RECHTBANK DEN HAAG
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
uitspraak
Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.9822
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister) (gemachtigde: mr. F. Schoot).
Procesverloop
Bij besluit van 11 februari 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. In het besluit is overwogen dat aanknopingspunten bestaan voor toepassing van de Dublinverordening.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Abdulla. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres stelt de Zimbabwaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1970.
2. Op grond van artikel 5. la van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Eiseres is het niet eens met de vrijheidsontnemende maatregel en heeft daartegen een aantal beroepsgronden aangevoerd. Hierbij is er geen beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 februari 2026.
De rechtbank ziet ambtshalve aanleiding voor de vraag of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de uitzetting van eiseres en of de minister eenzelfde motiveringsplicht heeft wanneer het, zoals in dit geval, gaat om een vrijheidsontnemende maatregel die is opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang, omdat toepassing wordt gegeven aan de grensprocedure. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en zal dat hieronder toelichten.
De uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025 gaat over de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025, Adrar, voor de nationale rechter (de bewaringsrechter) die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. De Afdeling gaat in voornoemde uitspraak in op de gevolgen van het arrest, voor zover het Hof daarin heeft bepaald dat de bewaringsrechter op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn- zo nodig ambtshalve - verplicht is om na te gaan of het beginsel van non-refoulement zich tegen die uitzetting verzet.
Verder heeft de Afdeling in haar uitspraak overwogen dat als de minister zijn standpunt in de maatregel van bewaring dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van een vreemdeling verzet, niet of niet deugdelijk heeft gemotiveerd, moet de rechtbank het beroep tegen die maatregel van bewaring gegrond verklaren en de bewaring opheffen. Omdat zicht op uitzetting een onder punt 77 van het arrest van het Hof van 8 november 2022, C, B en X, ECLI:EU:C:2022:858, bedoelde algemene en abstracte regel is, vereist voor de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring, moet een vreemdeling volgens punt 79 van dat arrest onmiddellijk worden vrijgelaten. Zie hierover de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 5.2 en 6.
De rechtbank stelt vast dat de bestreden maatregel is opgelegd met het oog op het grensbewakingsbelang en dat de maatregel zich niet richt op de (mogelijke) uitzetting van eiseres. Uit vaste rechtspraak volgt dat de minister in een dergelijk geval een redelijke termijn moet worden gegund om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek en of dit verzoek zich leent voor afdoening in de grensprocedure, en derhalve ook of de vreemdeling mogelijk een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden behandelingen. Juist in de grensprocedure vindt die beoordeling plaats; een pré-toets voorafgaand aan de toepassing daarvan is niet vereist.Gelet daarop hoeft de minister bij toepassing van grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw niet in de maatregel te motiveren waarom het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van de vreemdeling verzet.
4. Eiseres betoogt verder dat de minister in haar geval ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het beleid zoals vastgelegd in paragraaf B8/3.1 van de
Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), omdat er aanwijzingen zijn dat in haar geval sprake is van mensenhandel.
Uit voornoemd beleid volgt dat de politie of Kmaral bij de geringste aanwijzing dat sprake is van mensenhandel het vermoedelijke slachtoffer een bedenktijd van 30 dagen aanbiedt op grond van artikel 8, aanhef en onder k, van de Vw. Als de Kmar bedenktijd aanbiedt aan de vreemdeling die zich in vreemdelingenbewaring bevindt, dan wordt de vreemdelingenbewaring opgeheven.
Eiseres heeft bij aankomst op Schiphol verklaard dat zij bij haar reis is geholpen door een Zuid-Afrikaanse pastor en dat zij niets heeft betaald voor haar reis. In het aanmeldgehoor in de asielprocedure heeft zij vervolgens het volgende verklaard:
"Ik besefte toen ik hier aankwam, ik sprak toen een vrouw, ik denk van de immigratiedienst. Ze vroeg hoelang ik die predikant al kende. Ik zei dat ik bij hem was gekomen door de problemen in Zuid-Afrika. Ze vroeg of ik wist dat er ook mensenhandel bestond. Ik zei dat ik dat niet bedacht had en dat ik het op mijn leeftijd niet voor mogen hield. Ze zei dat ik altijd moest opletten op mensen die naar je toekomen en zeggen je te gaan helpen. Toen besefte ik dat het iemand was die misschien wilde dat als ik in Spanje aankwam dat ik iets met mijn lichaam moest doen of drugs moest verkopen. Dat vreet enorm aan mij, als wij in Spanje aankomen, wat zou er dan gebeuren. Ik had mijn vertrouwen aan mij gegeven. Hij is predikant. "
Gelet op deze verklaring had de minister toepassing moeten geven aan zijn beleid en eiseres de bedenktijd van 30 dagen moeten verlenen. Dat moet de minister volgens dat beleid immers al doen bij de geringste aanwijzing dat sprake is van mensenhandel en de rechtbank is van oordeel dat daarvan in dit geval sprake is. Nu uit het beleid ook volgt dat de bewaring wordt opgeheven als de bedenktijd wordt verleend heeft de minister onzorgvuldig gehandeld door de bestreden maatregel niet na het aanmeldgehoor van 14 februari 2026 op te heffen. De beroepsgrond slaagt.
5. Het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel is daarom onrechtmatig sinds 15 februari 2025. Het beroep is gegrond en de rechtbank beveelt opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van vandaag.
6. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 19 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) de vrijheidsontnemende maatregel van 19 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 2.280,-.
7. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van€ 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
05 maart 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.