RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1], V-nummer: [nummer 1]
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.23570
[eiser 2], V-nummer: [nummer 2]
[eiser 3], V-nummer: [nummer 3]
[eiser 4], V-nummer: [nummer 4]
[eiser 5] V-nummer: [nummer 5]
[eiser 6], V-nummer: [nummer 6]
[eiser 7], V-nummer: [nummer 7],
eisers,
(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Procesverloop
[naam 1] (referent) heeft ten behoeve van eisers aanvragen ingediend voor een machtiging tot voorlopige verblijf (mvv) in het kader van nareis. Verweerder heeft deze aanvragen met het besluit van 8 december 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van
13 mei 2024 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] (referent), de gemachtigde van eisers, [naam 2] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Inleiding
1. Eisers en referent stellen de Eritrese nationaliteit te hebben. Referent is op 27 februari 2019 samen met zijn toenmalige echtgenote [naam 3] en hun gezamenlijke kinderen [naam 4] en [naam 5] op een nareisvergunning naar Nederland gereisd. Zij beoogden verblijf bij de zoon van referent [naam 6]. In Nederland zijn zij als gezin gaan samenwonen. In Nederland is referent van [naam 3] gescheiden. Referent heeft vervolgens een zelfstandige asielvergunning in Nederland aangevraagd, die op 15 april 2021 aan hem is verleend. Op 9 juli 2021 heeft referent de onderhavige mvv-aanvragen ingediend ten behoeve van eisers. Referent stelt dat eisers zijn biologische kinderen zijn. De gestelde moeders van deze kinderen zijn [naam 7] en [naam 8], met wie referent tijdens de relatie met zijn ex-echtgenote - naar gesteld - ook relaties onderhield. Referent stelt dat zijn zoon [eiser 1] inmiddels is gevlucht uit Eritrea en in een vluchtelingenkamp in Ethiopië verblijft. Zijn dochter [eiser 2] is volgens referent ondergedoken bij een familielid van haar moeder.
Het bestreden besluit
2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat referent de gestelde identiteit en de familierechtelijke relatie met eisers niet aannemelijk heeft gemaakt. Hoewel het ontbreken van officiële identificerende documenten niet aan eisers kan worden verweten, wordt hen niet het voordeel van de twijfel gegeven. Aan de overgelegde doopakten en cijferlijsten wordt geen bewijswaarde toegekend omdat uit onderzoek van Bureau Documenten (BD) is gebleken dat deze documenten hoogstwaarschijnlijk respectievelijk met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven, terwijl referent onvoldoende heeft kunnen verklaren hoe dit komt. Gelet hierop is sprake van een contra-indicatie. Er wordt geen aanleiding gezien om nader onderzoek te doen naar de familierechtelijke relatie tussen referent en eisers, omdat referent niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een feitelijke gezinsband. Referent was op het peilmoment (het moment van zijn binnenkomst in Nederland) gehuwd met een andere vrouw dan de moeders van eisers. Hij vormde op dat moment met die vrouw en met hun beider kinderen een kerngezin. Dat referent in Nederland is gescheiden en hij inmiddels een zelfstandige asielvergunning heeft, maakt het voorgaande niet anders. Nu op het eerste peilmoment geen sprake was van een feitelijke gezinsband, hoeft niet te worden beoordeeld of hiervan later, toen het besluit op de aanvragen werd genomen, wel sprake was. Referent heeft verder ook niet aannemelijk gemaakt dat er voor zijn binnenkomst in Nederland sprake was van een feitelijke gezinsband met eisers. Tot slot heeft verweerder overwogen dat niet is aangetoond dat de gestelde moeders van eisers toestemming hebben gegeven om eisers naar Nederland te laten komen.
De beroepsgronden
3. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte de identiteit en de familierechtelijke relatie met referent niet aannemelijk heeft geacht. Daartoe stellen zij dat de overgelegde doopaktes originele aktes zijn die referent uit Eritrea heeft laten overkomen. De naam van referent staat in bijna alle aktes, omdat hij de biologische vader is van de kinderen. Verweerder heeft daarnaast ten onrechte tegengeworpen dat er geen sprake is van een feitelijke gezinsband. Referent zat tijdens zijn verblijf in Eritrea in het leger, waardoor hij enkel tijdens perioden dat hij verlof had contact met eisers kon onderhouden. Als referent geen verlof kon krijgen, kwamen de moeders met zijn kinderen bij hem op bezoek. Vanwege zijn werk was het voor referent onmogelijk om meer tijd met zijn kinderen door te brengen.
Referent heeft nog regelmatig telefonisch contact met zijn kinderen. Tevens heeft referent nog contact met moeder [naam 7] over hun gemeenschappelijke kinderen. Referent wijst erop dat zij toestemming heeft gegeven om de kinderen naar Nederland te laten
komen. [naam 7] is langdurig ziek en kan hierdoor steeds moeilijker voor de kinderen zorgen. Referent is in Nederland gescheiden van [naam 3]. Eisers verblijven al enige tijd in Addis Abeba in Ethiopië. Begin april 2025 zijn zij opgepakt bij een razzia. Na het betalen van geld zijn zij vrijgelaten.
Beoordeling door de rechtbank
Verweerder heeft eisers niet tegengeworpen dat geen officiële identiteitsdocumenten zijn overgelegd. Verweerder heeft beoordeeld of het voordeel van de twijfel aan eisers kan worden gegeven, waar het gaat om de vaststelling van de identiteit en de familierechtelijke relatie tussen referent, en of aan eisers nader onderzoek moet worden aangeboden, bijvoorbeeld in de vorm van een DNA-onderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat er geen aanleiding is om het voordeel van de twijfel te geven of om nader onderzoek aan eisers en referent aan te bieden.
Verweerder heeft daarbij in de eerste plaats van belang kunnen achten dat BD op
13 juni 2022 heeft geconstateerd dat de opmaak en afgifte van de door referent overgelegde doopaktes afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal, waardoor deze documenten hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven, en dat ook de ingebrachte cijferlijsten afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal, waardoor die documenten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Eisers hebben geen concrete aanknopingspunten verstrekt op basis waarvan getwijfeld kan worden aan de bevindingen en conclusies van BD. De enkele stelling in beroep dat de doopaktes origineel zijn en dat referent de biologische vader is van eisers, is daartoe onvoldoende. Nu eisers ook geen contra-expertise hebben ingebracht om het rapport van BD inhoudelijk te bestrijden, heeft verweerder de conclusies van BD kunnen volgen en het rapport aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen.
Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er op het peilmoment sprake was van een feitelijke gezinsband met referent en dat ook niet is gebleken dat referent voor zijn komst naar Nederland feitelijk invulling gaf aan de gezinsband met eisers. Op het peilmoment (de binnenkomst van referent in Nederland) was referent gehuwd met [naam 3]. Hij kwam op basis van nareis samen met haar en hun gezamenlijke kinderen als kerngezin naar Nederland om hier te verblijven bij zijn zoon [naam 6], terwijl eisers met hun moeders in Eritrea achterbleven. De rechtbank kan verweerder erin volgen dat referent hiermee te kennen heeft gegeven dat ten tijde van zijn inreis de gezinsband met [naam 3] en hun beider kinderen prevaleerde boven andere (mogelijke) gezinsbanden. Dat referent inmiddels is gescheiden van [naam 3] en thans wenst dat eisers bij hem in Nederland komen wonen, doet aan het ontbreken van de feitelijke gezinsband met eisers op het peilmoment niet af. Verweerder heeft verder kunnen overwegen dat ook niet aannemelijk is gemaakt dat voor de komst van referent naar Nederland er een feitelijke gezinsband met eisers bestond. Eisers zijn niet uit een huwelijk of een aan een huwelijk gelijk te stellen partnerschap geboren, waardoor niet direct sprake is van een feitelijke gezinsband. Verweerder heeft aan de hand van de verklaringen van referent over de feitelijke invulling van de gestelde gezinsband kunnen concluderen dat referent in Eritrea niet op een dusdanige wijze invulling heeft gegeven aan de gezinsband met eisers dat gesproken kan worden van een feitelijke gezinsband. Daarbij heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat eisers tijdens het verblijf van referent in Eritrea altijd hebben verbleven bij hun moeders, die hen dus als hun hoofdverzorgers hebben verzorgd en opgevoed. Referent heeft nooit met (een of meer) eisers samengewoond en heeft slechts in beperkte mate contact met hen gehad. Niet is gebleken dat referent actief betrokken is geweest bij het leven van eisers, dat er een gemeenschappelijke huishouding is gevoerd, dat hij ouderlijke verantwoordelijkheden heeft gehad of dat hij als ouder regelmatig tijd met de kinderen heeft doorgebracht. Dat het contact bemoeilijkt werd door het werk van referent in het leger, laat onverlet dat er slechts zeer beperkt contact is geweest. Referent heeft zelf ook verklaard dat de grote afstand en het gebrek van financiële middelen het lastig maakten om met regelmaat eisers te bezoeken. Dat referent zich wel verantwoordelijkheid voelt voor eisers, zoals hij stelt, maakt de genoemde feitelijke situatie niet anders. De stelling dat referent in Nederland telefonisch contact met eisers onderhoudt, leidt evenmin tot de conclusie dat verweerder wel een feitelijke gezinsband aan dient te nemen. Nu ten tijde van de binnenkomst van referent in Nederland geen sprake was van een feitelijke gezinsband, heeft verweerder niet hoeven beoordelen of hier op een later moment wel sprake van is geweest.
Verweerder heeft verder terecht tegengeworpen dat niet is gebleken dat de gestelde moeders toestemming hebben gegeven om hun kinderen naar Nederland te laten reizen. Referent heeft weliswaar toestemmingsverklaringen en identiteitskaarten van de gestelde biologische moeders overgelegd, maar op de identiteitskaarten ontbreken de handtekeningen, zodat deze niet kunnen worden vergeleken met de handtekeningen op de toestemmingsverklaringen.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat niet aan de voorwaarden voor nareis wordt voldaan. De mvv-aanvragen zijn dan ook terecht afgewezen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand. Eisers krijgen daarom geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.