ECLI:NL:RBDHA:2026:5713

ECLI:NL:RBDHA:2026:5713

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 17-03-2026
Zaaknummer NL26.11077 en NL26.11626
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Beroep tegen verlengingsbesluit en (ambtshalve) voortduren van de bewaring op grond van artikel 59-1-a Vw. Aan de vereisten voor het verlengen van de maximale duur van de bewaring is voldaan. Ook het voortduren van de maatregel is rechtmatig. Beroepen ongegrond.

Uitspraak

[naam], eiser,

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Inleiding

1. De minister heeft op 15 augustus 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Bij besluit van 4 februari 2026 heeft de minister de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd.

Eiser heeft tegen het verlengingsbesluit beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer NL26.11077.

De rechtbank merkt het beroep tegen het verlengingsbesluit ambtshalve aan als zijnde ook gericht tegen het voortduren van de maatregel. Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer NL26.11626.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

Toetsingskader

2. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw of bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel.

Op grond van artikel 94, zevende lid, eerste volzin, van de Vw geldt hetzelfde voor het verlengingsbesluit. Voor de verlenging van de maatregel van bewaring geldt verder op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw dat deze maatregel na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden kan worden verlengd als de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering of de daarvoor benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.

De minister moet in het verlengingsbesluit volgens het beleid van de Vc nagaan of er voldaan is aan de voorwaarden voor de verlenging, of er nog voldoende gronden voor de bewaring aanwezig zijn, of de bewaring voor de vreemdeling onevenredig bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat. Als dit voldoende is gemotiveerd, wordt hiermee voldaan aan de vereisten voor het nemen van een verlengingsbesluit.

De te beoordelen periode in beide beroepen

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring eerder heeft getoetst, zoals volgt uit de laatste uitspraak van 29 januari 2026. In dit beroep is daarom van belang wat er sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 23 januari 2026 is gebeurd.

Ook in het kader van het beroep tegen het verlengingsbesluit ligt bij de rechtbank (een deel van) deze periode ter beoordeling voor. De minister heeft immers op 4 februari 2026 besloten om de aan eiser opgelegde maatregel van bewaring met ingang van 11 februari 2026 met twaalf maanden te verlengen. In het kader van het verlengingsbesluit zal de rechtbank moeten te beoordelen of de verlenging rechtmatig is, en toetsen of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat alle redelijke inspanningen ten spijt, de verwijdering vanwege het niet meewerken van eiser meer tijd zal vergen.

De rechtbank zal hieronder eerst ingaan op het verlengingsbesluit. Daarna zal de rechtbank nog afzonderlijk ingaan op het beroep tegen het voortduren van de maatregel. Vanwege de hiervoor genoemde overlap zal de rechtbank daarbij verwijzen naar wat zij in het kader van beide beroepen heeft geoordeeld.

Het verlengingsbesluit

Voorwaarden voor de verlenging van de maatregel

4. Volgens artikel 59, zesde lid, van de Vw mag de maatregel van bewaring met nog eens twaalf maanden worden verlengd als de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of als de benodigde documentatie voor uitzetting nog ontbreekt.

Eiser stelt dat het voor hem niet mogelijk is om documentatie te overleggen omdat hij al tien jaar buiten zijn land van herkomst verblijft. Daarnaast is eiser angstig om contact op te nemen met de autoriteiten van zijn land van herkomst. Zijn houding kan daarom niet worden gezien als niet meewerkend, maar hooguit als passief gefrustreerd.

De rechtbank stelt vast dat eiser heeft geweigerd mee te werken aan de geplande presentaties van 21 oktober 2025 en 26 februari 2026. In alle in het dossier aanwezige vertrekgesprekken geeft eiser daarnaast aan niet mee te willen werken aan zijn uitzetting. In het laatste vertrekgesprek van 24 februari 2026 geeft eiser bijvoorbeeld aan liever in bewaring te blijven dan terug te keren naar Gambia. De minister heeft zich daarom naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat de uitzetting meer tijd zal vergen, nu documentatie ontbreekt en eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting. De stelling dat eiser niet in staat is documentatie over te leggen omdat hij al langere tijd buiten zijn land van herkomst verblijft, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft zelf immers in al die tijd geen enkele actie ondernomen om aan documentatie te komen. Dat hij dit niet kan doen omdat hij bang is, leidt ook niet tot een ander oordeel. Zoals door de minister terecht op de zitting is toegelicht, heeft eiser driemaal asiel aangevraagd zonder dat dit heeft geleid tot het verlenen van een vergunning. Eiser heeft sinds de laatste asielaanvraag van 30 juni 2022 geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht.

Grondslag bewaring en gronden

5. De rechtbank is van oordeel dat eiser nog steeds valt onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Hij heeft geen rechtmatig verblijf en aan hem is op 15 april 2022 een terugkeerbesluit uitgereikt.

6. In het verlengingsbesluit heeft de minister overwogen dat eiser op 15 augustus 2025 in bewaring is gesteld, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft de volgende gronden ten grondslag gelegd aan het besluit tot verlenging van de bewaringstermijn:

(zware gronden)

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

(lichte gronden) 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. Ook ambtshalve toetsend ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen.

Lichter middel

7. Gelet op de gronden die aan de verlenging ten grondslag zijn gelegd en de verklaringen van eiser, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstaat daarom niet om de uitzetting van eiser te verzekeren. Eiser heeft daarnaast geen persoonlijke belangen naar voren gebracht die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend zouden maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel op te leggen.

Voortvarendheid

8. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Er is weinig contact geweest met de Gambiaanse autoriteiten en er is veel tijd verstreken tussen de geplande presentaties in oktober 2025 en februari 2026 waarin de minister geen uitzettingshandelingen heeft verricht.

De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. De minister heeft sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure tweemaal geappelleerd op de lp-aanvraag, namelijk op 29 januari 2026 en 19 februari 2026. Daarnaast is op 26 februari 2026 een tweede presentatie gepland, waaraan eiser overigens opnieuw heeft geweigerd mee te werken. Tot slot heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden op 24 februari 2026.

Zicht op uitzetting

9. Eiser voert dat in de maatregel niet is gemotiveerd waarom nog sprake is van zicht op uitzetting.

Anders dan eiser stelt, wordt op pagina 6 en 7 van het verlengingsbesluit gemotiveerd ingegaan op het zicht op uitzetting. De minister heeft daar terecht overwogen dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Gambia in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2023. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Gambiaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser geen lp zal worden afgegeven. Door de minister is daarbij op de zitting gewezen op een tweetal uitspraken van deze rechtbank. Uit die uitspraken blijkt dat lp-aanvragen bij de Gambiaanse autoriteiten in behandeling blijven, ook nadat de vreemdeling heeft geweigerd mee te werken aan presentaties. Tot slot is van belang dat eiser geen medewerking verleent en het zicht op uitzetting ook daarom in beginsel een gegeven is.

Conclusie

10. Het beroep tegen het verlengingsbesluit is ongegrond.

Het voortduren van de maatregel van bewaring

11. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat het beroep tegen het verlengingsbesluit ongegrond is. Dit betekent dat de maatregel van bewaring in ieder geval rechtmatig voortduurt vanaf 11 februari 2026 (ingangsdatum verlenging). De rechtbank rest dan nog enkel de vraag of de inbewaringstelling al eerder, in de periode tussen het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure op 23 januari 2026 en 11 februari 2026 onrechtmatig is geworden. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding. Zoals al uiteen is gezet onder overweging 8 t/m 9.1, werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser en ontbreekt het zicht op uitzetting niet. De minister moet na zes maanden inbewaringstelling een kenbare belangenafweging maken. Nu eiser sinds 15 augustus 2025 in bewaring zit en de minister op 4 februari 2026 een verlengingsbesluit heeft genomen, is aan dit vereiste voldaan. Naast het verlengingsbesluit hoeft niet nog een aparte verzwaarde belangenafweging plaats te vinden.

Conclusie en gevolgen

12. De beroepsgronden van eiser slagen niet. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het verlengingsbesluit of het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig moeten worden geacht.

13. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist over het verlengingsbesluit hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist over het voortduren van de bewaring geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. Sibma

Griffier

  • mr. H.A. van der Wal

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?