ECLI:NL:RBDHA:2026:5884

ECLI:NL:RBDHA:2026:5884

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-03-2026
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer NL26.3659
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Dublin-Duitsland, interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 17 Dublinverordening, beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Demirtas),

en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.

Is het bestreden besluit zorgvuldig door de minister voorbereid?

4. Eiser betoogt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd omdat de minister het voornemen te algemeen heeft geformuleerd. Het voornemen is onvoldoende geïndividualiseerd waardoor eiser niet effectief op het voornemen kon reageren in zijn zienswijze. Hierdoor is hem het recht van hoor en wederhoor ontnomen. De minister heeft nagelaten om de verklaringen van eiser in de beoordeling te betrekken.

Naar het oordeel van de rechtbank maakt het standaardvoornemen niet dat de minister het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 april 2025, oordeelt de rechtbank dat een standaardvoornemen wel aan de daartoe gestelde vereisten kan voldoen. In de eerste plaats stelt de minister zich terecht op het standpunt dat het voornemen een voorbereidingshandeling is en dat eiser de mogelijkheid krijgt om hierop te reageren met een zienswijze, wathij ook heeft gedaan. Daarnaast is eiser gehoord in het aanmeldgehoor Dublin waarbij hij de gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren tegen de voorgenomen overdracht kenbaar te maken. Hoewel het voornemen summier is, heeft de minister gelet op het bovenstaande wel voldoende duidelijk uiteengezet waarom Duitsland verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van eisers asielaanvraag. In het voornemen is ook opgenomen dat de minister geen reden ziet om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht aan zich te trekken. De door eiser aangedragen bezwaren tegen de overdracht naar Duitsland en zijn persoonlijke omstandigheden zijn door de minister in het bestreden besluit betrokken. De beroepsgrond slaagt niet.

Mag de minister voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte zijn asielverzoek niet in behandeling neemt. Eiser stelt bij overdracht aan Duitsland een reëel risico te lopen op schending van artikel 4 van het EU Handvest, omdat er volgens eiser ernstige op feiten berustende gronden bestaan voor de conclusie dat eiser zal worden onderworpen aan een onmenselijke of een vernederende behandeling. Eiser wijst er daarbij op dat de bescherming door artikel 4 van het EU Handvest niet beperkt is tot situaties waarin sprake is van structurele systeemfouten in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen in de verantwoordelijke lidstaat. Uit jurisprudentie volgt dat artikel 4 van het EU Handvest vereist dat de minister onderzoekt of er ernstige op feiten berustende gronden bestaan voor een risico op onmenselijke behandeling, ongeacht de vraag of dit risico voortvloeit uit systeemfouten. Eiser stelt in Duitsland langdurig gedetineerd te zijn geweest, zonder recht op rechtsbijstand en met een Duldung-status die vermeldt dat zijn identiteit onopgehelderd is. Er bestaat volgens eiser dan ook een fundamentele tegenstrijdigheid tussen de Eurodac-identificatie en de Duitse Duldung-status. Op grond van de gegevens uit de Eurodac-identificatie heeft de minister Duitsland aangewezen als verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van de aanvraag. Deze tegenstrijdigheid roept volgens eiser serieuze vragen op over de betrouwbaarheid van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat en over de manier waarop eiser in Duitsland zal worden ontvangen. De minister heeft in het bestreden besluit ten onrechte niet gemotiveerd hoe deze tegenstrijdigheid zich verhoudt tot het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit zijn volgens eiser concrete aanwijzingen dat eiser bij terugkeer wederom in een kwetsbare positie zal verkeren zonder adequate rechtsbescherming.

Verantwoordelijkheid Duitsland

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich in de eerste plaats terecht op het standpunt dat niet valt in te zien wat de relevantie is van de weergave van eisers identiteit op de Duitse Duldung en het ontbreken van (kwalitatief goede) biometrische gegevens voor het overdrachtsbesluit. Het onderzoek in Eurodac vindt immers plaats op basis van eisers vingerafdrukken. De geregistreerde persoonsgegevens zijn dan ook niet relevant voor de vaststelling welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. In het geval eisers biometrische gegevens niet aan de gestelde kwaliteitseisen voldoen, heeft dit enkel betrekking op het maken van een Nederlands verblijfsdocumenten. Zijn vingerafdrukken waren namelijk van voldoende kwaliteit voor het verkrijgen van een Eurodac-resultaat. Op basis van het Eurodac-resultaat en het tot stand gekomen claimakkoord, heeft de minister terecht vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielverzoek.

Interstatelijk vertrouwen

6. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat de minister er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet mogelijk is. Dit laat onverlet dat de minister uit eigen beweging ook rekening moet houden met relevante en objectieve informatie over Duitsland. Hij mag een vreemdeling niet overdragen als hij niet onkundig kan zijn van de omstandigheid dat er structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen zijn waardoor een vreemdeling een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in Duitsland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en in de opvangvoorzieningen. Het uitgangspunt dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan blijft daarom ongewijzigd. De rechtbank legt dit hierna verder uit.

In de eerste plaats heeft eiser in het gehoor verklaard dat hij geen bezwaren heeft tegen een overdracht aan Duitsland en dat hij ook geen persoonlijke problemen heeft ondervonden in Duitsland. Daar komt bij dat eiser in Duitsland opvang heeft gehad en dat hij heeft verklaard dat de detentieomstandigheden in Duitsland prima waren en zelfs beter dan toen hij vrij was. Ook blijkt uit het claimakkoord dat Duitsland eisers asielaanvraag in behandeling heeft genomen. Uit het bovenstaande volgt dan ook dat Duitsland zich tegenover eiser aan de internationale verplichtingen en de van toepassing zijnde richtlijnen, namelijk de Terugkeerrichtlijn, de Opvangrichtlijn, Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn, heeft gehouden. Dat eisers asielverzoek destijds door de Duitse autoriteiten is afgewezen maakt dit niet anders. Met het claimakkoord wordt immers gegarandeerd dat Duitsland eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling zal nemen. In het geval dat eiser eerder toch niet tevreden was met het handelen van de Duitse autoriteiten, onder andere met betrekking tot zijn detentieomstandigheden, ligt het op zijn weg om hierover te klagen bij de Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat deze mogelijkheid voor eiser niet bestond of bestaat. Ook blijkt uit het aanmeldgehoor en de zienswijze niet dat eiser een poging heeft ondernomen om in Duitsland over de verscheidene omstandigheden een klacht in te dienen. De minister stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat niet is komen vast te staan de Duitse autoriteiten eiser niet kunnen of niet willen beschermen. Verder is niet gesteld of gebleken dat eisers gestelde detentie in Duitsland onrechtmatig of in strijd met internationale afspraken is geweest.

Tussenconclusie

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich gelet op bovenstaande overwegingen terecht op het standpunt dat er, ook in het specifieke geval van eiser, voor Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.

Had de minister in de bijzondere omstandigheden van eiser aanleiding moeten zien om de asielaanvraag in behandeling te nemen?

7. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht in behandeling had moeten nemen omdat overdracht aan Duitsland in zijn bijzondere omstandigheden van onevenredige hardheid getuigt. De minister heeft ondeugdelijk gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat om deze discretionaire bevoegdheid toe te passen. De minister heeft nagelaten om concreet en gemotiveerd in te gaan op de door eiser in de zienswijze naar voren gebrachte individuele omstandigheden. Dit terwijl uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de minister concreet moet motiveren waarom de naar voren gebrachte individuele omstandigheden niet maken dat toepassing wordt gegeven aan de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening. De minister heeft de toetsing enkel beperkt tot de vraag of sprake is van structurele tekortkomingen in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. Dit terwijl eiser gedurende acht maanden en tien dagen gedetineerd is geweest zonder toegang tot een advocaat en voorgeleiding aan een rechter. De minister heeft nagelaten om de detentie-ervaring te betrekken bij de artikel 17-beoordeling. Ook hebben de Duitse autoriteiten een Duldung afgegeven met de vermelding dat eisers identiteit onopgehelderd is. Dit is tegenstrijdig met de Eurodac-identificatie. Daar komt bij dat eisers biometrische gegevens niet voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen. Volgens Afdelingsjurisprudentie kunnen individuele omstandigheden cumulatief maken dat de minister gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid, in het geval de losse elementen onvoldoende zouden zijn. De minister heeft ten onrechte niet in samenhang getoetst.

Naar het oordeel van de rechtbank ziet de minister in eisers persoonlijke omstandigheden – namelijk de door hem gestelde consequenties vanwege de registratie van zijn identiteit in Duitsland en zijn detentie– niet ten onrechte geen aanleiding om eisers asielaanvraag vanwege onevenredige hardheid onverplicht in behandeling te nemen. De door eiser in dit licht aangevoerde punten, zien namelijk op omstandigheden die al zijn betrokken bij de vraag of de minister voor Duitsland uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van eisers asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. van Harten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?