ECLI:NL:RBDHA:2026:5826

ECLI:NL:RBDHA:2026:5826

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-02-2026
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer C/09/699177 / JE RK 26-204
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging uithuisplaatsing

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht

Zaaknummer: C/09/699177 / JE RK 26-204

Datum uitspraak: 16 februari 2026

Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Haaglanden,

hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats], [geboorteland],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. W.G. Nieman uit Leiden.

De kinderrechter merkt als informant aan:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1. Het verdere verloop van de procedure

Op 6 februari 2026 heeft mr. R. van Zeijst- Repelaer van Driel, kinderrechter in deze rechtbank, mondeling (buiten kantooruren) stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland belast met de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verleend tot 9 februari 2026 om 17:00 uur. De behandeling van het verzoek werd voor het overige aangehouden tot het verzoek, met nadere onderbouwing, schriftelijk bij de rechtbank was ingediend.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 februari 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 20 februari 2026 en voor dezelfde periode een machtiging verleend [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

de beschikking van 9 februari 2026 en de daarin genoemde stukken;

de aanvullende stukken van de advocaat van de moeder, ontvangen op 19 februari 2026;

de ter zitting overgelegde pleitnotitie van de advocaat van de moeder.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:

[naam 1], namens de Raad;

de moeder met haar advocaat en ondersteund door een tolk in de Duitse taal;

[naam 2], namens de gecertificeerde instelling.

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

[minderjarige] verblijft in een gezinshuis.

3. Het verzoek

De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De Raad heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd. De Raad heeft grote zorgen over [minderjarige]’s algehele ontwikkeling en veiligheid. De zorgen zijn gelegen in de onduidelijkheid rondom de verblijfssituatie van de moeder en [minderjarige]. Beiden staan ingeschreven op het adres van een vriend ([naam 3]), waar ook de politie zorgen over heeft geuit. De Raad maakt zich ook zorgen over het alcoholgebruik van de moeder en haar opvoedvaardigheden. [minderjarige] gaat niet naar school en staat niet ingeschreven bij een huisarts of consultatiebureau. Tot de zitting heeft de moeder een afwijzende houding gehad tegenover de inzet van hulpverlening. [minderjarige] verblijft inmiddels in een gezinshuis, waar zij zich goed ontwikkelt en naar school gaat. Ter zitting is naar voren gekomen dat de moeder en [minderjarige] afgelopen maanden bij een andere vriend ([naam 4]) hebben verbleven. Door de onduidelijkheid en de zorgen is verder onderzoek nodig. Het is van belang dat [minderjarige] in de tussentijd in het gezinshuis verblijft. De Raad vindt het belangrijk dat de jeugdbeschermer betrokken blijft. De jeugdbeschermer kan met de moeder duidelijke afspraken maken, zicht krijgen op haar opvoedcapaciteiten en nagaan of de verblijfsplek (bij [naam 4]) een veilige plek is. Ter zitting heeft de Raad aangegeven dat het niet de bedoeling is dat de machtiging tot uithuisplaatsing langer zal duren dan noodzakelijk. De Raad heeft daarnaast aangegeven dat het belangrijk is dat er contactmomenten komen tussen de moeder en [minderjarige].

4. De standpunten

Door en namens de moeder is primair verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing zo kort mogelijk te laten duren. [minderjarige] moet zo snel mogelijk terug naar de moeder bij vriend ([naam 4]), die goed genoeg voor haar zorgen. Subsidiair wordt verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing voor kortere duur (maximaal twee maanden) toe te wijzen. In die periode moet in kaart worden gebracht wat de mogelijkheden zijn voor de moeder om zelf weer de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen en welke hulp daarbij nodig is. Zolang niet duidelijk is dat thuisplaatsing niet meer aan de orde is, moet de gecertificeerde instelling aandacht besteden aan het zodanig verbeteren van de thuissituatie dat de moeder [minderjarige] weer zelf kan verzorgen en opvoeden, zodat de uithuisplaatsing niet langer duurt dan noodzakelijk. Bovendien moet er zo snel mogelijk contact zijn tussen de moeder en [minderjarige]. Het is schadelijk om al het contact met [minderjarige] voor langere tijd te verbreken.

Desgevraagd heeft de gecertificeerde instelling de zorgen en het verzoek van de Raad onderschreven.

5. De beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst.

De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Er zijn grote zorgen die maken dat er een ernstig vermoeden bestaat dat er sprake is van een ernstige en acute ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige]. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat er veel onduidelijkheden zijn over de verblijfsplek van de moeder en [minderjarige]. Zo staan zij ingeschreven op het adres van [naam 3]. Dit betreft een ongeschikte en ernstig vervuilde woning. Ter zitting is weliswaar aangegeven dat de moeder en [minderjarige] daar al langere tijd niet verblijven, maar dit behoeft nader onderzoek. Er zijn wat betreft de verblijfssituatie verder zorgen, omdat er geen zicht is op de veiligheid en de verblijfssituatie in de woning van [naam 4]. Voorts blijkt dat [minderjarige] in de opvoedsituatie bij de moeder niet naar school ging of ingeschreven stond bij de huisarts of het consultatiebureau. Hierdoor is er geen zicht op [minderjarige] en er zijn aanwijzingen dat zij niet wordt voorzien in belangrijke basisbehoeften, zoals emotionele geborgenheid, stabiliteit en veiligheid. Daar komt bij dat de moeder tot aan de zitting afwijzend is geweest ten aanzien van hulpverlening. Het is positief dat zij tijdens de zitting heeft aangegeven te willen meewerken aan de inzet van hulpverlening. Gelet op de zorgen acht de kinderrechter het van belang dat de jeugdbeschermer komende periode betrokken blijft om zicht te houden op de ontwikkeling van [minderjarige], om hulpverlening (zoals ASH) in te schakelen en zorgvuldig onderzoek te doen naar de gestelde verblijfssituatie bij [naam 4]. Belangrijk daarbij is dat de gecertificeerde instelling zo snel mogelijk contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] zullen vormgeven en opbouwen.

De hiervoor beschreven situatie en zorgen maken ook dat de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing op zijn plaats is. De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 20 februari 2026 tot 6 mei 2026;

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 20 februari 2026 tot 6 mei 2026;

verklaart de beslissing onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026 door mr. A.P. Pereira Horta, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Plug als griffier, en op schrift gesteld op 6 maart 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.M. Plug als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand