RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.11097
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik)
en
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Bij besluit van 27 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1990 en de Griekse nationaliteit te hebben.
Grondslag van de ophouding
2. Eiser voert aan dat de ophouding op een onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden. Hij is namelijk opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw, terwijl hij ten tijde van de ophouding niet beschikte over een identiteitsdocument. Bovendien heeft hij nooit een identiteitsdocument aan de Vreemdelingenpolitie overgelegd. Ook staat op pagina 4 van de maatregel van bewaring dat eisers identiteit niet bekend is. Volgens eiser leidt dit gebrek tot opheffing van de maatregel.
3. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de ophouding op een onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden. Eiser is opgehouden aansluitend op een strafrechtelijk traject. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat wanneer verweerder bekend is met de in het kader van de strafrechtelijke aanhouding verkregen gegevens over de identiteit van de vreemdeling, maar de vreemdeling bij de ophouding niet over enig identificerend document beschikt, verweerder de vreemdeling op grond van het tweede óf derde lid van artikel 50 van de Vw mag ophouden. Verweerder heeft eiser dan ook kunnen ophouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw.
Maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat deze wordt gevorderd door het belang van de openbare orde, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
En als lichte gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
5. Eiser betwist de zware grond 3i en de lichte grond 4c. Hiertoe voert hij aan dat uit het vertrekgesprek van 4 maart 2026 blijkt dat hij wil meewerken aan zijn terugkeer naar Griekenland. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van voorgeleiding na aanhouding dat hij nog staat ingeschreven in de BRP.
6. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat voor het opleggen van de overige in de maatregel genoemde zware gronden alleen is vereist dat deze gronden feitelijk juist zijn en dat verweerder daarop – als dat het geval is – geen nadere toelichting hoeft te geven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware gronden 3b en 3c aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Bij besluit van 8 september 2025, welke aan eiser is uitgereikt op 24 september 2025, heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van het Unierecht en dat hij het grondgebied binnen een maand moet verlaten. Eiser heeft geen gevolg gegeven aan deze vertrekplicht. Eiser heeft vervolgens geen melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf. Deze zware gronden zijn dan ook feitelijk juist en kunnen de maatregel van bewaring dragen. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een risico aangenomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De in rechtsoverweging 5 vermelde beroepsgronden behoeven daarom geen verdere bespreking.
Zicht op uitzetting
7. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting is, omdat er een openstaande strafzaak loopt. Uit verweerders aanbiedingsbrief van 10 maart 2026 blijkt dat het OM geen bezwaar heeft tegen eisers vertrek. Er is echter geen sprake van expliciete toestemming, omdat op de brief van verweerder van 2 maart 2026 aan het OM geen antwoord is ontvangen.
8. Uit paragraaf A3/6.3, aanhef en onder c, van de Vc volgt dat de uitzetting van een vreemdeling niet plaatsvindt als hij als verdachte van een strafbaar feit is aangehouden en het strafonderzoek door het OM niet is beëindigd. Verweerder mag wel tot uitzetting overgaan als het OM of het CJIB hiertegen binnen drie werkdagen geen bezwaar maakt. Expliciete toestemming is dus niet vereist. De rechtbank is daarom van oordeel dat er zicht op uitzetting is. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
9. Verder voert eiser aan dat kan worden volstaan met een lichter middel. Eiser heeft een heroïneverslaving gehad en gebruikt methadon, waardoor het voor hem moeilijk is om in detentie te verblijven. Daarnaast heeft hij zelf een paspoort aangevraagd. Hij kan daarom zelf naar Griekenland vertrekken.
10. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, is een risico op onttrekking aan het toezicht gegeven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om dit risico te ondervangen.. Daartoe is van belang dat eiser zich niet aan zijn vertrekplicht heeft gehouden. Dat eiser zelf een paspoort heeft aangevraagd en naar Griekenland kan vertrekken, doet hier niet aan af. Daarnaast blijkt uit de maatregel van bewaring dat verweerder eisers medische situatie heeft betrokken bij zijn afweging om al dan niet een lichter middel toe te passen. Eiser heeft in het detentiecentrum toegang tot medische zorg die gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Verweerder heeft tot slot voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken.
Non-refoulement
11. Tot slot voert eiser onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 23 februari 2026 aan dat verweerder de maatregel van bewaring niet kenbaar heeft getoetst aan het beginsel van non-refoulement, neergelegd in artikel 4 van het Handvest.
12. De rechtbank overweegt dat uit het Unierecht volgt en zoals het Hof dit in het arrest van 4 september 2025 in de zaak Adrar heeft verduidelijkt, dat de bewaringsrechter, zo nodig ambtshalve, moet nagaan of de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement in de weg staan aan de uitvoering van het terugkeerbesluit. De Afdeling is in de uitspraak van 12 februari 2026 ingegaan op de gevolgen van het arrest Adrar voor de nationale rechter die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. Uit deze uitspraak volgt onder meer dat de bewaringsrechter moet beoordelen of verweerder op het moment van oplegging van de maatregel van bewaring heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich al dan niet tegen de uitzetting van de vreemdeling verzet.
13. De rechtbank stelt vast dat zowel het arrest Adrar als hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026 betrekking hebben op de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied van een lidstaat. Daarvan is in onderhavige zaak geen sprake, omdat eiser Unieburger is. Verweerder was dan ook niet gehouden om de maatregel van bewaring te toetsen aan het beginsel van non-refoulement. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toets
14. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 17 maart 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in
aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van
geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.