ECLI:NL:RBDHA:2026:5729

ECLI:NL:RBDHA:2026:5729

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 18-03-2026
Zaaknummer NL25.11613
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

AMV-er uit Jemen (Aden) wiens gezin, waarmee hij nog in contact staat, in Saudi-Arabië verblijft. De 15c-beoordeling inzake Aden is volledig geweest. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat zich in de provincie Aden niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld voordoet, maar sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Bij de beoordeling of eiser een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld zijn echter niet alle relevante omstandigheden betrokken. Niet is onderzocht of diens jonge leeftijd tot een verhoogd risico leidt. Evenmin is betrokken dat de familie van eiser sinds 2019 niet meer in Jemen verblijft. De vader en overige gezinsleden van eiser verblijven in Saudi-Arabië. Verder heeft de minister zich in het kader van de vraag of eiser in aanmerking komt voor een AMV-buitenschuldvergunning op het standpunt gesteld dat de zorgplicht van ouders voor hun minderjarige kinderen inhoudt dat zij ervoor dienen te zorgen dat er op enige wijze opvang voor het kind in het land van herkomst aanwezig is. Door enkel te wijzen op de zorgplicht van de vader, heeft de minister evenwel niet voldaan aan zijn onderzoeksplicht zoals bedoeld is in het arrest TQ. Er is onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat de vader van eiser niet in het land woont waar eiser volgens het terugkeerbesluit geacht wordt naar terug te keren (Jemen). Tijdens het nader gehoor is uitsluitend gevraagd of eiser nog familie in Jemen heeft, waarop eiser ontkennend heeft geantwoord. Nadere vragen over bijvoorbeeld de plaats waar eiser zich bij terugkeer zou vestigen en over de wijze waarop hij als minderjarige in zijn levensonderhoud en opvang zou voorzien, zijn niet gesteld. Gezien zijn leeftijd van net vijftien jaar ten tijde van het nader gehoor had de minister dit onderzoek wel behoren te verrichten. Het beroep is gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.11613

(gemachtigde: mr. Z.M. Alaca),

en

(gemachtigde: mr. W.J. Poot).

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.

Deze uitspraak gaat over het gewijzigde landgebonden asielbeleid voor Jemen, zoals vastgesteld in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/20, en de vraag of het op dat beleid gebaseerde standpunt van de minister, dat zich in de stad Aden een relatief hoger niveau van willekeurig geweld voordoet, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, houdbaar is.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister dat beleid in dit geval heeft mogen toepassen. De minister heeft echter onvoldoende onderzocht of eiser, die minderjarig is, in Jemen een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Ook heeft de minister ontoereikend onderzocht en onvoldoende gemotiveerd dat eiser in Jemen adequate opvang heeft. Daarom is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

De rechtbank zet hierna achtereenvolgens het procesverloop (2), het asielrelaas (3), het standpunt van de minister (4) en de kern van de zaak uiteen (5). Daarna beoordeelt zij onder 6 tot en met 13 of eiser in Jemen een verhoogd risico loopt als gevolg van willekeurig geweld. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of de minister zijn beleid mocht wijzigen (10), of dat beleid berust op een volledige beoordeling (11), of terecht niet is uitgegaan van de hoogste gradatie van willekeurig (12) en of individuele omstandigheden van eiser voldoende zijn meegewogen (13). Onder 14 beoordeelt de rechtbank of de minister voldoende heeft gemotiveerd dat eiser, gelet op zijn minderjarigheid, niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid. Tot slot geeft de rechtbank een conclusie (15).

Procesverloop

2. Eiser heeft op 16 januari 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 10 maart 2025 afgewezen als ongegrond. Hiertegen heeft eiser op 12 maart 2025 beroep ingesteld en op dezelfde dag gronden ingediend, aangevuld op 6 januari 2026. De minister heeft op 18 en 20 november 2025 verweerschriften ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Overwegingen

Het asielrelaas

3. Eiser is op [geboortedag] 2010 in Saoedi-Arabië geboren en heeft de Jemenitische nationaliteit. Hij is met zijn familie driemaal voor een beperkte periode teruggekeerd naar Jemen. Te weten in 2016 en 2017 voor enkele maanden naar Jefa en in 2019 voor een periode van negen maanden naar Jefa en Aden. Tijdens deze verblijven werd hij geconfronteerd met slechte leefomstandigheden, de gevolgen van het gewapend conflict, een onveilige situatie en discriminatie op school. In 2019 is zijn moeder in Jemen overleden als gevolg van ziekte. Eiser stelt dat hij bij terugkeer naar Jemen, mede gelet op zijn jonge leeftijd, vreest te worden gedood door wapengeweld of te overlijden als gevolg van de slechte leefomstandigheden.

Het bestreden besluit

4. De minister acht eisers identiteit, nationaliteit, herkomst geloofwaardig. Dit geldt ook voor de door eiser op school ondervonden discriminatie. Maar daaruit volgt niet, aldus de minister, dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft. Evenmin loopt eiser bij terugkeer naar Jemen een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Daarbij hanteert de minister als uitgangspunt dat in Jemen, waaronder Aden, sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Dit betekent dat eiser aannemelijk moet maken dat hij op grond van zijn persoonlijke omstandigheden een hoger risico loopt dan anderen om slachtoffer te worden van dat geweld. Daarin is hij volgens de minister niet geslaagd. Eiser komt ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen, nu zijn vader – met wie hij nog in contact staat – gelet op zijn zorgplicht verantwoordelijk is om te zorgen voor adequate opvang in Jemen.

Waar gaat het geschil over?

5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de weigering hem als verdragsvluchteling aan te merken wegens de ondervonden discriminatie. Partijen verschillen van mening over de vraag of eiser bij terugkeer naar Jemen een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Daarnaast dient te worden beoordeeld of het standpunt van de minister dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen, zorgvuldig tot stand is gekomen en deugdelijk is gemotiveerd.

Willekeurig geweld

6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij bij terugkeer het risico loopt op ernstige schade wegens het willekeurige geweld in Jemen. Eiser heeft hiertoe verschillende beroepsgronden aangevoerd die de rechtbank hieronder zal bespreken. Voorafgaand daaraan zal de rechtbank het toepasselijke beleid en de relevante rechtspraak uiteenzetten.

Beleid minister en relevante rechtspraak

7. De minister neemt als gevolg van het arrest X en Y en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 juli 2024 over dit arrest, voor artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), verschillende gradaties aan van willekeurig geweld. De drie gradaties zijn:

1) uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Dit betreft de uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict zodanig is dat wordt aangenomen dat een vreemdeling enkel en alleen al door zijn aanwezigheid op dat grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon;

2) relatief hoger niveau van willekeurig geweld;

3) relatief lager niveau van willekeurig geweld.

In de hoogste gradatie van willekeurig geweld beperkt het individualiseringsvereiste zich tot het afkomstig zijn uit het land of bepaald gebied, waar sprake is van deze uitzonderlijke mate van willekeurig geweld. Bij de laagste twee gradaties moet de betrokkene aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en juist hij specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Daarbij geldt een glijdende schaal. Naarmate het niveau van willekeurig geweld lager is zullen er relatief gewichtigere individuele omstandigheden vereist zijn om een reëel risico aan te nemen.

Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. In WBV 2024/9 heeft de minister dit niet langer aangenomen en is, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y, bepaald dat voor Jemen de middelste gradatie van willekeurig geweld geldt: een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.

De Afdeling is in de uitspraken van 16 juli 2025 ingegaan op dit beleid en heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden globaal in zijn beoordeling betrokken. Op het moment van deze Afdelingsuitspraak was het ambtsbericht van april 2025 al uitgebracht. De Afdeling heeft de minister opgedragen de nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van dit nieuwe ambtsbericht.

In de brief van 8 oktober 2025 heeft de minister naar aanleiding van het ambtsbericht van april 2025 en voormelde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, de voorgenomen wijzigingen in het landenbeleid over Jemen uiteengezet. Daarna is met WBV 2025/20 het landenbeleid gewijzigd.

Besluit van 10 maart 2025

8. De rechtbank stelt vast dat de minister in het besluit van 10 maart 2025 toepassing heeft gegeven aan het beleid, zoals dat is opgenomen in WBV 2024/9. Gelet op de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 kan dat besluit geen stand houden. De minister heeft dit ter zitting ook erkend. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het besluit van 10 maart 2025. In zijn verweerschriften van 18 en 20 november 2025 heeft de minister uiteengezet dat toepassing van het voor Jemen gewijzigde landgebonden beleid in WBV 2025/20, voor de beoordeling of eiser bij terugkeer naar Aden een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld, niet tot een andere uitkomst leidt. De rechtbank ziet hierin aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten.

Beroepsgronden van 12 maart 2025

9. Eiser heeft in zijn aanvullende beroepsgronden van 6 januari 2026 gereageerd op het op WBV 2025/20 en het ambtsbericht van april 2025 gebaseerde standpunt van de minister in zijn verweerschriften over het willekeurig geweld in Jemen en is daarbij ingegaan op de feitelijke situatie in Jemen. De rechtbank leidt hieruit af dat de beroepsgronden van eiser van 12 maart 2025 over de toepassing van WBV 2024/9 geen bespreking meer behoeven. De gemachtigde van eiser heeft op zitting ook desgevraagd expliciet aangegeven dat hij zijn eerdere beroepsgrond dat het beleid in strijd is met de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 intrekt. Daarnaast heeft hij zijn beroepsgrond dat de minister in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel, nu tijdige besluitvorming op basis van het eerder geldende beleid tot vergunningverlening zou hebben geleid, anders geformuleerd. Deze beroepsgrond zal de rechtbank hierna onder 10 bespreken.

Mocht de minister zijn beleid aanpassen?

10. Eiser heeft op zitting betoogd dat geen sprake was van een zodanige wijziging in de situatie in Jemen, dat een wijziging van het beleid gerechtvaardigd was. De minister heeft ten onrechte – eerst met WBV 2024/9 en daarna met WBV 2025/20 – de lat hoger gelegd.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank dient te beoordelen of het door de minister toegepaste beleid aanvaardbaar is. Het gaat dus niet om de vraag of de situatie in Jemen zodanig is gewijzigd dat daarin een reden te vinden was om eerder beleid te wijzigen. Het beleid ís gewijzigd en het staat de minister in beginsel vrij om beleid te wijzigen naar ander aanvaardbaar beleid. Een dergelijke beleidswijziging kan berusten op een wijziging in de feitelijke situatie, maar ook op een herwaardering van de veiligheidssituatie of verband houden met een beleidsmatige afweging. Dat betekent dat niet beoordeeld hoeft te worden of de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat de situatie in Jemen voldoende is verbeterd. Wat wél moet worden beoordeeld is of de minister terecht tot het beleid in WBV 2025/20 is gekomen. Hierop gaat de rechtbank hierna in.

Is de beoordeling in WBV 2025/20 volledig?

11. Eiser betoogt dat de minister ook na voormelde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 geen volledige beoordeling heeft verricht van de mate van willekeurig geweld in Jemen, meer specifiek in Aden, omdat niet alle relevante feiten en omstandigheden zijn meegewogen.

De rechtbank overweegt dat de minister bij de beoordeling van de intensiteit van het willekeurig geweld, volgens zijn beleid in paragraaf C2/3.3.3.2 van de Vc 2000 in ieder geval de volgende elementen in samenhang weegt:

 de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;

 de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;

 de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;

 de vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;

 de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;

 de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.

De Afdeling heeft in de eerdergenoemde uitspraken van 16 juli 2025 geoordeeld dat de minister in het landgebonden beleid voor Jemen niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie, waarbij de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict zo hoog is dat een burger die terugkeert alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade. De Afdeling heeft de minister toen opgedragen om in een nieuwe beoordeling, en dit alles tegen de achtergrond van de daadwerkelijke bestemming of het woongebied van een betrokkene, de volgende aspecten kenbaar te betrekken:

1) slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten;

2) de recente confrontaties;

3) het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen; en

4) de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen.

De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante omstandigheden, als genoemd in paragraaf C2/3.3.3.2 van de Vc 2000 en genoemd in de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, in de beoordeling heeft betrokken. In de brief van 8 oktober 2025 heeft de minister gewezen op één van de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. Uit de in de brief genoemde ‘bijlage 15c-beoordeling’ blijkt dat de minister bij de beoordeling van de gradatie van het willekeurig geweld de hiervoor onder 11.1. genoemde elementen heeft betrokken. Verder is in de brief per provincie vermeld welke gradatie van willekeurig geweld is aangenomen en de motivering daarvan blijkt uit de ‘bijlage 15c-beoordeling’. In de bijlage is ook ingegaan op de slachtoffers van geplaatste mijnen en Explosive Remnants of War (ERW), de recente confrontaties in de Rode Zee en de aantallen ontheemden. Verder is in de brief en de daaraan ten grondslag liggende bijlagen ingegaan op de humanitaire situatie in Jemen, waarbij ook de humanitaire omstandigheden zijn betrokken die het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van de strijdende partijen. Deze humanitaire omstandigheden zijn ook besproken in de twee verweerschriften, ook specifiek voor de situatie in Aden. Deze beoordeling is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiser betoogt, volledig en komt tegemoet aan de opdracht van de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. De minister hoefde deze omstandigheden ook niet uitvoeriger in zijn beoordeling te betrekken. Zoals volgt uit het arrest CF en DN moeten de relevante omstandigheden immers globaal in aanmerking worden genomen. Eiser licht ook niet concreet toe op welke punten de beoordeling tekortschiet. De door eiser genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 25 november 2025 gaat niet meer op omdat, zoals hiervoor is aangegeven, thans alle relevante omstandigheden voldoende kenbaar zijn betrokken. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft de minister een te lage gradatie van het willekeurig geweld aangenomen?

12. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte niet is uitgegaan van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld in Jemen, in het bijzonder voor de provincie Aden. Uit het ambtsbericht volgt dat, hoewel het aantal frontgevechten is afgenomen, het geweld tegen burgers juist is toegenomen. Burgers lopen risico door landmijnen en ERW en door willekeurige aanvallen op civiele doelen. Daarnaast is sprake van een toename van incidenten met veel slachtoffers tegelijk (mass casualty incidents). In 2023 en 2024 vielen de meeste slachtoffers door geweervuur, mijnen/ERW en beschietingen met projectielen. Voorts stelt eiser dat alle strijdende partijen zich schuldig blijven maken aan ontvoeringen, verdwijningen en buitengerechtelijke executies. Volgens het ambtsbericht werden in de periode van 1 augustus 2023 tot 31 juli 2024, 54 buitengerechtelijke executies geregistreerd, gepleegd door zowel Houthi’s als door troepen gelieerd aan de internationaal erkende regering (IRG). Ook mishandeling en marteling kwamen in de verslagperiode voor. Daarnaast heeft de minister volgens eiser onvoldoende betekenis toegekend aan de humanitaire situatie, waarbij hij wijst op de hongersnood in verschillende districten en het blokkeren door strijdende partijen van de toegang tot basisbehoeften als watervoorziening en humanitaire hulp.

De rechtbank overweegt dat uit het arrest CF en DN volgt dat de minister bij de beoordeling of een betrokkene bij terugkeer een risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld, de daadwerkelijke bestemming in het geval van terugzending naar het betrokken land of gebied moet betrekken. Verder volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat bij de beoordeling of zich in een land dan wel, in voorkomend geval, het gebied waaruit een vreemdeling afkomstig is, een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn voordoet, moet worden uitgegaan van het land dan wel het gebied waar de desbetreffende vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- en verblijfplaats heeft gehad. Dat betekent dat in dit geval de situatie in de provincie Aden – de laatste woon- en verblijfplaats van eiser in Jemen – moet worden beoordeeld.

De minister heeft in zijn beleid voor de provincie Aden geen uitzonderlijke situatie aangenomen waarbij een vreemdeling enkel door zijn aanwezigheid in Aden al te vrezen heeft voor een reëel risico op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon. De uitleg hiervan staat in de twee bijlagen die aan de brief van de minister van 8 oktober 2025 ten grondslag liggen. De minister heeft dit in de verweerschriften nader toegelicht. Hieruit blijkt het volgende.

Uit het ambtsbericht van september 2023 volgt dat sinds april 2022 een bestand van kracht is, dat vanaf 2 oktober 2022 de facto wordt voortgezet. Volgens de minister is door het doorzetten van dit bestand de veiligheidssituatie in Jemen overwegend stabiel gebleven en licht verbeterd, hoewel lokaal geweld, mensenrechtenschendingen en een precaire humanitaire situatie aanhouden. Gegevens van Armed Conflict Location & Event Data (ACLED) tonen een afname van de vijandelijkheden sinds 2022, zonder grootschalige escalaties. Ten aanzien van Aden wijst de minister erop dat deze stad niet aan een frontlinie ligt. Sinds 2019 hebben zich daar geen grootschalige confrontaties meer voorgedaan, al vonden incidenteel gewapende incidenten plaats, met een beperkt aantal burgerslachtoffers. Het aantal geregistreerde burgerslachtoffers is de afgelopen jaren gedaald. Mensenrechtenschendingen komen nog voor, veelal toegeschreven aan de Zuidelijke Transitieraad (STC). Wat betreft de humanitaire situatie geldt dat Aden niet behoort tot de zwaarst getroffen gebieden en dat de toegankelijkheid van hulp in 2024 licht is verbeterd. Ook heeft de minister erop gewezen dat uit de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 volgt dat de zuidelijke provincies betere toegang hebben van hulporganisaties. De minister heeft ook onderzoek gedaan naar de veiligheidssituatie ná de verslaggeving van het ambtsbericht van april 2025. De minister heeft uit ACLED-gegevens afgeleid dat recente incidenten veelal gerelateerd zijn aan optredens tegen gewapende burgers en ontvoeringen. Wat betreft de slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten wijst de minister erop dat mijnen vooral langs frontlinies zijn gelegd en dat in Aden al zeven jaar organisaties actief zijn om mijnen te ruimen. Over terugkeerders uit Europa zijn weinig gegevens bekend. Hoewel de veiligheidsstructuur in Jemen versnipperd is en er sprake is van corruptie, is interne verplaatsing tussen STC- en IRG-gebied mogelijk. Aden behoort daarnaast niet tot de zwaarst door ontheemding getroffen provincies.

De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat in de provincie Aden niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld (‘uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld’) voordoet. Uit het ambtsbericht blijkt dat, hoewel gevechtshandelingen zich nog steeds voordoen, het aantal gevechten sinds het (de-facto) bestand sterk is afgenomen. De meeste gevechtshandelingen vinden plaats langs de bestandslijnen, op aanzienlijke afstand van Aden. Hoewel gehanteerde oorlogsmethoden burgerslachtoffers maken, is het aantal – ook in Aden – aanzienlijk afgenomen sinds de bestanden. De door eiser aangehaalde passages uit het ambtsbericht bevestigen de zorgwekkende veiligheidssituatie in Jemen, maar doen geen afbreuk aan deze bevindingen. Bovendien hebben deze passages geen specifieke betrekking op Aden; bijvoorbeeld de ‘mass casualty incidents’ waar eiser op wijst, hebben betrekking op Hudaydah en Sana’a. Ten aanzien van landmijnen en explosieve oorlogsresten heeft eiser niet weersproken dat mijnen vooral langs frontlinies zijn gelegd en dat in Aden al zeven jaar organisaties actief zijn om mijnen te ruimen. Ook heeft eiser niet betwist dat Aden niet behoort tot de zwaarst door ontheemding getroffen provincies. De minister heeft ook deugdelijk gemotiveerd dat de humanitaire situatie in Jemen niet tot een ander oordeel leidt. Humanitaire omstandigheden zijn op zichzelf niet doorslaggevend voor de beoordeling onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De door eiser genoemde voorbeelden van de slechte humanitaire situatie – blokkeren door strijdende partijen van de toegang tot basisbehoeften als watervoorziening en humanitaire hulp – doen zich (hoofdzakelijk) voor in gebieden die onder controle staan van de Houthi’s. Ook de door eiser genoemde hongersnood doet zich voor in andere districten dan Aden. Eiser heeft verder niet betwist dat Aden wat betreft de humanitaire situatie niet tot de zwaarst getroffen gebieden behoort, dat de zuidelijke provincies betere toegang hebben tot hulporganisaties en dat de toegankelijkheid van hulp in 2024 is verbeterd.

De rechtbank acht het op grond van het vorenstaande niet onjuist dat de minister voor Aden een relatief hoger niveau van willekeurig geweld heeft aangenomen. De beroepsgrond slaagt dus niet.

Verhoogd risico slachtoffer willekeurig geweld

13. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Jemen en specifiek Aden, een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon. Hierbij heeft de minister niet betrokken dat eiser minderjarig is en hij bij terugkeer naar Jemen niet zal kunnen voorzien in onderdak.

De rechtbank overweegt dat uit het arrest X en Y, en het beleid in paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vc 2000, volgt dat een betrokkene in minder uitzonderlijke situaties (de middelste en laagste gradatie) aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk moet maken dat juist hij vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de beoordeling of eiser een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld niet alle relevante omstandigheden heeft betrokken. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een groter risico loopt dan anderen. Dit baseert de minister op de – naar zijn oordeel – te algemene verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor over zijn vrees voor terugkeer. Op zitting heeft de minister erkend dat hij niet heeft onderzocht of de jonge leeftijd van eiser – hij was ten tijde van het besluit net vijftien jaar – leidt tot een verhoogd risico. Ook is niet betrokken dat eisers familie sinds 2019 niet meer in Jemen verblijft. Dat eiser deze omstandigheden niet uitdrukkelijk als risicoverhogend tijdens het nader gehoor heeft benoemd, ontslaat de minister niet van zijn verplichting om deze in zijn beoordeling te betrekken. De minister is immers, gelet op het arrest X en Y, gehouden om álle elementen die verband houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker bij die beoordeling te betrekken. Dit omvat niet alleen door eiser aangevoerde omstandigheden, maar ook feiten die de minister zelf kan en moet vaststellen dan wel overige hem bekende omstandigheden, in dit geval dus de jonge leeftijd van eiser en het feit dat zijn familie sinds 2019 niet meer in Jemen woont. De minister moet deze aspecten alsnog betrekken bij zijn beoordeling of eiser meer risico dan anderen loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Als daaruit volgt dat eiser bedoeld verhoogd risico loopt, dient hem internationale bescherming te worden verleend. Komt de minister tot de conclusie dat geen sprake is van risicoverhogende omstandigheden, dan moet hij in een nieuw besluit duidelijk en concreet toelichten welke betekenis daarbij volgens hem toekomt aan het feit dat eiser een alleenstaande minderjarige vreemdeling is wiens vader en andere gezinsleden niet in Jemen maar in Saoedi-Arabië verblijven. Dat is extra van belang, omdat de rechtbank – zoals hierna onder 14 wordt uiteengezet – van oordeel is dat het onderzoek naar de beschikbaarheid van adequate opvang in Jemen tekortschiet. De beroepsgrond slaagt.

Buitenschuldbeleid als alleenstaande minderjarige vreemdeling

14. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid als alleenstaande minderjarige vreemdeling. De minister stelt ten onrechte dat hij adequate opvang heeft in Jemen, omdat hij nog contact heeft met zijn in Saudi-Arabië verblijvende vader. Hiermee heeft de minister onvoldoende onderzoek gedaan naar de opvangmogelijkheden van eiser in Jemen. Het lag op de weg van de minister om eiser te horen over de omstandigheden waarin hij in Jemen kan worden opgevangen.

De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eiser nog in contact staat met zijn vader. Uit uitspraken van de Afdeling uit 2012 en 2013 volgt dat de zorgplicht van ouders voor hun minderjarige kinderen inhoudt dat zij ervoor dienen te zorgen dat er op enige wijze opvang voor het kind in het land van herkomst aanwezig is. Hoewel dit uitgangspunt na het arrest TQ in beginsel nog steeds geldt, volgt uit dit recentere arrest nadrukkelijk dat de minister de situatie van een niet-begeleide minderjarige algemeen en grondig moet beoordelen, rekening houdend met het belang van het kind, en zich ervan moet overtuigen dat adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is voordat hij een terugkeerbesluit uitvaardigt. De aard, omvang en duur van dat onderzoek verschilt van geval tot geval. Aan eiser wordt voor het eerst een terugkeerbesluit opgelegd en nu de minister er zich van moet overtuigen dat adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is, gaat naar het oordeel van de rechtbank de onderzoeksplicht naar ‘adequate opvang’ verder dan de vraag of aangenomen kan worden dat er door de zorgplichtige ouder(s) op ‘enige wijze’ opvang geregeld wordt of kan worden in het land van terugkeer. De minister moet de vreemdeling daarom niet alleen daadwerkelijk horen over de omstandigheden waarin hij in het land van terugkeer kan worden opgevangen maar ook nagaan wat het verblijf van zorgplichtige ouders in een ander land dan het land van terugkeer betekent voor de adequate opvang in het land van terugkeer.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande de minister niet heeft kunnen afzien van het doen van nader onderzoek naar adequate opvangmogelijkheden voor eiser in Jemen vanwege de in beginsel aangenomen zorgplicht van de in Saudi-Arabië verblijvende vader van eiser. Door enkel te wijzen op de zorgplicht van de vader, heeft de minister niet voldaan aan zijn onderzoeksplicht. Zo heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat de vader van eiser niet in het land woont waar eiser volgens het terugkeerbesluit geacht wordt naar terug te keren (Jemen). Tijdens het nader gehoor heeft de minister over Jemen uitsluitend gevraagd of eiser daar nog familie heeft, waarop eiser ontkennend heeft geantwoord. Nadere vragen over bijvoorbeeld de plaats waar eiser zich bij terugkeer zou vestigen en over de wijze waarop hij als minderjarige in zijn levensonderhoud en opvang zou voorzien, zijn niet gesteld. Gezien zijn leeftijd van net vijftien jaar ten tijde van het nader gehoor had de minister dit onderzoek wel behoren te verrichten. Voor zover het standpunt van de minister inhoudt dat eisers vader met hem naar Jemen dient terug te keren, is van belang dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard over problemen van zijn vader in Jemen en de minister hierop in het bestreden besluit niet is ingegaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook dit onderdeel van het besluit in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand is gekomen. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B.H. Hebbink, voorzitter, en mr. R.H. van Marle en mr. R. Barzilay, leden, in aanwezigheid van mr. A.A.M.J. Smulders, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?