Beroep tegen het niet tijdig beslissen
9. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de minister niet tijdig heeft beslist op de asielaanvraag van eiser, dat de ingebrekestelling van 17 juli 2024 geldig is en dat sindsdien twee weken zijn verstreken, zonder dat de minister in die periode heeft beslist op de aanvraag. De minister heeft na het instellen van het beroep met het besluit van 28 oktober 2024 echter alsnog beslist op de aanvraag. Dat betekent dat eiser geen inhoudelijk belang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk.
10. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Eiser is het niet eens met het inhoudelijke besluit op zijn asielaanvraag. Het beroep van eiseres heeft dus mede betrekking op het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024.
Beroep tegen het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024
11. De rechtbank beoordeelt of de minister het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024 terecht heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden (de argumenten) van eiser.
Het asielrelaas en onderbouwing asielaanvraag
12. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1994. Op 12 april 2023 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: asielaanvraag) ingediend.
13. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiser sympathiseert met de Gülenbeweging. In 2006 is hij met deze beweging in contact gekomen. Tijdens zijn middelbare (militaire) school – die in 2008 begon – nam eiser deel aan ‘Sohbets’ (religieuze gespreksbijeenkomsten) en had hij een eigen ‘Abi’, die hij via een openbare telefooncel belde om af te spreken. Na zijn middelbare school is eiser naar de militaire school in Ankara gegaan. Naar aanleiding van de coup in 2016 – toen de noodtoestand was afgeroepen – zijn militaire scholen per decreet gesloten en zijn de studenten van deze scholen weggestuurd. Ook eiser is op deze wijze van zijn school geroyeerd. Er is hem toen verteld dat het voortaan niet mogelijk is om bij een overheidsinstantie te gaan werken. Eiser werkte later als vertegenwoordiger voor een onderneming in Ankara, waar hij nadien ontslag heeft genomen toen hem vragen werden gesteld of hij als militair student betrokken was bij de Gülenbeweging. Toen hij in juni 2022 – in verband met dit werk – naar een beurs voor defensiematerieel ging, werd hij bij binnenkomst geweigerd vanwege veiligheidsredenen (eiser stond op de namenlijst van de bewaker). Eiser heeft toen van een vriend die advocaat is te horen gekregen dat zijn naam voorkomt in strafzaakdossiers, in verband met het bellen vanuit een publieke telefooncel naar mensen van de Gülenbeweging. De advocaat heeft eiser verteld dat hij mogelijk ook zal worden aangehouden. Twee studievrienden van eiser zijn om die reden al aangehouden. Eén daarvan is hiervoor ook veroordeeld door de rechtbank in Istanbul. Eiser gaat er, op basis van wat hij gehoord heeft, vanuit dat zijn naam in deze strafzaken voorkomt. Eiser denkt dat iemand heeft ‘geklikt’ dat hij destijds deelnam aan Sohbets. Eiser vermoedt dat er een onderzoek naar hem loopt, waarbij bekeken wordt hoe lang hij als militair student betrokken is geweest bij de Gülenbeweging. Hij kan in dit kader door de Turkse overheid beschuldigd worden van lidmaatschap van een terroristische organisatie. Eiser is op 12 september 2022 – ongeveer twee maanden na de beurs – op legale wijze het land verlaten. Na zijn vertrek uit Turkije zijn er op 2 januari 2023 politieagenten van de terreurafdeling bij eisers ouders thuis geweest, waarbij ze naar eiser hebben gevraagd. Daarna is ook het zusje van eiser bevraagd waar eiser is, toen zij haar toelatingsexamen ging doen voor de universiteit. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Turkije aangehouden zal worden.
14. Ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft eiser op 9 juli 2023 en op 22 oktober 2024 diverse documenten ingeleverd. Voor zover relevant voor de beoordeling van het beroep in deze uitspraak gaat het om:
Het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024
15. In het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024 heeft de minister het asielrelaas onderscheiden in de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst
Betrokkenheid bij de Gülenbeweging en de daaruit volgende problemen met de Turkse autoriteiten
16. De minister acht de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook de betrokkenheid van eiser bij de Gülenbeweging wordt door de minister geloofd. De door eiser gestelde daaruit volgende problemen acht de minister echter (deels) ongeloofwaardig. De minister vindt dat eiser zijn vrees vanwege de geloofwaardig geachte betrokkenheid bij de Gülenbeweging – op grond waarvan eiser tot een risicoprofiel behoort als bedoeld in het beleid van de minister – niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarom wordt eiser door de minister niet aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser komt evenmin in aanmerking voor subsidiaire bescherming. Met het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024 heeft de minister de asielaanvraag van eiser daarom afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarbij heeft de minister verder bepaald dat eiser geen verblijfsvergunning regulier krijgt, dat eiser geen uitstel van vertrek krijgt, en dat hem een terugkeerbesluit voor Turkije wordt opgelegd met een vertrektermijn van vier weken.
Procedure in beroep
17. Voor zover relevant voor deze uitspraak zijn in de procedure in beroep nadere stukken ingediend door eiser en de minister. Het gaat om de volgende stukken.
Eiser heeft op 11 maart 2025 aanvullende gronden van beroep ingediend, voorzien van een dertiental bijlagen. In deze bijlagen bevindt zich een proces-verbaal van verhoor van [naam] , alsmede een beëdigde vertaling van een passage uit dit verhoor.
Eiser heeft op 27 maart 2025 nadere stukken – waaronder de integrale vertaling van het voornoemde proces-verbaal van verhoor – en aanvullende gronden van beroep ingediend.
De minister heeft op 8 mei 2025 een aangepaste motivering gegeven voor het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024.
Eiser heeft op 8 juni 2025 aanvullende gronden van beroep ingediend, gericht tegen de aangepaste motivering van de minister.
Eiser heeft op 25 augustus 2025 een nader stuk overgelegd, te weten een nadere vertaling van een deel van het proces-verbaal van verhoor van [naam] .
Eiser heeft op 4 maart 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend en een nader stuk ingediend, te weten een nadere vertaling van een deel van het proces-verbaal van verhoor van [naam] .
Aangepaste motivering de minister
18. In de brief van 8 mei 2025 heeft de minister een aangepaste motivering gegeven met betrekking tot de asielaanvraag van eiser en de geloofwaardigheidsbeoordeling – zoals hij zelf zegt – ‘herzien’.
19. In deze aangepaste motivering heeft de minister het asielrelaas onderscheiden in de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst
Betrokkenheid bij de Gülenbeweging en de daaruit volgende problemen met de Turkse autoriteiten
Politieke overtuiging ten aanzien van de regering Erdogan en de uiting daarvan op sociale media
20. De identiteit, nationaliteit en herkomst heeft de minister in de aangepaste motivering niet verder besproken, nu deze volgens hem niet ter discussie staan. De betrokkenheid bij de Gülenbeweging en de daaruit volgende problemen met de Turkse autoriteiten acht de minister (deels) ongeloofwaardig. Meer in het bijzonder acht de minister niet meer geloofwaardig dat eiser Gülenist is dan wel toegedicht Gülenist is, maar gelooft hij enkel nog dat eiser enige betrokkenheid heeft gehad bij de Gülenbeweging in het verleden. De minister vindt voorts dat eiser zijn gestelde vrees vanwege het geloofwaardig geachte deel van dit asielmotief niet aannemelijk heeft gemaakt. De politieke overtuiging ten aanzien van de regering Erdogan en de uiting daarvan op sociale media acht de minister ook geloofwaardig. De door eiser in dat kader gestelde vrees acht de minister echter eveneens onaannemelijk.
21. De rechtbank stelt vast dat de minister met de aangepaste motivering van 8 mei 2025 – zoals verkort weergegeven onder 18 tot en met 20 – zijn standpunt omtrent de asielaanvraag van eiser wezenlijk heeft gewijzigd. Tijdens de nadere zitting van 5 maart 2026 heeft de minister desgevraagd aangegeven dat het daarin opgenomen standpunt omtrent asielmotief II integraal de geloofwaardigheidsbeoordeling en risicotaxatie over dat asielmotief uit het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024 vervangt. De rechtbank van oordeel dat de minister hiermee erkent dat het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024 een motiveringsgebrek kent. De minister is immers teruggekomen op zijn aanvankelijke beoordeling. Dit brengt met zich dat het beroep gegrond is en dat het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024 voor vernietiging in aanmerking komt.
22. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024 in stand kunnen worden gelaten. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De beoordeling door de rechtbank zich richt op het standpunt van de minister in de aangepaste motivering en de daartegen gerichte gronden van eiser.
Aangepaste motivering 8 mei 2025
Geloofwaardigheid problemen vanwege betrokkenheid Gülenbeweging
23. In de eerste plaats is tussen partijen in geschil of de minister niet ten onrechte de door eiser gestelde problemen vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging gedeeltelijk ongeloofwaardig heeft bevonden. Meer in het bijzonder ligt in dit kader de vraag voor of de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet geloofwaardig is dat eiser Gülenist is dan wel toegedicht Gülenist is.
Standpunt van de minister
Geloofwaardigheidsstandpunt Gülenist zijn
24. De minister gelooft niet dat eiser Gülenist is. Hij wijst erop dat dat hij niet afkomstig is uit een familie van Gülenisten. Ook stelt de minister dat uit eisers verklaringen niet volgt dat hij na 2016 nog actief is geweest binnen de Gülenbeweging. Ook in Nederland heeft hij geen aansluiting tot de beweging gezocht. Verder heeft eiser verklaard dat zijn denkbeelden verschillen met de denkbeelden van de beweging. Zo is voor eiser Atatürk een belangrijk persoon, terwijl uit openbare informatie volgt dat de denkbeelden van de Gülenbeweging en Atatürk fundamenteel tegengesteld zijn aan elkaar. Eiser geeft verder aan dat hij niet erg religieus is, wat niet in overeenstemming is met de religieus-conservatieve denkbeelden van de Gülenbeweging.
25. De minister acht geloofwaardig dat eiser vóór 2016 contact heeft gehad met de Gülenbeweging, nu hij van 2006 tot 2008 Sohbets heeft bezocht en tijdens zijn middelbare school-periode één-op-één-huiswerkbegeleiding kreeg van een Abi. De minister wijst er echter op dat op pag. 44 in het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 2023 (hierna: AAB 2023) is vermeld dat – omdat de Gülen-instituties hoog stonden aangeschreven in kwalitatief opzicht – in het verleden miljoenen mensen in Turkije in een bepaald opzicht verbonden waren aan de Gülenbeweging. Eiser heeft zich niet op één of andere wijze onderscheiden ten opzichte van deze vele miljoenen anderen. Uit eisers verklaringen volgt wél dat de betrokkenheid van eiser bij de beweging gering was. Zo bezocht hij de Sohbets toen hij 12-14 jaar oud was, omdat vrienden van hem die ook bezochten. Na 2008 had eiser één keer per maand contact met een Abi die hem hielp met het huiswerk – en het contact verliep via een munttelefoon. Uit eisers verklaringen volgt verder niet dat hij afkomstig is uit een familie van Gülenisten: zijn vader had geen betrokkenheid bij de beweging en zijn moeder bezocht af en toe Sohbets maar besloot na 2016 niet meer te gaan. Eiser had verder geen ByLock-app en geen rekening bij de Asya-bank.
Geloofwaardigheidsstandpunt toegedicht Gülenisme
26. De minister acht voorts ongeloofwaardig dat eiser toegedicht Gülenist is. De minister volgt wel dat eiser op een school heeft gezeten die door de Turkse overheid per decreet is gesloten. Uit openbare bronnen volgt dat de militaire scholen in Turkije naar aanleiding van de mislukte coupe van 2016 per decreet gesloten werden, waaronder de school die eiser bezocht, de Kara Harp Okulu in Ankara. Ook uit het door eiser overgelegde SGK-overzicht volgt dit. Echter, niet alle studenten die een school bezochten die per decreet gesloten is, worden individueel door de Turkse autoriteiten als Gülenistisch cadet beschouwd. In de nasleep van de coupe werden duizenden cadetten collectief ontslagen, zonder individuele beoordeling van hun betrokkenheid bij de Gülenbeweging, waarbij de minister verwijst naar de bron ‘Nordic Monitor’. Ongeveer 16.409 militaire studenten werden uit hun opleiding verwijderd en de academies – waaronder Kara Harp Okulu – werden opgeheven en ondergebracht in de nieuw opgerichte Nationale Defensie Academie. Uit het feit dat de school per decreet gesloten is, volgt volgens de minister dan ook nog niet dat hij als individu ook door de Turkse autoriteiten als Gülenistisch cadet wordt beschouwd.
27. De minister vindt het – op basis van de criteria genoemd in het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 2021 (hierna: AAB 2021) die kunnen leiden tot negatieve aandacht van de autoriteiten (en aldus tot toegedicht Gülenisme), eveneens genoemd in het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 2022 (hierna: AAB 2022) en het AAB 2023 – niet geloofwaardig dat de Turkse overheid eiser Gülenisme heeft toegedicht. Eiser voldoet aan niet één van deze criteria. Er zijn verder geen aanwijzingen op grond waarvan toedichting tóch dient te worden aangenomen. Hierbij motiveert de minister – opnieuw – dat zeker niet alle cadetten van militaire academies die per decreet zijn gesloten, door de overheid met de Gülenbeweging in verband worden gebracht. Uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 2025 (hierna: AAB 2025) volgt dat gedurende de verslagperiode met name Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat in de negatieve belangstelling van de autoriteiten stonden. Gülenistische cadetten, militairen, gendarmes, politieagenten, rechters en openbare aanklagers kregen de negatieve aandacht van de Turkse overheid. Het is volgens de minister niet aannemelijk dat eiser als Gülenistisch cadet wordt beschouwd. Dit nu niet geloofwaardig is dat eiser Gülenist is, en omdat hij niet aan de criteria voldoet voor toegedicht Gülenisme. De minister herhaalt in dit kader dat eiser geen familieleden heeft die veroordeeld zijn wegens betrokkenheid bij de beweging, dat eiser zelf niet eerder strafrechtelijk vervolgd is wegens betrokkenheid en dat uit de verklaringen van eiser niet volgt dat hij na de coup van 2016 nog op enige wijze betrokken is geweest bij de beweging.
Overige tegenwerpingen
28. Wat betreft de door eiser overgelegde documenten overweegt de minister als volgt. De brief van de Turkse advocaat van 14 augustus 2023 ziet de minister als een subjectieve verklaring, steunbetuiging dan wel alternatieve geloofwaardigheidsbeoordeling. Hieraan wordt in de regel beperkte waarde toegekend. Dit is slechts anders indien zo’n brief betrekking heeft op feitelijke waarnemingen die objectief controleerbaar zijn. Dat is hier niet het geval. Ten aanzien van het proces-verbaal van verhoor (hierna: PV) van [naam] van 8 maart 2023 wordt allereerst opgemerkt dat de minister de authenticiteit van dit stuk niet kan verifiëren, nu het geen stukken betreft die zijn opgesteld door een rechtbank. Uit het PV leidt de minister onder meer af dat [naam] telefonisch contact met eiser heeft gehad in 2012 en dat eiser in deze periode student was aan een militaire middelbare school en onderwerp was van een FETÖ-onderzoek. Uit het woordje ‘was’ volgt volgens de minister dat dit onderzoek is afgerond. Onduidelijk is wanneer dit onderzoek heeft plaatsgevonden en wat de conclusies en gevolgen waren. Uit het PV volgt verder niet dat eiser anderszins in verband wordt gebracht met de Gülenbeweging, en ‘verklikt’ is als lid van de beweging. Eveneens blijft onduidelijk wat er met [naam] nadien is gebeurd, en of hij strafrechtelijk is vervolgd.
29. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser tussen 2016 en zijn vertrek uit Turkije in 2022 niet aantoonbaar problemen heeft ondervonden met de Turkse autoriteiten. Ut zijn verklaringen volgt dat hij, samen met andere klasgenoten, direct na de coupe in 2016 voor de Officier van Justitie moest verschijnen, en dat hij en zijn klasgenoten één voor één naar voren moesten komen om te verklaren wat er de dag van de coup op school was gebeurd. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er in het verleden onderzoek naar eiser is gedaan, maar dit onderzoek niet heeft geleid tot een strafrechtelijke vervolging. Wat betreft de door eiser gestelde toegangsweigering bij een beurs in juni 2022 vindt de minister dat eiser zijn conclusies – dat sprake is van een geheim onderzoek naar eiser – enkel baseert op vermoedens. Eiser heeft toen de advocaat gebeld, en deze advocaat heeft gezien dat eisers naam voorkwam in het beldossier van een klasgenoot van eiser. De minister neemt in dit kader aan dat het hier om het voornoemde PV van [naam] gaat. Uit niets blijkt echter dat er daadwerkelijk een strafrechtelijk onderzoek gestart is, en dat de beurswijziging dáár het gevolg van is. Eiser heeft ook niet verklaard wat er precies op de namenlijst stond. Eiser heeft voorts niet aangetoond dat er een geheim strafdossier tegen hem zou bestaan. Gelet op informatie in het AAB 2025 (pag. 20) – waarin staat dat bij niet gevoelige zaken het dossier in UYAP raadpleegbaar moet zijn – acht de minister niet aannemelijk dat de advocaat geen toegang tot dit dossier kan krijgen.
30. De legale uitreis vormt volgens de minister voorts een indicatie dat eiser niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Hij baseert zich hierbij op informatie uit het AAB 2021 en AAB 2025, waarin staat dat dat in de meeste gevallen met een politieke dimensie, die in de context van het Turkse strafrecht werden beschouwd als ‘terreurzaken’ (Koerdische activisten en (vermeende) Gülenisten), een uitreisverbod werd opgelegd, alsmede dat het gebruikelijk is dat een uitreisverbod wordt opgelegd aan personen tegen wie een strafrechtelijk onderzoek loopt.
31. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser niet met documenten kan onderbouwen dat de Turkse autoriteten op 1 januari 2023 een huisbezoek bij hem hebben afgelegd. Uit de verklaringen van eiser volgt dat de politie naar zijn huis toekwam om te informeren naar de verblijfplaats van eiser, en niet dat de agenten een reden gaven waarom ze naar eiser op zoek waren en evenmin dat er een inval heeft plaatsgevonden. Dit terwijl in de brief van de advocaat van eiser staat dat er op 2 januari 2023 in operatie is uitgevoerd door de Afdeling Terrorismebestrijding van Ankara, om eiser in hechtenis te nemen – en dat de operatie plaatsvond in de woning van eiser. Dit is tegenstrijdig met elkaar. Ook heeft eiser het bezoek aan zijn huis niet aangetoond door een arrestatiebevel te overleggen, terwijl de advocaat stelt dat dit arrestatiebevel zou zijn uitgevaardigd, en uit het voorgaande volgt dat niet valt in te zien waarom zo’n bevel niet in UYAP is terug te vinden.
32. De minister heeft eiser tenslotte artikel 31, zesde lid, onder d van de Vw 2000 tegengeworpen. Eiser heeft zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en heeft hier géén goede reden voor. Eiser is eind september 2022 Nederland ingereisd en heeft zich pas op 11 april 2023 gemeld voor asiel. De minister ziet geen verschoonbaarheid in de door eiser opgegeven reden; het omzeilen van de Dublinprocedure. Eiser had in het Dublingehoor bovendien kunnen toelichten waarom overdracht aan Hongarije in zijn geval onwenselijk zou zijn geweest.
Standpunt van eiser
Betwisting geloofwaardigheidsstandpunt Gülenist zijn
33. Eiser voert allereerst aan dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden dat eiser Gülenist is. Hij wijst erop dat hij in het nader gehoor zelf heeft verklaard dat hij Gülenist is. Verder acht de minister geloofwaardig dat eiser vóór 2016 contact had met de Gülenbeweging (in de vorm van deelname aan Sohbets en één-op-één-huiswerkbegeleiding van een Abi). De minister miskent dat Sohbets enkel door Gülenisten wordt gedaan, evenals het feit dat het hebben van een Abi slechts voorbehouden is aan Gülenisten. Dat heeft niets te maken met aan de Gülenbeweging gelieerd onderwijs, maar zijn juist Gülenistische activiteiten. Anders dan de minister stelt heeft eiser Sohbets gevolgd van 2006 tot 2016. Eveneens anders dan de minister stelt, komt eiser wél uit een gezin van Gülenisten. Eisers moeder ging tot 2016 naar Sohbets. Zij is gestopt – zo heeft eiser verklaard – vanwege de arrestaties en problemen; dit zag dus niet op een intrinsieke afname van gevoel bij de beweging. Dat eiser in Nederland weinig activiteiten heeft ontplooid kan hem niet worden tegengeworpen. Er zijn verschillen in denkbeelden in de beweging, en bovendien heeft eiser beperkte mogelijkheden in het kamp waar hij verblijft. Dit betekent echter niet dat hij niet met gelijkgestemden wenst samen te komen.
Betwisting geloofwaardigheidsstandpunt toegedicht Gülenisme
34. Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat hem Gülenisme wordt toegedicht. De door de minister vermelde lijst met indicatoren voor toegedicht Gülenisme is onvolledig. Er zijn veel andere indicatoren die eveneens op (toegedicht) Gülenisme duiden. In dit kader wijst hij (onder meer) op een rapport van de Finse immigratiedienst van juni 2024 (getiteld: “Turkey, Individuals associated with the Gülen movement”). Eiser merkt op dat hij op een middels decreet gesloten militaire school gezeten heeft en dat hij als militair student regelmatig contact had via een munttelefoon met een Abi. Dit laatste vormt een zeer belangrijk bewijsmiddel in militaire zaken, wat door de minister wordt miskend en ten onrechte niet als indicator voor toedichting genoemd is. Eiser ging daarnaast naar een Dershane, nam deel aan Sohbets en had een Abi. Vaak zijn dat de bewijsmiddelen die via getuigenverklaringen als bewijs worden gebezigd. De minister heeft bovendien eerder – in een andere procedure – expliciet aangegeven dat militaire studenten bij terugkeer gevaar lopen, in welk kader eiser een bewijsstuk overlegt. Eiser is aldus evident in 2016 gelabeld als Gülenist – in de visie van de Turkse staat een gewapende terreurorganisatie genaamd FETÖ/PDY. Vanaf 2016 zijn er duizenden studenten aangehouden – en ook de laatste jaren gaat dit door. De militaire scholen worden gezien als broedplaats voor de infiltratie in het leger bij cadetten die doorgroeien. Wat betreft de munttelefoon wijst eiser op het AAB 2025 (pag. 48), waarin staat dat er op 1 augustus 2024 en 19 november 2024 respectievelijk 55 en 459 Gülenverdachten – die werkzaam waren in onder meer het leger, de politie en de rechterlijke macht – zijn opgepakt die contact met elkaar onderhielden vanuit telefooncellen. Eiser heeft dus een munttelefoon gebruikt, dat als bewijsmiddel wordt gezien, de Turkse autoriteiten zijn daar bovendien al achter gekomen én daarnaast bevestigt de Turkse advocaat dat er een onderzoek naar eiser loopt. Eiser brengt verder naar voren dat hij tot een groep van militaire cadetten behoort die in het AAB 2025 (pag. 49) uitdrukkelijk wordt genoemd als groep waar in de verslagperiode nog veel operaties naar zijn verricht, overigens ook in de periode na de verslagperiode. Ten aanzien van het standpunt van de minister inzake de door hem gestelde omstandigheid dat er géén individuele beoordeling plaatsvindt van betrokkenheid bij de Gülenbeweging in het kader van het collectieve ontslag van cadetten (waaronder studenten van Kara Harp Okulu), stelt eiser dat de minister deze stelling niet onderbouwt. De verwijzing van de minister naar de ‘Nordic Monitor’ – zonder bronvermelding – is onvoldoende. Eiser stelt zich op het standpunt dat uit het SGK-overzicht blijkt dat hij middels een decreet verwijderd is, en dat dit voor alle toekomstige werkgevers zichtbaar is. Dit past ook bij de verklaring van eiser dat hij weg moest van zijn werkgever toen hij daarachter kwam.
35. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat hij in deze procedure nadere vertalingen heeft overgelegd van een deel van het PV van [naam] , omdat hij constateerde dat de ene vertaler in de verleden tijd sprak over het FETÖ-onderzoek jegens eiser en de andere vertaler in de tegenwoordige tijd.
Betwisting overige tegenwerpingen
36. Eiser betwist verder dat hij geen documenten heeft overgelegd waaruit zijn problemen met de autoriteiten volgen. Hierbij wijst hij op de brief van de Turkse advocaat van 14 augustus 2023 en het PV van [naam] van 8 maart 2023. Hij vindt dat aan deze stukken onvoldoende gewicht wordt toegekend. Eiser vindt dat de minister ten onrechte de brief van de advocaat van eiser kwalificeert als subjectieve verklaring dan wel steunbetuiging. Verklaringen van advocaten zijn onderworpen aan gedrags- en tuchtrecht. Er is geen reden om niet uit te gaan van de verklaring van de advocaat dat er een strafrechtelijk onderzoek – waar geheimhouding op zit – jegens eiser loopt. Ten aanzien van het PV van [naam] voert eiser aan dat het juist is – zoals de minister stelt – dat dit PV geen stuk is dat door de rechtbank is opgesteld, nu het door de Turkse politie is opgesteld.
37. Wat betreft de inhoud van het PV van [naam] stelt eiser het volgende. Als er vanuit zou moeten worden gegaan dat het onderzoek daadwerkelijk was afgerond, zijn er drie scenario’s denkbaar volgens eiser. Scenario 1 is dat dit dan tot een sepot zou hebben geleid, maar dat is nooit kenbaar gemaakt aan eiser via UYAP, en is in die zin onaannemelijk. Scenario 2 is dat er onderzoek is gedaan, maar dat de zaak niet formeel is afgerond maar op de plank is gelegd. Getracht wordt bijvoorbeeld via de spijtoptantenregeling aan nader bewijs te komen om de zaak rond te maken. In het verhoor is te zien dat [naam] geconfronteerd wordt met communicatie uit een telefooncel door eiser. Al met al kan ervan uit worden gegaan dat de autoriteiten inmiddels genoeg informatie hadden om eiser aan te houden, wat ook gepland was bij de inval van de antiterreureenheid. In scenario 3 is het strafrechtelijk onderzoek succesvol afgerond, en leidt de inhoud tot de operatie waarbij eiser moest worden aangehouden. Naar mening van eiser zijn zowel scenario’s 2 en 3 mogelijk. In beide scenario’s dient eiser bij terugkeer te worden aangehouden. Eiser betwist verder dat uit het PV niet volgt dat hij met de Gülenbeweging in verband wordt gebracht. Het betreft immers een gehoor dat verband houdt met betrokkenheid bij de Gülenbeweging en in het PV spelen bellen of gebeld worden via de telefooncel een sleutelrol. Bovendien is eiser genoemd als iemand naar wie een FETÖ-onderzoek is ingesteld. Voorts is – voor wat betreft de asielaanvraag van eiser – niet relevant wat er met [naam] nadien is gebeurd. Het is enkel van belang wat er mogelijk met eiser kan gebeuren. Eiser wijst er in dit kader overigens op dat algemeen bekend is dat Turkse autoriteiten arrestanten trachten gebruik te laten maken van de spijtoptantenregeling, opdat er bewijs kan worden verzameld tegen anderen.
38. Voorts kan er volgens eiser niet van worden uitgegaan dat de advocaat de naam van eiser enkel in het dossier van [naam] heeft gezien. In zoverre bestrijdt eiser de aanname van de minister dat de vermelding in het PV van de naam van eiser, dezelfde informatie betreft als de verklaring van de advocaat dat hij eisers naam in een dossier heeft gezien. Eiser heeft immers verklaard (pag. 19 nader gehoor) dat de advocaat heeft gezien dat een persoon die is aangehouden en veroordeeld de naam van eiser aan de autoriteiten heeft doorgegeven. De Turkse autoriteiten kwamen zelf met de naam van eiser in het verhoor van [naam] . Het voorgaande volgt ook uit het feit dat de advocaat in de zaak van [naam] ene Abdullah Polat was, en de advocaat van eiser betreft Bahadir Kücük. Dit betreft dus een extra bewijsmiddel (getuigenverklaring) naast het PV.
39. De minister hanteert volgens eiser voorts een onjuiste uitleg van de beschikbaarheid van stukken uit het UYAP-systeem. De advocaat kan niet over verdere stukken beschikken, gezien de geheimhouding die op deze dossiers rust en omdat daar toestemming van zijn cliënten voor nodig is. De minister miskent het onderscheid tussen de fase van politioneel onderzoek en een strafrechtelijke procedure en miskent de belangen van de Turkse staat bij het niet publiceren van deze stukken vóór aanhouding en verhoor.
40. Eiser betwist verder dat hij geen persoonlijke problemen heeft gehad – en dat hij door de Turkse autoriteiten niet in de negatieve belangstelling staat vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging. De minister heeft de verschillende omstandigheden onvoldoende in samenhang beoordeeld. Eiser acht het voorts bevreemdend dat de minister stelt dat hij in de periode 2016-2022 geen aantoonbare problemen heeft gehad in Turkije. Eiser is immers per decreet van school gestuurd, welk decreet is opgenomen in zijn SGK-overzicht en te zien is bij invoering van zijn Kimlik-nummer. Eiser kreeg verder te maken met toegangsweigering bij een beurs. Voorts is in de periode daarna het zusje van eiser bevraagd naar eiser, bij het toelatingsexamen tot de universiteit.
41. Ten onrechte werpt de minister volgens eiser tegen dat er een tegenstrijdigheid zit in het relaas met betrekking tot de inval door de afdeling terrorismebestrijding op 2 januari 2023 op het adres van zijn ouders. Er is gewoon andere terminologie gebruikt om hetzelfde te zeggen. Het spreekt verder voor zich dat met ‘inval’, ‘operatie’ en ‘politiebezoek’ telkens hetzelfde wordt bedoeld; namelijk dat de politie naar de woning is gegaan om eiser daar aan te houden. De afdeling terrorismebestrijding behoort bovendien gewoon tot de politie. Eiser heeft het in zijn nader gehoor bovendien ook over politieagenten (pag. 5 en 11). Dat eiser voorts geen arrestatiebevel heeft overgelegd, kan hem niet worden tegengeworpen omdat hij in UYAP niet over deze stukken kan beschikken.
42. Wat betreft de legale uitreis voert eiser aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat dit een aanwijzing is dat eiser niet in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. In het AAB 2023 (pag. 18) en het AAB 2025 (pag. 20) staat expliciet dat het legaal kunnen uitreizen los staat van de vraag of er een strafzaak of onderzoek tegen iemand loopt.
43. Ten aanzien van het wachten met het indienen van de asielaanvraag voert eiser aan dat hij wilde voorkomen dat Hongarije verantwoordelijk zou worden voor de asielaanvraag. Eiser heeft weinig vertrouwen in de Hongaarse autoriteiten. Zijn doel was altijd al om bescherming te vragen in Nederland. Dit kan op geen enkele wijze afbreuk doen aan de oprechtheid van de beschermingsbehoefte. Dat eiser in het Dublingehoor zijn bezwaren tegen een overdracht had kunnen uiten doet daar niet aan af, omdat het allerminst zeker is dat Nederland dan had afgezien van overdracht. Bovendien heeft de Hongaarse regering goede banden met de regering van Erdogan.
Beoordeling rechtbank
44. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet deugdelijk gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig voorbereid op het standpunt heeft gesteld dat het niet geloofwaardig is dat eiser Gülenist is dan wel toegedicht Gülenist is. Zij zal dit in het hiernavolgende uiteenzetten.
Geloofwaardigheid Gülenist zijn
45. De rechtbank overweegt allereerst dat onduidelijk is welke definitie de minister precies hanteert van ‘een Gülenist’. In de aangepaste motivering wordt niet langer door de minister gevolgd dat eiser Gülenist is, terwijl dit ten tijde van het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024 nog wel het geval was. De minister achtte in dat besluit het risicoprofiel op eiser van toepassing. Het is aldus van belang dat de minister kenbaar inzicht kan geven ten aanzien van de vraag hoe de omlijning van de groep personen die ‘Gülenist zijn’ plaatsvindt en hoe deze groep concreet afgebakend kan worden van de groep die weliswaar in het verleden wellicht enige betrokkenheid heeft gehad bij de Gülenbeweging maar die volgens de ministers begrippenkader niettemin ‘geen Gülenist zijn’ – zoals volgens de minister ook bij eiser aan de orde zou zijn. Desgevraagd heeft de minister de rechtbank geen richtsnoeren kunnen geven die bepalend zijn in dit verband.
46. De voornoemde onduidelijkheid wreekt zich in deze zaak. Eiser heeft immers verklaard dat hij sympathiseert met de Gülenbeweging en dat ook zijn moeder Gülenistisch zou zijn. Uit het dossier blijkt voorts dat het niet enkel blijft bij deze stelling van eiser, maar dat eiser in het verleden ook daadwerkelijk activiteiten heeft ontplooid die typisch zijn voor leden van de Gülenbeweging, zoals het deelnemen aan Sohbets en het onderwijs volgen op een militaire Gülenistische school. Dat eiser bijvoorbeeld geen hooggeplaatst Gülenist is (geweest), is aannemelijk, maar op basis van welke feitelijke grondslag geconcludeerd kan worden dat eiser überhaupt geen Gülenist heeft de minister niet duidelijk kunnen maken.
47. Bij het voorgaande weegt mee dat uit het AAB 2025 (pag. 45) uitdrukkelijk blijkt dat de Gülenbeweging geen strak omlijnde organisatie is, dat men niet officieel lid kan worden en geen inwijdingsritueel hoeft te ondergaan en dat – voordat deze beweging in Turkije werd verboden – een losse verzameling vormde van religieuze, educatieve en maatschappelijke instellingen. De enkele omstandigheid dat eiser in het gehoor heeft verklaard dat Atatürk een belangrijk persoon voor hem is en dat dit volgens de minister niet zou rijmen met zijn Gülenisme is op zichzelf onvoldoende zwaarwegend om geheel ongeloofwaardig te vinden dat eiser ‘Gülenist is’. Weliswaar komen het gedachtegoed van Atatürk en Gülen niet overeen maar eiser heeft in dat verband ook verklaard dat binnen de Gülenbeweging verschillende meningen voorkomen en heeft hij niet verklaard vanwege zijn denkbeelden volledig afstand genomen te hebben van de Gülenbeweging. Er is op dit punt ook niet verder doorgevraagd in het gehoor. In het licht van de eerdergenoemde diffuse organisatievorm kan de stelling van de minister dat het bevreemding wekt dat eiser heeft verklaard niet zeer religieus te zijn gelet op de – volgens de minister – religieus-conservatieve denkbeelden van de Gülenbeweging evenmin standhouden. Het komt de rechtbank voor dat het Gülenisme veeleer een pluriforme beweging is, hetgeen logischerwijs ook tot uiting zal komen in de mate van religiositeit van de aanhangers.
48. De rechtbank overweegt verder dat – naast de voornoemde onduidelijkheid met betrekking tot de afbakening van wie wel en geen Gülenist is – ook onduidelijk is gebleven op basis van welk beoordelingskader de minister onderzoekt of het geloofwaardig is dat iemand Gülenistisch is. Tijdens de zitting heeft de rechtbank aan de minister gevraagd of de rechtbank het wellicht zo moet begrijpen dat de minister in feite in dit verband (enkel) de ‘overtuigd Gülenisten’ voor ogen heeft en dat zijn beoordeling daarop geënt is. In eerste instantie heeft de minister tijdens de zitting geantwoord dat dit niet het geval is, maar enige tijd later heeft de minister geciteerd uit de door hem gegeven antwoorden op de vragen van de Afdeling in de momenteel nog aanhangig zijnde hogerberoepsprocedure in een tweetal Gülenzaken, en aangegeven dat hij in dit kader – inderdaad – een beoordeling gericht op de aanwezigheid van een politieke overtuiging verricht. Nog daargelaten dat uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 21 september 2023 (ECLI:EU:C:2023:688) juist uitdrukkelijk volgt dat een politieke overtuiging ruim uitgelegd moet worden en dat dit onder meer betekent dat niet vereist kan worden dat deze overtuiging ‘fundamenteel’ of ‘diepgeworteld’ is, en het daarom de vraag is hoe dit toepasbaar is bij de beoordeling of iemand Gülenist is, stelt de rechtbank vast dat in de aangepaste motivering geen blijk is gegeven dat dit asielmotief door de minister is beoordeeld in het naar aanleiding van het arrest opgestelde toestingskader dat volgt uit het Informatiebericht 2024/10: ‘Werkwijze politieke overtuiging’. Ook is in dat kader niet inzichtelijk hoe een dergelijke beoordeling zich verhoudt tot het derde asielmotief “Politieke overtuiging ten aanzien van de regering Erdogan en de uiting daarvan op sociale media” dat wel geloofwaardig is geacht.
49. De minister heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat niet geloofwaardig is dat eiser ‘Gülenist is’. De beroepsgrond slaagt.
Geloofwaardigheid toegedicht Gülenisme
50. Tijdens de zitting heeft de minister – desgevraagd – een verduidelijking gegeven ten aanzien van de vraag hoe hij beoordeelt of het geloofwaardig is dat iemand door de Turkse staat Gülenisme wordt toegedicht. De minister heeft aangegeven, opnieuw citerend uit zijn antwoorden zoals hij die naar de Afdeling heeft gestuurd in het kader van de onder 48 bedoelde hogerberoepsprocedure, dat hij gebruikmaakt van de mate van aanwezigheid van criteria/indicaties op grond waarvan iemand gelinkt kan worden aan de Gülenbeweging en die gebruikt worden door de Turkse staat om iemand te vervolgen. Concreet heeft de minister gewezen op de criteria zoals die zijn genoemd in het AAB 2025 (pag. 50), zoals het hebben gehad van een bankrekening bij Bank Asya of het hebben gedownload en gebruikt van de ByLock-app.
51. De rechtbank heeft de minister tijdens de zitting erop gewezen dat in het AAB 2025, daar waar het gaat om de criteria die in dit kader relevant zijn, in een voetnoot (voetnoot 354) is verwezen naar het ook door eiser in deze procedure aangehaalde rapport van de Finse Immigratiedienst van juni 2024. Hierop is de minister tijdens de zitting de vraag gesteld of de rechtbank één en ander dan zo moet begrijpen dat de minister op zichzelf aansluit bij de in het laatstgenoemde rapport genoemde criteria, voor de vraag of geloofwaardig is dat iemand door de Turkse staat kan worden gelinkt aan de Gülenbeweging. De minister heeft daarop geantwoord dat dit het geval is. Vervolgens heeft de minister eveneens een bevestigend antwoord gegeven op de vraag van de rechtbank of de minister in zijn algemeenheid vindt dat naarmate iemand aan meer van deze criteria voldoet, des te geloofwaardiger het is dat hem Gülenisme wordt toegedicht.
52. In het voornoemde rapport van de Finse Immigratiedienst van juni 2024 staat op pag. 22-24 een lijst vermeld van ‘the most common used criteria for connecting a person to the Gülen movement’. Dit betreft een opsomming van 18 criteria. De rechtbank stelt vervolgens vast dat eiser aan – in elk geval – vijf van deze criteria voldoet, te weten:
-Has attended the Gülen movement’s religious gatherings (sohbets)
-Has studied in schools or universities or resided in dormitories closed during the State of Emergency for their alleged connections to the Gülen movement or sent his or her children to these educational institutions
-Has travelled abroad
-Has been denounced anonymously or his or her name appears in secret witness statements
-Has made consecutive calls from payphones connected to the activities of the Gülen movement’s members”
53. In dit licht bezien kan de tegenwerping van de minister in de aangepaste motivering dat eiser aan geen enkel criterium voldoet – zoals weergegeven onder 27 – evident niet standhouden. Alleen al op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van de minister dat het niet geloofwaardig is dat eiser Gülenisme wordt toegedicht feitelijke grondslag mist en aldus onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd.
54. Voor zover de minister zich desalniettemin op het standpunt wil stellen dat, ondanks het voldoen aan meerdere van deze criteria, in het concrete geval van eiser niet gebleken zou zijn dat eiser individueel in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat en dat het daarom niet geloofwaardig is dat eiser Gülenisme wordt toegedicht, overweegt de rechtbank het volgende. Allereerst is naar het oordeel van de rechtbank relevant dat in het kader van de vraag of het geloofwaardig is dat eiser Gülenisme kan worden toegedicht, het (nog) niet per se van belang is of ook aannemelijk is dat eiser reeds nu in de negatieve belangstelling staat of dat er een onderzoek naar hem loopt. Laatstgenoemde vraag is naar het oordeel van de rechtbank strikt genomen ook een vraagstuk dat meer typisch is toegespitst in het kader van de vervolgvraag bij een asielrechtelijke beoordeling, namelijk of de door eiser gestelde vrees die hij hieraan zegt te ontlenen aannemelijk is. Daarnaast ziet de rechtbank niet in waarom in eisers geval de autoriteiten niet op de hoogte zijn dan wel eenvoudig op de hoogte kunnen raken van eisers (vroegere) banden met het Gülenisme. Zo volgt uit het SGK-overzicht uitdrukkelijk dat eiser per decreet van de militaire school (collectief) is ontslagen, dit in nasleep van de coupe omdat de school ‘verdacht’ werd van Gülenistische activiteiten. Deze informatie is aldus vermeld in deze overheidsregistratie en daarmee – zo komt de rechtbank voor – per definitie traceerbaar voor de autoriteiten. Bij dit alles komt nog dat in het PV van [naam] is vermeld dat tegen eiser een FETÖ-onderzoek is ingesteld, waarbij de rechtbank nog opmerkt dat zij in dit kader uitdrukkelijk in het midden laat – gelet op de verschillende overgelegde vertalingen door eiser (zie onder 35) – of hier dient te worden uitgegaan van de tegenwoordige dan wel verleden tijd. Ook als namelijk uitgegaan moet worden van het voor eisers standpunt meest ongunstige scenario dat dit onderzoek thans niet meer loopt, dan is op basis hiervan nog steeds duidelijk dat er ooit een FETÖ-onderzoek heeft plaatsgevonden jegens hem. Dus ook in dat scenario is eiser daadwerkelijk reeds in meer of mindere mate ‘verdacht’ geweest van Gülenistische activiteiten en is hij hierop onderzocht, en valt in zoverre niet in te zien dat het niet geloofwaardig is dat eiser (nogmaals) Gülenisme wordt of kan worden toegedicht.
55. De rechtbank wijst er verder nog op dat in het AAB 2025 (pag. 49) uitdrukkelijk is vermeld dat onder meer ‘Gülenistisch cadetten’ de negatieve aandacht van de autoriteiten trokken. Bij gebrek aan een concrete onderbouwing van de minister die op het tegendeel wijst gaat de rechtbank ervan uit dat eiser – gelet op het vaststaande feit dat hij per decreet is ontslagen van een militaire school die van Gülenisme werd ‘verdacht’ – daadwerkelijk gerekend kan worden tot de voornoemde groep van Gülenistisch cadetten. De minister heeft in zijn aangepaste motivering van 8 mei 2025 nog wel verwezen naar een bron (Nordic Monitor) waaruit zou volgen dat in de nasleep van de coupe duizenden cadetten collectief werden ontslagen, zonder individuele beoordeling van hun betrokkenheid bij de Gülenbeweging. De rechtbank overweegt in dat kader echter, zoals eiser ook terecht naar voren heeft gebracht, dat de minister geen concrete vindplaats heeft vermeld van deze bron. De rechtbank heeft deze bron ook ambtshalve niet kunnen vinden. Belangrijker nog: ook in het geval ervan kan worden uitgegaan dat ten tijde van het massale ontslag geen individueel onderzoek heeft plaatsgevonden – hetgeen in zekere zin ook logisch is gelet op de grootschaligheid daarvan – betekent dit nog niet dat zo’n individueel onderzoek ook in de toekomst niet tot de mogelijkheden zou kunnen behoren. Zoals onder 54 al is overwogen is het ‘decreetontslag’ van eiser voor de Turkse autoriteiten zichtbaar gelet op de vermelding hiervan op het SGK-overzicht, waarover eiser overigens ook onbetwist gesteld heeft dat dit direct zichtbaar wordt voor de autoriteiten bij invoering van zijn Kimlik-nummer.
56. Tenslotte hecht de rechtbank eraan op te merken dat de minister niet inzichtelijk heeft weten te maken op basis van welke feiten en omstandigheden hij thans tot het oordeel komt dat het niet (langer) geloofwaardig is dat aan cadetten die per decreet zijn ontslagen geen Gülenisme wordt toegedicht, terwijl hij hierover in 2021 uitdrukkelijk anders dacht. De rechtbank wijst hierbij op de door eiser overgelegde brief van de IND aan mr. Coenders van 21 juli 2021, waarin staat vermeld: “Voorts blijkt uit openbare bronnen dat militaire studenten als groep betrokkenheid bij de Gülen-beweging wordt toegedicht (….)”. De minister heeft in dit kader ter zitting enkel aangegeven dat destijds een ander, ruimer beleid werd gevoerd maar heeft niet aannemelijk kunnen maken op basis van welke concrete informatie de toedichting van Gülenisme in geval van (ex-) militaire studenten tegenwoordig niet of minder gebeurt.
57. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de minister zich onvoldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet geloofwaardig is dat eiser Gülenisme wordt toegedicht. Ook deze beroepsgrond slaagt.
Overige tegenwerpingen en betwisting daarvan
58. Op basis van wat onder 44 tot en met 57 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de minister zijn geloofwaardigheidsstandpunt onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. Dit standpunt van de minister kan reeds om de daar vermelde redenen de rechterlijke toets niet doorstaan.
59. De overige betwiste tegenwerpingen behoeven daarom geen bespreking meer. Te meer niet nu het de rechtbank voorkomt dat deze tegenwerpingen – hoewel volgens de aangepaste motivering van de minister van 8 mei 2025 eveneens gebezigd in het kader van het (nieuwe) geloofwaardigheidsstandpunt van de minister – primair argumenten zijn die spelen in de sfeer van de beoordeling van de aannemelijkheid van de door eiser gestelde vrees en niet bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Nu de rechtbank gelet op het voorgaande van oordeel is dat het huidige geloofwaardigheidsstandpunt op grond van de voornoemde overwegingen geen stand kan houden, acht de rechtbank het niet opportuun om inhoudelijk in te gaan op die tegenwerpingen.
Conclusie en gevolgen
60. Het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk.
61. Het beroep tegen het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024 is gegrond. De rechtbank vernietigt dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
62. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de minister de geloofwaardigheid van de asielmotieven van eiser en – afhankelijk van de uitkomst daarvan – de aannemelijkheid van de door eiser gestelde vrees nader moet motiveren. De minister dient dan ook een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Omdat de asielaanvraag ten tijde van deze uitspraak bijna drie jaar geleden is ingediend, zal de rechtbank de minister in dit kader een termijn stellen voor het nieuw te nemen besluit. De minister dient binnen een termijn van zes weken na deze uitspraak opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen.
63. De rechtbank ziet aanleiding voor een veroordeling van de minister in de proceskosten. Voor het terecht indienen van het beroep niet tijdig beslissen stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 0,5). De minister wordt ook veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in het kader van het van rechtswege ontstane beroep tegen het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024 nu het beroep daartegen gegrond is. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de eerste zitting, 0,5 punt voor het indienen van repliek door eiser op 8 juni 2025 op het verzoek van de rechtbank in het bericht van 9 mei 2025, 0,5 punt voor de nadere zitting van 5 maart 2026; met een waarde per heel punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024 gegrond;
- vernietigt het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024;
- bepaalt dat de minister binnen zes weken na de datum van deze uitspraak een nieuw besluit moet nemen op de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 3.269,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. van Marle, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.