RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12752
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 27 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft op 7 maart 2026 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft op 8 maart 2026 een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop op 10 maart 2026 gereageerd.
Verweerder heeft op 11 maart 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 17 maart 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1997 en de Egyptische nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 12 februari 2026 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig was.
5. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Egypte ontbreekt. Hiertoe voert hij aan dat de Egyptische autoriteiten nog steeds niet hebben gereageerd op de lp-aanvraag, ondanks dat verweerder meermaals rappelleert. Eiser heeft eerder in vreemdelingenbewaring gezeten en toen was het ook niet gelukt om hem uit te zetten.
6. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Egypte in het algemeen, of in het bijzonder van eiser, is komen te ontbreken. Zoals in de uitspraak van een eerder vervolgberoep is opgemerkt, rust op eiser de verplichting om voldoende medewerking te verlenen aan zijn terugkeer. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 9 maart 2026 blijkt dat eiser niet terug wil naar Egypte en niet bereid is zijn paspoort op te vragen bij een vriend van hem die in Spanje verblijft. Hiermee frustreert eiser de voortgang van zijn uitzetting en kan daarom niet enkel worden gesteld dat de Egyptische autoriteiten geen medewerking willen verlenen. Een paspoort kan namelijk helpen om de uitzetting te bespoedigen. Gelet hierop is de duur van de lp-aanvraag en daarmee de duur van zijn bewaring volledig aan eiser toe te rekenen.
7. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van opheffing daarvanop enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 17 maart 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.