RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11200
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Bij besluit van 27 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2003 en de Turkse nationaliteit te hebben.
Ophouding
2. Eiser stelt dat uit het dossier niet eenduidig blijkt dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Uit dossierstuk ‘ID Staat’ blijkt immers dat eiser rechtmatig verblijf heeft. Gelet daarop meent eiser dat hij op grond van artikel 50a van de Vw opgehouden diende te worden.
3. Door op 17 april 2025 met onbekende bestemming te vertrekken uit het asielzoekerscentrum wordt geacht dat eiser Nederland kennelijk uit eigen beweging heeft verlaten als bedoeld in artikel 62c, vierde lid van de Vw. Hiermee is het rechtmatig verblijf in Nederland geëindigd. Uit het digitale dossier blijkt voldoende dat hier in het onderhavige geval sprake van is, wat maakt dat de door eiser genoemde registratie evident achterhaald is. Dit maakt dat verweerder eiser op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw mocht ophouden.
Grondslag van de maatregel van bewaring
4. Eiser stelt dat hij en zijn toenmalige gemachtigde geen bericht hebben ontvangen over de verlenging van de overdrachtstermijn. Er is dan ook geen grondslag om eiser in bewaring te stellen op grond van artikel 59a van de Vw. Hij beroept zich op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 4 maart 2026.
5. Bij de toetsing of de vreemdeling krachtens artikel 59a, eerste lid, van de Vw in bewaring kan worden gesteld, is bepalend of de Dublinverordening op de vreemdeling van toepassing is. Op grond van artikel 5.1a, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Vb moet een concreet aanknopingspunt voor overdracht als bedoeld in de Dublinverordening bestaan om een vreemdeling krachtens artikel 59a, eerste lid, in bewaring te kunnen stellen.
6. Naar het oordeel van de rechtbank waren er bij het opleggen van de maatregel voldoende concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat de Dublinverordening op eiser van toepassing was, gelet op het claimakkoord van 24 januari 2025, het overdrachtsbesluit 26 maart 2025. De stelling van eiser dat hij niet op de hoogte is gesteld van de verlenging van de overdrachtstermijn kan niet worden beoordeeld in deze procedure. Verweerder heeft de maatregel van bewaring mogen baseren op artikel 59a van de Vw.
Vertrekgesprek en lichter middel
7. Eiser stelt dat het vertrekgesprek van 2 maart 2026 tot verwarring leidt. De regievoerder zei dat eiser zijn asielaanvraag in bewaring af moet wachten, terwijl zij dat op dat moment nog niet kon weten. Vervolgens wordt eiser de informatiefolder ‘U bent in vreemdelingenbewaring geplaatst en moet Nederland verlaten’ overhandigd. Dit is tegenstrijdig en vormt een gebrek. Ook meent eiser dat verweerder dient te volstaan met een lichter middel.
8. De verwarring die bij eiser is ontstaan door het vertrekgesprek doet niet af aan de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat een significant risico op onderduiken daarmee is gegeven. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel, zoals een meldplicht, doeltreffend is om dit risico te ondervangen. Eiser is immers eerder met onbekende bestemming vertrokken om een overdracht aan Kroatië te voorkomen.
Non-refoulement
9. Tot slot voert eiser onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 23 februari 2026 aan dat verweerder de maatregel van bewaring niet kenbaar heeft getoetst aan het beginsel van non-refoulement, neergelegd in artikel 4 van het Handvest. Hij heeft immers al eerder gesteld dat hij vreest voor een overdracht aan Kroatië.
10. De rechtbank overweegt dat uit het Unierecht volgt en zoals het Hof in het arrest van 4 september 2025 in de zaak Adrar heeft verduidelijkt, dat de bewaringsrechter, zo nodig ambtshalve, moet nagaan of de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement in de weg staan aan de uitvoering van het terugkeerbesluit. De Afdeling is in de uitspraak van 12 februari 2026 ingegaan op de gevolgen van het arrest Adrar voor de nationale rechter die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. Uit deze uitspraak volgt onder meer dat de bewaringsrechter moet beoordelen of verweerder op het moment van oplegging van de maatregel van bewaring heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich al dan niet tegen de uitzetting van de vreemdeling verzet.
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet gehouden was om de maatregel van bewaring te toetsen aan het beginsel van non-refoulement, omdat geen sprake is van een terugkeerprocedure in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Eiser is namelijk in bewaring gesteld ten behoeve van een overdracht in het kader van de Dublinverordening.
Ambtshalve toets
12. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 17 maart 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.