ECLI:NL:RBDHA:2026:571

ECLI:NL:RBDHA:2026:571, Rechtbank Den Haag, 14-01-2026, NL25.43654

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 14-01-2026
Datum publicatie 14-01-2026
Zaaknummer NL25.43654
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Voorlopige voorziening. Tijdelijke bescherming niet-Oekraïense derdelanders. Beroep geen redelijke kans van slagen. Verzoek afgewezen

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam] , verzoeker,

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.43654

geboren op [geboortedatum] ,

van Nigeriaanse nationaliteit,

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),

en

(gemachtigde: mr. Y.D. Ancion).

1. Met deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker, dat samenhangt met zijn beroep gericht tegen het aan verzoeker opgelegde terugkeerbesluit.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Aan verzoeker is op 13 augustus 2025 een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken (ingaande op 4 september 2025).

Verzoeker heeft op 9 september 2025 beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op 13 januari 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om met spoed uitspraak te doen op het verzoek om een voorlopige voorziening, omdat zijn recht op gemeentelijke opvang wordt beëindigd. Verzoeker wil met zijn verzoek onder meer bewerkstelligen dat hij zijn verblijf in de gemeentelijke opvang kan voortzetten.

De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

In verband met het spoedeisende karakter van dit verzoek om een voorlopige voorziening doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Is er een spoedeisend belang?

3. Verzoeker stelt dat hij de gemeentelijke opvang op 14 januari 2026 moet verlaten. Van deze beëindiging van de opvang kan hij geen schriftelijke bevestiging krijgen. Dit neemt echter niet weg dat er sprake is van een spoedeisend belang.

Uit telefonisch contact op 13 januari 2026 met de gemeente Leeuwarden is gebleken dat verzoeker inderdaad de gemeentelijke opvang op 14 januari 2026 diende te verlaten. De gemeente heeft in dit telefonisch contact eveneens aangegeven dat verzoeker nog een dag langer tot de opvang zal worden toegelaten en dat hij op 15 januari 2026 de opvang dient te verlaten. Gelet op het voorgaande stelt de voorzieningenrechter dan ook vast dat er een spoedeisend belang is.

Heeft het beroep een redelijke kans van slagen?

4. Verzoeker had in Nederland recht op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (RTB). Dat recht is beëindigd op 4 maart 2024. Verzoeker had op grond van een tijdelijke bevriezingsmaatregel recht op opvang en recht om te werken tot 4 september 2025. Op 13 augustus 2025 heeft de minister het terugkeerbesluit genomen, inhoudende dat verzoeker vanaf 4 september 2025 vier weken de tijd heeft om te vertrekken uit Nederland en de Europese Unie.

5. Op 1 oktober 2025 heeft verzoeker een aanvraag ingediend om toepassing van artikel 64 van de Vw.

6. Verzoeker beoogt met de voorlopige voorziening dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden geschorst en hij hangende de beslissing op het beroep tegen het terugkeerbesluit dan wel gedurende de lopende aanvraag op grond van artikel 64 van de Vw het recht behoudt op opvang in het kader van de Rva, dan wel op een andere grond. Ook verzoekt hij de voorzieningenrechter te bepalen dat hij voorzien moet blijven van de noodzakelijke medische zorg, waaronder de voorgeschreven medicatie, totdat op het beroep tegen het terugkeerbesluit dan wel op de lopende aanvraag op grond van artikel 64 van de Vw is beslist.

7. De rechtbank stelt vast dat de voorlopige voorziening is ingediend connex aan het beroep dat is gericht tegen het opleggen van een terugkeerbesluit. Verzoeker kan daarom niet bereiken dat hij onder meer zijn recht op opvang behoudt gedurende de lopende aanvraag op grond van artikel 64 van de Vw, vanwege het ontbreken van connexiteit. De voorzieningenrechter zal hieronder beoordelen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft.

8. Verzoeker betoogt allereerst dat het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden, omdat de minister niet zorgvuldig heeft getoetst of verzoeker bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op ernstige schade.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker in de gronden van beroep onvoldoende heeft onderbouwd waarom bij terugkeer naar Nigeria sprake zal zijn van schending van artikel 3 van het EVRM. Voor zover verzoeker heeft gewezen op zijn gezondheidsproblemen, overweegt de rechtbank dat de minister zich in het besluit ten aanzien van de aanvraag op grond van artikel 64 van de Vw zal moeten uitlaten over de medische problemen. De voorzieningenrechter acht het niet onzorgvuldig dat de minister de beoordeling of op basis van verzoekers medische situatie een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM aannemelijk is, zal verrichten in het besluit op de aanvraag om uitstel van vertrek.

9. Verzoeker stelt zich verder op het standpunt dat het terugkeerbesluit onrechtmatig is aangezien de minister geen (deugdelijke) belangenafweging heeft gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM. Daarnaast is ten onrechte niet op grond van artikel 22, tweede lid, van de RTB onderzocht of er dwingende redenen van humanitaire aard bestaan die terugkeer onmogelijk of onredelijk maken.

De voorzieningenrechter overweegt dat uit de RTB niet voortvloeit dat de minister bij de uitvoering hiervan ook ambtshalve moet beoordelen of een vreemdeling in aanmerking komt voor verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM. Een ambtshalve toetsing aan artikel 8 van het EVRM verhoudt zich ook niet goed tot de aard van de RTB en de mogelijkheid om snel beslissingen te nemen ter voorkoming van het overbelasten van de asielstelsels. Wanneer verzoeker meent dat hij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op familie- of gezinsleven dan wel privéleven, zoals dat volgt uit artikel 8 van het EVRM, kan hij een daartoe strekkende aanvraag indienen. Uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn volgt weliswaar dat rekening wordt gehouden met familie- en gezinsleven, maar de door verzoeker aangedragen omstandigheden zijn daartoe onvoldoende.

Het beroep van verzoeker op artikel 22, tweede lid, van de RTB kan evenmin slagen. Op grond van deze bepaling is een lidstaat in geval van gedwongen terugkeer gehouden te onderzoeken of sprake is van dwingende redenen van humanitaire aard die terugkeer onmogelijk of onredelijk zouden kunnen maken. In het geval van verzoeker is van een op handen zijnde gedwongen terugkeer echter geen sprake.

10. Verzoeker betoogt daarnaast dat er tijdens de bevriezingsmaatregel geen terugkeerbesluit mocht worden opgelegd.

Naar aanleiding van prejudiciële vragen zijn de gevolgen van de beëindiging van de tijdelijke bescherming bevroren in afwachting van beantwoording van deze vragen. Deze maatregel is op 4 september 2025 stopgezet. Op 13 augustus 2025 was enkel (nog) sprake van een bevriezingsmaatregel die ertoe diende om, ondanks de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024, de prejudiciële vragen af te wachten. De voorzieningenrechter ziet hierin geen situatie waarin geen terugkeerbesluit kon worden opgelegd.

11. Verzoeker betoogt verder dat de minister de hoorplicht heeft geschonden.

Dat verzoeker ten onrechte niet is gehoord voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit volgt de voorzieningenrechter niet. Verzoeker is met het indienen van de zienswijze in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt uiteen te zetten. Daarmee is voldaan aan het doel van de hoorplicht, dat erin bestaat de vreemdeling voor het nemen van het besluit de gelegenheid te geven zijn standpunt toe te lichten.

12. Verzoeker voert tot slot aan dat er geen terugkeerbesluit kon worden opgelegd, omdat het opleggen van het terugkeerbesluit onverenigbaar is met het lopende onderzoek naar de vraag of vertrek om medische redenen tijdelijk onmogelijk is.

De minister heeft op 13 augustus 2025 een terugkeerbesluit opgelegd. De op

1 oktober door verzoeker ingediende aanvraag tot uitstel van vertrek schort de vertrekplicht van verzoeker niet op. Ook heeft hij geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 van de Vw. Dat het opgelegde terugkeerbesluit onverenigbaar zou zijn met de lopende aanvraag om uitstel van vertrek, volgt de voorzieningenrechter dan ook niet.

Is er sprake van zwaarwegende belangen?

13. Verzoeker voert aan dat hij ernstige gezondheidsrisico’s loopt als hij uit de gemeentelijke opvang moet vertrekken. Hij verwijst naar een brief van de apotheek, waaruit zou blijken dat hij geen toegang krijgt tot essentiële medicatie.

In hetgeen verzoeker in dit verband heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen zwaarwegende belangen die moeten leiden tot toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat uit de door verzoeker overgelegde brief van de apotheek blijkt dat verzoeker (al) sinds 4 september 2025 geen ziektekostenverzekering meer heeft. Niet is onderbouwd waarom dit nu, enkele maanden later, een zwaarwegend belang oplevert op grond waarvan het verzoek om voorlopige voorziening zou moeten worden toegewezen.

Conclusie en gevolgen

14. Gelet op al het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het beroep van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Y. van Wijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?