RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam 1] , eiser 1
[naam 2] , eiser 2,
[naam 3] , eiser 3
[naam 4] .
[naam 5] , eiseres 2
[naam 7] ,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.47641, NL25.47642, NL25.54088, NL25.54089, NL25.54090, NL25.54092 en NL25.54093
geboren op [geboortedatum 4] ,
V-nummers: [v-nummer 1] ,
geboren op [geboortedatum 1] ,
V-nummer: [v-nummer 2] ,
geboren op 1 [geboortedatum 2] ,
V-nummer: [v-nummer 3] ,
geboren op [geboortedatum 3] , eiseres 1
V-nummer: [v-nummer 4] ,
geboren op [geboortedatum 5] ,
V-nummer: [v-nummer 5] ,
mede namens haar minderjarige kinderen:
[naam 6] ,
geboren op [geboortedatum 6] ,
V-nummer: [v-nummer 6]
geboren op [geboortedatum 7] ,
V-nummer: [v-nummer 7] ,
allen van Iraakse nationaliteit,
(gemachtigde: mr.M. Rasul),
en
(gemachtigde: mr. K. Nuninga).
1. Deze uitspraak gaat over de beroepen die eiser 1 en eiseres 1 hebben ingesteld omdat de minister niet op tijd op hun asielaanvragen zou hebben beslist en over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvragen van eiser 1 en eiseres 1 niet-ontvankelijk zijn en dat de afwijzingen van de asielaanvragen niet in stand kunnen blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Procesverloop
2. Eisers hebben aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 28 oktober 2025 deze aanvragen afgewezen als ongegrond.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser 1, eiseres 1, eiseres 2, mr. M. Pater, kantoorgenoot van de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. Ook is een tolk verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Beroepen niet tijdig (zaaknummers NL25.47641 en NL25.47642)
3. Een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om tijdig te beslissen en twee weken zijn verstreken na ontvangst van een schriftelijke ingebrekestelling.
De minister moet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.
Eiser 1 en eiseres 1 hebben de asielaanvragen ingediend op 22 maart 2024. De wettelijke beslistermijn is daarmee op 22 september 2025 verstreken. Dat betekent dat de ingebrekestellingen van 10 september 2025 prematuur zijn ingediend. De beroepen voldoen daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen.
De beroepen niet tijdig zijn, gelet op het voorgaande, niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat in deze beroepen geen aanleiding.
Beroepen tegen de afwijzing van de asielaanvragen
Het asielrelaas
4. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Eisers zijn jezidi’s en zijn vanwege de genocide op jezidi’s in 2014 gevlucht naar het vluchtelingenkamp Sharia in de KAR. Daar hebben zij van 2014 tot en met december 2023 verbleven in een tent naast het kamp. Zij hebben discriminatie ervaren. Eiser 1 had geen werk of werd ontslagen zodra men wist dat hij jezidi is. Ook als hij wel werk had werd hij gediscrimineerd. Eiser 1 moest apart eten of kreeg minder betaald. Tevens is hij door een werkgever mishandeld vanwege het feit dat hij jezidi is. Eiser 1 kreeg ook niet de juiste medische zorg vanwege zijn etniciteit en geloof en zijn kinderen werden op school gediscrimineerd. Eiseres 1 heeft te maken gehad met vernederingen op straat. Voor eisers was dit een reden om Irak te verlaten. Zij vrezen dat zij bij terugkeer naar Irak weer door hun islamitische Iraakse medeburgers worden gediscrimineerd omdat zij jezidi zijn.
De bestreden besluiten
5. Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Discriminatie vanwege etniciteit en geloof als jezidi.
De minister acht de beide asielmotieven, de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers en de discriminatie vanwege hun etniciteit en geloof als jezidi, geloofwaardig. Deze geloofwaardig geachte asielmotieven maken volgens de minister echter niet dat eisers bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging hebben dan wel een reëel risico lopen op ernstige schade. De minister heeft daarbij de KAR als normale woon- en verblijfplaats voor eisers aangemerkt omdat zij daar gedurende 9 jaar voor hun vertrek hebben verbleven. De minister heeft de asielaanvragen afgewezen als ongegrond.
Situatie in de ontheemdenkampen
6. Eisers betogen dat de minister het ontheemdenkamp Sharia in de KAR ten onrechte als normale woon- en verblijfplaats heeft aangemerkt. Zij verwijzen daarbij onder meer naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 augustus 2025. Ook wijzen zij op brieven van Vluchtelingenwerk van 29 oktober 2025 inzake de positie van jezidi’s in Irak en van 18 november 2025 inzake de situatie in de ontheemdenkampen. Verder wijzen zij op het thematisch ambtsbericht Irak van november 2025.
In haar uitspraak van 4 februari 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat door de minister niet inzichtelijk is gemotiveerd wat nu heeft gemaakt dat sinds 2024 anders wordt aangekeken tegen het aanmerken van de ontheemdenkampen in de KAR, waartoe ook Sharia behoort, als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s die afkomstig zijn uit de Sinjar regio. In het in 2019 geldende beleid is vastgesteld dat ontheemde jezidi’s het bovengemiddeld zwaar hadden in de KAR en daar niet, naar lokale maatstaven gemeten, op een normaal niveau konden functioneren. Medio 2024 is besloten dat deze ontheemdenkampen in de KAR wel kunnen worden beschouwd als normale woon- en verblijfplaats voor jezidi’s uit de Sinjar regio. Deze beleidswijziging heeft deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 4 februari 2024 onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd geacht. In de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van onder andere 27 februari 2025, 8 juli 2025 en 18 augustus 2025 is dit standpunt herhaald. In haar uitspraak van 24 november 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat dit ook heeft te gelden voor de situatie van jezidi’s die buiten de ontheemdenkampen in de KAR wonen. Ook in die gevallen dient de minister uiteen te zetten wat maakt dat voor de jezidi’s de situatie medio mei 2024 in de KAR verbeterd is.
De rechtbank stelt vast dat uit de bestreden besluiten niet blijkt dat de minister de feitelijke situatie in de ontheemdenkampen of in zijn algemeenheid in de KAR voor jezidi’s heeft onderzocht. Evenmin is aangegeven waarom de situatie in de kampen verbeterd is sinds 2019. Daar komt bij dat er voor Irak op 7 november 2025 een thematisch ambtsbericht is verschenen waarin uitgebreid de huidige situatie in de kampen in de KAR wordt beschreven. Volgens een bron verslechterde tijdens de verslagperiode de algehele situatie in enkele ontheemdenkampen, waaronder Sharia. Blijkens het thematisch ambtsbericht heeft het federale ministerie van Migratie en Ontheemding in januari 2024 besloten om de 23 op dat moment resterende formele vluchtelingenkampen onder het gezag van de Koerdische regionale regering, waaronder ook Sharia, te sluiten. Dit besluit is uitgesteld maar leidde desondanks tot terugtrekking van hulp en het vertrek van verschillende (internationale) organisaties. Daarbij komt dat de kortingen van de regering van president Trump ten aanzien van de USAID tot gevolg hebben dat veel (lokale) hulporganisaties hun activiteiten hebben moeten staken. Dit resulteert in een gebrek aan basisvoorzieningen, gebrek aan medische zorg, gebrek aan psychosociale ondersteuning en slechte leefomstandigheden in de kampen. In het licht van deze informatie is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de KAR als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s uit de Sinjar-regio kan worden aangemerkt. De bestreden besluiten zijn derhalve op dit onderdeel niet zorgvuldig tot stand gekomen en niet deugdelijk gemotiveerd. De beroepsgronden van eisers slagen.
Conclusie en gevolgen
7. De beroepen zijn gegrond en de bestreden besluiten worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten of om zelf in de zaken te voorzien. De minister zal op de aanvragen nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde verleende rechtsbijstand vast op € 5.604,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van
€ 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gespeudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.