RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
de minister van Buitenlandse Zaken,
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.42107 (beroep)
NL25.42109 en NL25.43686 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
geboren op [geboortedag] 2001, van Marokkaanse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. A. El Yahiaoui),
en
(gemachtigde: mr. K.J. Wouda).
Procesverloop
1. Met het primaire besluit van 5 augustus 2022 heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een faciliterend visum op grond van artikel 20 van het VWEU afgewezen.
Met het besluit van 26 oktober 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Met een uitspraak van 18 april 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, het beroep van eiser tegen dit besluit gegrond verklaard omdat eiser en referent in de bezwaarfase niet zijn gehoord. De rechtbank heeft het besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen 10 weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser.
Met het bestreden besluit van 7 augustus 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter tweemaal verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna rechtbank) heeft het beroep en de verzoeken op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. A.A. Agayev als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser was niet aanwezig.
Totstandkoming van het bestreden besluit
Achtergrond
2. Eiser is geboren op [geboortedag] 2001 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser beoogt verblijf in Nederland bij zijn moeder ( [persoon 1] , referent). Ook zijn vader, minderjarige broer en zus wonen in Nederland. Zij hebben de Nederlandse nationaliteit. Zijn moeder beschikt over een van haar minderjarige Nederlandse kinderen afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU. Op 15 maart 2018 en
8 november 2018 heeft eiser, destijds nog minderjarig, een machtiging tot voorlopig verblijf met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ aangevraagd. Verweerder heeft deze beide aanvragen afgewezen. Deze afwijzingen staan in rechte vast.
3. Op 27 mei 2022 heeft eiser, inmiddels meerderjarig, onderhavige aanvraag voor een faciliterend visum op grond van artikel 20 van het VWEU ingediend. Daarbij doet hij een beroep op het arrest van het Hof van 10 mei 2017 in de zaak Chavez-Vilchez en de uitspraak van de Afdeling van 10 september 2021.
Besluitvorming
4. Bij het primaire besluit is de aanvraag afgewezen. Na de uitspraak van de rechtbank heeft verweerder referent op 8 juli 2025 gehoord. In het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Afgifte van een faciliterend visum vindt enkel plaats als in Nederland een geslaagd beroep op toetsing aan artikel 9, eerste lid, van de Vw kan plaatsvinden. Dat is hier niet het geval. Volgens verweerder voldoet eiser namelijk niet aan de voorwaarden voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU op grond van het arrest Chavez-Vilchez en de door eiser genoemde jurisprudentie. Eiser is namelijk niet minderjarig. Gelet op de meerderjarigheid van eiser heeft verweerder tevens getoetst aan het arrest K.A. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op het arrest K.A. evenmin slaagt, omdat niet gebleken is dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en referent dat zij op geen enkele wijze van elkaar kunnen worden gescheiden.
Beoordeling door de rechtbank
Vrijstelling griffierecht
5. Eiser heeft het verzoek gedaan om van de betaling van het griffierecht te worden vrijgesteld. De rechtbank heeft dit verzoek voorlopig toegewezen. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom definitief toegewezen.
Beoordeling van het beroep
6. Op de zitting heeft eiser het verzoek om een voorlopige voorziening met nummer NL25.43686 ingetrokken.
Is sprake van een afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in het arrest K.A.?
7. Uit het arrest K.A. van het Hof volgt dat volwassenen – anders dan minderjarigen – in beginsel in staat worden geacht om hun leven onafhankelijk van hun familieleden te leiden. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt bij twee volwassen familieleden een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU aangenomen. Daarvoor is vereist dat tussen twee volwassen familieleden een afhankelijkheidsverhouding bestaat waarbij het ene familielid, gelet op alle relevante omstandigheden, op geen enkele wijze kan worden gescheiden van het andere familielid van wie hij afhankelijk is.
8. Eiser stelt dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen hem en zijn moeder als bedoeld in het arrest K.A. en dat verweerder de ernst van de situatie heeft miskend. Eiser heeft epilepsie en stelt afhankelijk te zijn van zijn moeder voor het innemen van zijn medicatie. Het niet innemen van deze medicatie heeft ernstige gevolgen voor zijn gezondheidstoestand. Nu de tante van eiser is verhuisd naar een andere stad, is er niemand meer in Marokko die de zorg voor eiser op zich kan nemen. Hierdoor wordt de moeder van eiser (met haar minderjarige Unieburger-kinderen) verplicht om het grondgebied van de Unie te verlaten als eiser geen verblijfsrecht wordt toegekend. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser verklaringen overgelegd van een neuroloog (dr. [persoon 2] ) van
4 september 2019, een orthopeed (dr. [persoon 3] ), zijn tante, referent en een teamlid van [bedrijf] . Verder heeft eiser geldtransacties, ID bewijzen van familie, foto’s van eiser (met zijn familie), boottickets en Whatsapp-gesprekken overgelegd. Eiser stelt dat uit deze stukken blijkt dat zijn moeder voortdurend betrokken is bij zijn zorg.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft aangenomen dat eiser met al deze stukken, in samenhang bezien, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij op geen enkele wijze kan worden gescheiden van zijn moeder omdat hij afhankelijk van haar zou zijn. Uit de verklaring van de neuroloog blijkt dat eiser juveniele myoclonus epilepsie (JME) heeft en dat hij daarvoor in 2019 medicatie (Natriumvalproaat) voorgeschreven heeft gekregen. Anders dan eiser stelt, maakt de omstandigheid dat verweerder de diagnose JME niet heeft betwist, niet dat dat daarmee aannemelijk is gemaakt dat eiser niet gescheiden kan leven van zijn moeder. De gestelde toegenomen ernst van de medische situatie is namelijk niet onderbouwd met medisch objectiveerbare stukken, nu het enige en laatste stuk van de neuroloog van 2019 dateert. De overgelegde verklaringen van de orthopeed dr. [persoon 3] maken het bovenstaande niet anders, nu niet is gebleken dat hij als orthopeed over voldoende deskundigheid beschikt om iets over eisers epilepsie te zeggen. Verder is op de zitting besproken dat eisers epilepsie onder controle kan worden gehouden door het slikken van medicatie. De gemachtigde van eiser heeft echter niet kunnen toelichten wat de reden is dat eiser zijn medicatie niet zelf niet kan innemen. De overgelegde foto’s waarop moeder medicatie aan eiser overhandigt, zijn hiervoor onvoldoende. Hierdoor is niet aannemelijk gemaakt dat de moeder van eiser voor de dagelijkse zorg voor eiser aanwezig dient te zijn.
Hoewel invoelbaar is dat eiser en zijn familie elkaar missen en bij elkaar willen wonen, volstaat de enkele wens van het bewaren van de eenheid van de familie niet bij het beoordelen van de gestelde afhankelijkheid.
Zorgvuldigheid gehoor en eerlijk proces
9. Eiser heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het ambtelijk gehoor onzorgvuldig is geweest en dat niet duidelijk was welke stukken ten aanzien van de afhankelijkheidsrelatie in het kader van arrest K.A. moesten worden overgelegd. Hierdoor is hem de kans ontnomen om de twijfel bij verweerder op dit punt weg te nemen. Hij stelt daarom dat hij geen eerlijk proces heeft gehad.
De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat een situatie als bedoeld in arrest K.A. zich voordoet. Het had dan ook op de weg van (de gemachtigde van) eiser geleden om relevante stukken over te leggen om de gestelde afhankelijkheid aannemelijk te maken. Dat dit niet is gebeurd komt voor eisers rekening en risico. In het verslag van het gehoor staat dat meermaals is aangegeven dat eiser met betrekking tot de gestelde afhankelijkheid maar had moeten overleggen, namelijk op blz. 2
(“Ik stel u in de gelegenheid om nader toe te lichten en met daartoe strekkende bewijsstukken te onderbouwen dat er tussen de meerderjarige vreemdeling en zijn moeder een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat toekenning van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU aan de vreemdeling is gerechtvaardigd.”), op blz. 3 (“Mijn vraag aan u is of u nader kunt toelichten en eventueel met bewijsstukken kunt onderbouwen dat tussen u en de meerderjarige vreemdeling, [eiser] , sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat een scheiding niet mogelijk is en toekenning van het verblijfsrecht noodzakelijk is op basis van dit arrest.”) en op blz. 4 (“Ja, maar zoals al eerder bleek, ligt het toetsingskader bij de voorwaarden die zijn aangegeven in het arrest K.A. De afhankelijkheidsrelatie moet worden aangetoond. Het is aan u, dan wel gemachtigde, om duidelijk te maken waaruit die afhankelijkheidsrelatie blijkt.”). Het was naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende duidelijk tijdens het gehoor dat nadere stukken ter onderbouwing van de afhankelijkheid moesten worden overgelegd. Van een onzorgvuldig gehoor of een oneerlijk proces is dan ook geen sprake.
Had verweerder ambtshalve moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM?
10. Eiser voert aan dat het niet begrijpelijk is waarom verweerder niet toetst aan de voorwaarden voor artikel 8 van het EVRM. Verweerder dient te motiveren waarom hij geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid om eiser ambtshalve een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM te verlenen.
De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft een faciliterend visum aangevraagd voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van het arrest K.A. De rechtbank wijst erop dat afgifte van een dergelijk faciliterend visum plaatsvindt op grond van de Verblijfsrichtlijn in samenhang met artikel 20 van het VWEU. Een beoordeling van het recht op bescherming van het gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM valt buiten de reikwijdte van een faciliterend visum. De rechtbank is van oordeel dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat in deze procedure over een faciliterend visum niet wordt getoetst aan artikel 8 van het EVRM en dat, als eiser beoordeeld wil zien of hij aanspraak maakt op verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM, hij een daartoe strekkende aanvraag moet indienen.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen aanleiding meer. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.42107;
- verklaart het beroep ongegrond;
in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.42109;
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.