uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12910
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , alias [alias], V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. L.M. Weber),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).
Procesverloop
Bij besluit van 7 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring (maatregel) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Seth Paul, als waarnemer voor zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [2006] .
2. De rechtbank stelt in het kader van het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 20261 vast dat eiser de volgende periodes in vreemdelingenbewaring heeft gezeten op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit van 8 oktober 2024:
- maatregel 1: 18 maart 2025 tot en met 28 augustus 2025 = 164 dagen;
- maatregel 2: 9 december 2025 tot en met 20 februari 2026 = 74 dagen;
- maatregel 3: 7 maart 2026 tot op heden = 12 dagen.
3. De minister stelt zich op het standpunt dat maatregel 3 (het bestreden besluit) bij het opleggen en het voortduren daarvan rechtmatig is geweest. In de aanbiedingsbrief van 12 maart 2026 heeft de minister gesteld dat gedurende maatregel 2 een verlengingsbesluit had moeten worden genomen, maar dat dit niet is gebeurd. Dit betekent volgens de minister echter niet dat daarna niet alsnog een verlengingsbesluit kan worden genomen. De minister is van mening dat enkel door het niet tijdig verlengen van een maatregel, dat recht voor altijd is verspild. De minister erkent dat bij het opleggen van maatregel 3 de termijn alsnog had moeten worden verlengd en dat er geen op zichzelf staand verlengingsbesluit ligt. Maar in maatregel 3 is overwogen dat eiser eerder in bewaring heeft gezeten en dat hij niet meewerkt aan het verkrijgen van documenten. Uit de motivering onder zware grond 3d volgt volgens de minister derhalve dat is voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de maatregel die volgen uit artikel 59, zesde lid, van de Vw. Daarbij volgt volgens de minister uit de Terugkeerrichtlijn noch uit de nationale wet dat een verlengingsbesluit afzonderlijk moet worden genomen en geen onderdeel mag uitmaken van de maatregel. De minister verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 12 maart 20262.
4. Eiser stelt dat in de maatregel van 7 maart 2026 geen verlenging van de maatregel kan worden gelezen. De minister stelt dat in de motivering onder zware grond 3d een volledig verlengingsbesluit zou moeten worden gelezen, maar dat betwist eiser. Gelet op jurisprudentie, bijvoorbeeld het arrest Mahdi3, moet een verlengingsbesluit aan een aantal vereisten voldoen. Deze vereisten kunnen niet allemaal uit de motivering onder zware grond 3d worden gehaald. Eiser stelt zich dan ook op het standpunt dat de motivering onder zware grond 3d niet voldoet aan de materiële voorwaarden van een verlengingsbesluit. Dat betekent dat de maatregel van begin af aan onrechtmatig is. Bij de verlenging van een maatregel dient de minister zwaarder te toetsen. Een zwaardere toets of een belangenafweging die ziet op de verlenging van de maatregel ontbreekt hier volgens eiser. Eiser is ook niet in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze met betrekking tot de verlenging van de maatregel te geven. Ook zou volgens eiser meegenomen moeten worden dat gedurende maatregel 2 een verlengingsbesluit genomen had moeten worden, maar dit ten onrechte niet is gebeurd, waardoor eiser gedurende maatregel 2 lange tijd onrechtmatig van zijn vrijheid is beroofd.
5. De rechtbank stelt vast dat de totale duur van de aan eiser opgelegde maatregelen van bewaring ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit ten tijde van het opleggen van de huidige maatregel op 7 maart 2026 meer dan zes maanden bedroeg. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. De rechtbank stelt verder vast dat de minister heeft erkend dat hij de maatregel tijdens de tweede inbewaringstelling had moeten verlengen en dat dit niet is gebeurd. Met betrekking tot de stelling van de minister dat in de maatregel van 7 maart 2026 een verlengingsbesluit dient te worden gelezen, oordeelt de rechtbank als volgt.
In artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn staan de regels voor het in bewaring houden van een onderdaan van een derde land tegenover wie een terugkeerprocedure loopt. In het vijfde lid van dit artikel is bepaald dat iedere lidstaat een maximale bewaringsduur vaststelt die niet meer dan zes maanden bedraagt. In het zesde lid van dit artikel is bepaald dat de lidstaten de in het vijfde lid bedoelde termijn overeenkomstig de nationale wetgeving slechts in beperkte mate en ten hoogste met twaalf maanden kunnen verlengen indien de verwijdering wellicht meer tijd zal vergen omdat de betrokkene niet meewerkt of de nodige documentatie uit het derde land op zich laat wachten.
In artikel 59, vijfde lid, van de Vw is – voor zover hier van belang – bepaald dat de bewaring krachtens het eerste lid niet langer dan zes maanden duurt. In artikel 59, zesde lid, van de Vw is – voor zover hier van belang – bepaald dat in afwijking van het vijfde lid de bewaring krachtens het eerste lid ten hoogste met nog eens twaalf maanden kan worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
Uit het hiervoor reeds genoemde arrest Aroja volgt onder meer dat de maximale bewaringsduur ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit niet meer dan achttien maanden mag bedragen en dat alle afzonderlijke perioden van bewaring ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar opgeteld moeten worden. Uit rechtsoverwegingen 56 en 87 van dit arrest kan verder worden afgeleid dat vóór het verstrijken van de (opgetelde) oorspronkelijke maximale bewaringsduur van zes maanden een verlengingsbesluit moet worden genomen.
Uit artikel 59, zesde lid, van de Vw en het hiervoor reeds genoemde arrest Mahdi volgt dat de minister kenbaar dient te motiveren dat aan de verlengingsvoorwaarden is voldaan. Een verlengingsbesluit moet schriftelijk worden gelast met opgave van de feitelijke en juridische gronden. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State4 moet bij de beoordeling of aan de verlengingsvoorwaarden is voldaan, uitsluitend worden uitgegaan van de gronden die zijn opgenomen in het verlengingsbesluit. De minister heeft deze gronden niet vermeld en gemotiveerd in het bestreden besluit. De stelling van de minister dat uit de motivering van grond 3d volgt dat aan de verlengingsvoorwaarden is voldaan, maakt dit niet anders. Uit de hiervoor vermelde Afdelingsuitspraak volgt dat de toepasselijke verlengingsvoorwaarden en de motivering daarvan moeten zijn opgenomen in een verlengingsbesluit en deze niet kunnen worden ingelezen in andere delen van het besluit of in het dossier. Verder volgt uit het bestreden besluit niet welke maatregel is verlengd, met welke duur en per wanneer en is eiser evenmin – in het kader van een verlenging – voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit in de gelegenheid gesteld om feiten en omstandigheden aan te voeren die tot het oordeel kunnen leiden dat in zijn geval met een lichter middel dan bewaring kan worden volstaan.5
De rechtbank is dan ook oordeel dat het bestreden besluit niet tevens gezien kan worden als rechtmatig verlengingsbesluit. Nu de (opgetelde) oorspronkelijke maximale bewaringsduur van zes maanden ten tijde van het opleggen van de huidige maatregel op 7 maart 2026 al was verstreken (zie rechtsoverweging 5), kan die maatregel alleen rechtmatig zijn als er een verlengingsbesluit is genomen (zie rechtsoverweging 5.3). Nu dit ontbreekt en het bestreden besluit niet tevens gezien kan worden als rechtmatig verlengingsbesluit, betekent dit dat de maatregel bij het opleggen daarvan, dus per 7 maart 2026, onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond en de maatregel is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van 18 maart 2026.
7. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 12 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 12 x € 120,-(verblijf detentiecentrum) = € 1.440, -.
8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Deze uitspraak zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl en is uitgesproken en openbaar gemaakt op:
18 maart 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.