ECLI:NL:RBDHA:2026:5871

ECLI:NL:RBDHA:2026:5871

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 29-01-2026
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer NL25.42747
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

VK NTB asiel. BVM Syrië. Achttien maanden.

Uitspraak

[eiser] , eiser, V-nummer: [v-nummer] ,

(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van 4 september 2025 van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag door verweerder.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2005. Hij heeft een asielaanvraag ingediend op 13 februari 2024, maar verweerder heeft op deze aanvraag nog niet beslist. Omdat eiser vindt dat verweerder te laat is met het beslissen op zijn aanvraag heeft hij dit beroep niet-tijdig beslissen ingesteld op 4 september 2025.

Wat vindt eiser in beroep?

3. Eiser voert aan dat verweerder te laat is met het beslissen op zijn asielaanvraag. De termijn om te beslissen eindigde volgens eiser op 14 augustus 2025, achttien maanden na de asielaanvraag. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser gewezen op uitspraken van verschillende zittingsplaatsen waarin wordt uitgegaan van deze berekening van de beslistermijn.

4. Als een bestuursorgaan niet tijdig beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep in kan stellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.

Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000 neemt verweerder in beginsel binnen zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een besluit.

Met ingang van 14 december 2024 gold voor Syrië echter een besluit- en vertrekmoratorium voor de duur van zes maanden. Met het instellen van dit besluitmoratorium is op grond van artikel 43 van de Vw 2000 voor de duur van zes maanden de wettelijke beslistermijn van lopende asielaanvragen en van asielaanvragen die tijdens het moratorium werden ingediend, verlengd met een periode van een jaar tot ten hoogste 21 maanden. Dit geldt ook voor aanvragen waarvan de beslistermijn van zes maanden al is verstreken op het moment van de inwerkingtreding van het besluitmoratorium.

In geval van aanvragen waarbij de beslistermijn al was verstreken op het moment van inwerkingtreding van het moratorium, heeft deze rechtbank eerder aangenomen dat de verlenging van een jaar ingaat op het moment van inwerkingtreding van het moratorium. Hiermee eindigde de beslistermijn op 14 december 2025, tenzij de 21-maandentermijn al daarvoor was verstreken. Verweerder heeft in een zaak die op dezelfde zitting is behandeld het standpunt ingenomen dat de beslistermijn inderdaad – zoals eiser stelt – achttien maanden na de asielaanvraag eindigt. In de standpunten van eiser en verweerder ziet de rechtbank aanleiding om thans aan te nemen dat de oorspronkelijke beslistermijn van zes maanden door het moratorium met een jaar is verlengd. In beginsel geldt dus voor alle asielaanvragen die vóór en tijdens het moratorium zijn ingediend een beslistermijn van bij elkaar opgeteld achttien maanden.

Niet is gebleken dat eiser valt onder één van de categorieën die zijn uitgesloten van de werking van het besluitmoratorium. Na het verstrijken van de beslistermijn van achttien maanden heeft verweerder op 19 augustus 2025 een ingebrekestelling ontvangen. Hierna heeft eiser tenminste twee weken gewacht voordat hij op 4 september 2025 dit beroep instelde.

Conclusie en gevolgen

5. Gelet op het voorgaande is het beroep ontvankelijk en is er sprake van een overschrijding van de beslistermijn. De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag daarom gegrond. Aangezien het beroep gegrond is en nog geen besluit bekend is gemaakt, zal de rechtbank verweerder opdragen alsnog een besluit te nemen. Daarbij zal de rechtbank verweerder een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit.

6. Uit het procesdossier blijkt dat de maximale beslistermijn van 21 maanden inmiddels is overschreden. De rechtbank neemt in dat geval het uitgangspunt dat verweerder binnen acht weken op de asielaanvraag moet beslissen. Daarom bepaalt de rechtbank dat verweerder binnen acht weken na bekendmaking van deze uitspraak een besluit aan eiser bekend moet maken.

7. De rechtbank bepaalt verder dat een dwangsom wordt verbeurd voor elke dag dat

verweerder in gebreke blijft om aan de termijn van deze uitspraak te voldoen. In overeenstemming met de vaste gedragslijn van de zittingsplaats Den Haag, stelt de rechtbank de hoogte van de dwangsom vast op een bedrag van € 100,- voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden. In overeenstemming met de vaste gedragslijn wordt het maximum bepaald op € 7.500,-.

8. Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten die

eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is verstreken. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van eiser gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op de aanvraag;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van L.B. Vrugt, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B. van Dokkum

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand