RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11199
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Bij besluit van 27 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1992 en de Poolse nationaliteit te hebben.
Ophouding
2. Eiser stelt dat de ophouding plaats had moeten vinden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw. Hij beschikte op dat moment immers niet over een identificerend document, wat maakt dat toen niet duidelijk kon zijn wie hij was.
3. Artikel 50, derde lid, van de Vw is niet alleen bedoeld voor personen van wie de identiteit vaststaat door middel van identificerende documenten, maar ook als vaststaat op basis van welke personalia iemand in Nederland bekend is. In dit geval volgt uit het proces-verbaal van bevindingen dat eiser in de politiesystemen bekend is als [eiser] , geboren [datum] 1992 te [plaats]. Vervolgens is aan de hand van een foto uit de Strafrechtketendatabank van 9 februari 2026 geverifieerd dat het om dezelfde persoon ging. Daarmee was duidelijk onder welke personalia eiser in Nederland bekend was. Daarom is terecht artikel 50, derde lid, van de Vw gehanteerd.
Informatieplicht
4. Eiser stelt dat sprake is van een gebrek in de informatievoorziening. In de informatiefolder ‘Waarom u in bewaring bent gesteld’ die aan eiser is uitgereikt, is de zware grond 3j aangekruist in plaats van de zware grond 3i. Hij wijst daarbij op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 28 november 2025.
5. De vreemdeling wordt schriftelijk, in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij deze verstaat, op de hoogte gebracht van de redenen van de bewaring. In dat kader is voldoende dat verweerder de vreemdeling informeert over de juridische grondslag van de maatregel van bewaring en de zware en lichte gronden die daaraan ten grondslag liggen. Aan eiser is de informatiefolder uitgereikt in de Poolse taal. In deze folder is ook de zware grond 3j aangekruist, welke niet aan de huidige maatregel van bewaring ten grondslag ligt. Ook is niet aangekruist dat de zware grond 3i wel aan de maatregel ten grondslag ligt. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser met deze informatiefolder onjuist is geïnformeerd over de redenen van zijn bewaring, zodat verweerder niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht.
6. Dit gebrek leidt echter niet onmiddellijk tot onrechtmatigheid van de bewaring. Dat is pas het geval als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank moet dus een belangenafweging maken. Deze belangenafweging valt in het voordeel van verweerder uit.
7. Uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat de maatregel met behulp van een tolk aan eiser is toegelicht. Eiser is daarbij geïnformeerd over de redenen van de maatregel, de zware en lichte gronden die hem worden tegengeworpen, de mogelijkheid om hiertegen beroep in te stellen en het recht op rechtsbijstand. Daarmee is eiser voldoende geïnformeerd in een taal die hij begrijpt. Het is daarom niet gebleken dat eiser door dit gebrek in zijn belangen is geschaad. Bovendien heeft eiser geen andere zwaarwegende belangen aan zijn zijde gesteld en heeft verweerder zich, zoals de rechtbank hierna onder rechtsoverweging 11 zal overwegen, terecht op het standpunt gesteld dat in het geval van eiser sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht. De rechtbank zal verweerder vanwege het geconstateerde gebrek wel veroordelen in de proceskosten.
Voortvarend handelen
8. Eiser stelt dat, indien verweerder wist wie hij was toen hij werd opgehouden, onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Eiser wordt op 17 maart 2026 uitgezet naar Polen. Als zijn identiteit voor verweerder al duidelijk was, had dit eerder gemoeten.
9. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering van eiser uit Nederland. Voor zover eiser stelt dat verweerder sneller had kunnen handelen omdat de personalia van eiser bekend zijn, geldt dat verweerder niet beschikt over een origineel identiteitsbewijs. Verweerder moet daarom eerst toestemming vragen aan de Poolse autoriteiten voor een vervangend reisdocument. Verweerder is daarbij afhankelijk van de Poolse autoriteiten en moet de kans worden gegeven om een reactie af te wachten. Verder heeft verweerder een vertrekgesprek met eiser gevoerd en het OM geïnformeerd over de uitzetting van eiser. Op 5 maart 2026 is een T&O-aanvraag ingediend en ontvangen. De volgende dag is een vluchtaanvraag ingediend bij Bureau boekingen. Op 9 maart 2026 is de vluchtaanvraag verzonden naar de KMar en op 10 maart 2026 is een vluchtakkoord ontvangen. Inmiddels is duidelijk dat er een vlucht is geboekt voor 17 maart 2026. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder voldoende handelingen heeft verricht om de uitzetting te bespoedigen.
Lichter middel
10. Eiser stelt dat verweerder dient te volstaan met een lichter middel.
11. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist, met uitzondering van de zware grond 3i. Verweerder heeft ter zitting de zware grond 3i echter laten vallen, zodat deze niet langer aan de maatregel ten grondslag ligt. De rechtbank is van oordeel dat de overige gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is om dit risico te ondervangen. De enkele stelling van eiser dat hij wil terugkeren naar Polen is daartoe onvoldoende, gelet op het feit dat op hem al sinds 10 januari 2026 een vertrekplicht rust en niet is gebleken dat hij stappen heeft ondernomen om zijn vertrek mogelijk te maken. Ook uit het contact met stichting Barka is niet gebleken van een concreet plan om zijn vertrek mogelijk te maken.
Non-refoulement
12. Tot slot voert eiser, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 23 februari 2026, aan dat verweerder de maatregel van bewaring niet kenbaar heeft getoetst aan het beginsel van non-refoulement, neergelegd in artikel 4 van het Handvest. Hoewel er tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is gesproken over een mogelijke vrees voor vervolging of onmenselijke behandeling bij terugkeer, blijkt uit de maatregel niet dat er een afweging in dat kader is gemaakt.
13. De rechtbank overweegt dat uit het Unierecht volgt en zoals het Hof dit in het arrest van 4 september 2025 in de zaak Adrar heeft verduidelijkt, dat de bewaringsrechter, zo nodig ambtshalve, moet nagaan of de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement in de weg staan aan de uitvoering van het terugkeerbesluit. De Afdeling is in de uitspraak van 12 februari 2026 ingegaan op de gevolgen van het arrest Adrar voor de nationale rechter die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. Uit deze uitspraak volgt onder meer dat de bewaringsrechter moet beoordelen of verweerder op het moment van oplegging van de maatregel van bewaring heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich al dan niet tegen de uitzetting van de vreemdeling verzet.
14. De rechtbank stelt vast dat zowel het arrest Adrar als hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026 betrekking hebben op de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven. Daarvan is in onderhavige zaak geen sprake, omdat eiser Unieburger is. Verweerder was dan ook niet gehouden om de maatregel van bewaring te toetsen aan het beginsel van non-refoulement. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toets
15. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
16. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
17. Gelet op wat is overwogen in rechtsoverweging 7 veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan op 17 maart 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.