[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. J. Hemelaar),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: A. van Midden).
Inleiding
1. Bij besluit van 12 januari 2026 (bestreden besluit) is de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat Duitsland voor die behandeling verantwoordelijk zou zijn.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dat verzoek staat in deze uitspraak centraal.
Op 6 maart 2026 heeft verzoeker laten weten dat op 10 maart 2026 een overdracht gepland staat aan Duitsland.
Verweerder heeft op 9 maart 2026 een verweerschrift ingediend. Op dezelfde dag heeft verzoeker daarop gereageerd.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2003 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 11 oktober 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Die aanvraag is op 12 januari 2026 niet in behandeling genomen. Volgens verweerder is Duitsland namelijk verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag. De omstandigheid dat verzoeker zou zijn gedwongen om zijn vingerafdrukken af te geven in Duitsland doet daar volgens verweerder niet aan af. Verzoeker zou verder niet aannemelijk hebben gemaakt dat Duitsland zich bij het behandelen van asielaanvragen niet aan de regels houdt die voor lidstaten gelden. Er mag bij Duitsland dan ook worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Wat vinden verzoeker en verweerder?
3. Verzoeker is het niet eens met het bestreden besluit. Hij heeft dit verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om de beslissing op zijn beroep in Nederland te mogen afwachten. Omdat verweerder een overdracht heeft gepland op 10 maart 2026 moet er volgens hem met spoed een beslissing worden genomen op zijn verzoek. Verzoeker betoogt in dat kader dat zijn beroep een redelijke kans van slagen heeft. Voor Duitsland kan niet worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat de Duitse autoriteiten asielaanvragen van Algerijnse vreemdelingen niet naar behoren behandelen en de beschikbare rechtsmiddelen beperkt zijn. Dit is het gevolg van het feit dat Algerije door Duitsland is aangemerkt als een veilig land van herkomst. Gelet op dit andere landenbeleid loopt verzoeker dan ook een risico op indirect refoulement. Verzoeker is bovendien slecht behandeld in Duitsland.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Het gaat namelijk om een gefaciliteerde en vrijwillige overdracht aan Duitsland. Verweerder wijst er daarbij ook op dat verzoeker tijdens een vertrekgesprek heeft aangegeven dat hij zal meewerken aan een gefaciliteerde overdracht. Mocht de voorzieningenrechter wel een spoedeisend belang aannemen dan voert verweerder inhoudelijk aan dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Voor Duitsland mag wel degelijk worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In het bestreden besluit heeft verweerder de punten van verzoeker hierover al betrokken en weerlegd.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Is er sprake van een spoedeisend belang?
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor verzoeker niet kan wachten op een beslissing op zijn beroep. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker in dit geval een spoedeisend belang heeft bij de beoordeling van zijn verzoek, omdat zijn beroep tegen het bestreden besluit geen schorsende werking heeft en er op 10 maart 2026 een overdracht staat gepland. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in zijn standpunt dat geen sprake zou zijn van een spoedeisend belang omdat het om een gefaciliteerde en vrijwillige overdracht gaat. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft herhaaldelijk geoordeeld dat een dergelijke situatie niet maakt dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Tot slot heeft verzoeker er terecht op gewezen dat hij weliswaar aangaf mee te zullen werken aan een gefaciliteerde overdracht, maar dat hij dit zei nadat hem - ten onrechte - was verteld dat hij de behandeling van zijn beroep mocht afwachten in Nederland.
Heeft het beroep een redelijke kans van slagen?
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het oordeel in deze zaak een voorlopig karakter heeft en dat dit de rechtbank in de beroepszaak (het bodemgeding) niet bindt.
De hoogste bestuursrechter heeft op 14 februari 2025 bevestigd dat voor Duitsland nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hiervan niet langer uitgegaan kan worden. Het betoog dat de asielaanvragen van Algerijnse vreemdelingen niet met voldoende zorgvuldigheid worden behandeld in Duitsland en de verwijzing naar informatie van PRO ASYL zijn hiervoor onvoldoende. Los van het feit dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Duitsland geen toegang tot rechtsbijstand heeft gehad, is het aan hem om daarover in Duitsland te klagen. Niet is gebleken dat verzoeker dit heeft gedaan of dat dit voor hem onmogelijk is. Ook over de gestelde problemen die verzoeker in Duitsland zou hebben ondervonden, overweegt de voorzieningenrechter dat hij dit niet heeft onderbouwd en dat hij hierover kan klagen in Duitsland. Nu verweerder uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan een beoordeling van het gestelde risico op indirect refoulement – in dit geval vanwege ander landenbeleid – niet plaatsvinden binnen de kaders van deze Dublinprocedure.
Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat het beroep van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Dat betekent dat het verweerder niet verboden wordt om een overdracht naar Duitsland te organiseren voordat op het beroep van verzoeker is beslist. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.
De beslissing is op 9 maart 2026 telefonisch medegedeeld aan partijen. De uitspraak is verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.