakte belangenafweging dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dat betekent onder meer dat de rechtbank het gewicht dat verweerder aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins terughoudend moet toetsen.

De rechtbank overweegt als volgt. Op pagina 2 van het bestreden besluit staat dat de afwijzingsgrond van de TBC-verklaring is komen te vervallen, omdat eiser in bezwaar alsnog het TBC-formulier heeft overgelegd. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat dit punt ook betrekking heeft op de belangenafweging en dat de TBC-verklaring aan eiser niet meer is tegengeworpen. De rechtbank is van oordeel dat dit duidelijker uit de belangenafweging in het bestreden besluit had moeten blijken. Daarmee is sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, nu aannemelijk is dat eiser door het gebrek niet in zijn belangen is geschaad. Naar het oordeel van de rechtbank is na de toelichting van de gemachtigde van verweerder op de zitting voldoende duidelijk dat verweerder het TBC-vereiste eiser niet meer heeft tegengeworpen, ook niet in de belangenafweging. Verweerder hoeft geen nieuwe belangenafweging te maken.

Eiser voert verder aan dat er voor referente objectieve belemmeringen bestaan om zich bij eiser in Uganda te vestigen. Eiser heeft niet een zodanige sterke verblijfsstatus en te weinig inkomen om referente te kunnen ontvangen en onderhouden.

De rechtbank volgt eiser niet in deze beroepsgrond. De rechtbank volgt verweerder in zijn oordeel dat er geen objectieve belemmeringen bestaan voor referente om zich bij eiser in Uganda te vestigen, aangezien eiser zijn stellingen op dit punt niet heeft onderbouwd.

Schending van de hoorplicht

Eiser voert aan dat verweerder referente had moeten horen, zodat meer inzicht kon worden gekregen in de situatie van eiser en referente.

Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan, ook gelet op de verschillende functies van de hoorzitting, zoals het in onderling overleg komen tot een oplossing.

De rechtbank stelt vast dat eiser in bezwaar de intentieverklaring TBC-onderzoek heeft overgelegd. In het primaire besluit werd eiser nog tegengeworpen dat hij de TBC-verklaring niet heeft overgelegd. In het bestreden besluit is de afwijzingsgrond komen te vervallen. In bezwaar heeft eiser daarnaast een beroep gedaan op het nareisbeleid en verweerder verzocht zijn reguliere mvv-aanvraag aan te merken als een nareisaanvraag. Eiser had dit nog niet eerder aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet hierop, zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Uit hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd en heeft overgelegd was namelijk niet direct duidelijk dat dit niet tot een ander standpunt kon leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Daarmee is sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit.

De rechtbank ziet echter aanleiding om ook dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat eiser door het gebrek niet is benadeeld. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder voldoende duidelijk gemaakt dat verweerder het TBC-vereiste aan eiser niet meer heeft tegengeworpen. Ook is op de zitting uitgebreid het beroep van eiser op het nareisbeleid besproken. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder daarin geen aanleiding hoeven zien om af te zien van de afwijzing van de aanvraag. Het is niet aannemelijk dat verweerder een andersluidend besluit zou hebben genomen als eiser wel zou zijn gehoord.

Conclusie en gevolgen

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiser om een mvv terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk.

Omdat de rechtbank artikel 6:22 van de Awb heeft toegepast, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1,868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P.L.C.M. Ficq

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?