RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] ,V-nummer: [V-nummer] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59853
mede namens haar minderjarige dochter [minderjarige] ,
(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),
en
(gemachtigde: mr. J. Isibor).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de (herhaalde) asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Kameroense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld, samen met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, zaaknummer NL25.59854. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, Z. Wotani als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft eerder op 24 april 2016 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij die aanvraag heeft eiseres verklaard dat zij lesbisch is en dat zij in Kameroen een relatie had met een vrouw genaamd [persoon1] . Op enig moment hebben zij elkaar in het openbaar gekust. Via social media is dat bericht verder verspreid. Eiseres en [persoon1] zijn beiden naar andere scholen gegaan en hebben elkaar tijdens een vakantie weer ontmoet. Toen zijn zij door een buurman betrapt en door een menigte aangevallen. De vader van eiseres is daarbij gedood en eiseres is gearresteerd en gevangen genomen. Met behulp van een vriend van haar vader heeft zij weten te ontsnappen en is zij gevlucht naar Nigeria. In Nigeria werd eiseres nog steeds gezocht en zij is daar verkracht en zwanger geraakt. [persoon1] is naar Nigeria gekomen en heeft eiseres geholpen om een visum te verkrijgen voor Mexico. Eiseres heeft daar vervolgens asiel aangevraagd en deze aanvraag is afgewezen. Eiseres is Mexico uitgezet en heeft toen asiel in Nederland aangevraagd.
4. De minister heeft deze aanvraag met een besluit van 26 juni 2017 afgewezen. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres haar identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft de verklaringen van eiseres over haar lesbische geaardheid, haar relatie met [persoon1] en de problemen die zij heeft ondervonden ongeloofwaardig geacht.
De afwijzing van deze asielaanvraag is in rechte vast komen te staan met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 14 december 2017.
5. Op 3 maart 2025 heeft eiseres opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiseres heeft aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat zij inmiddels beschikt over een paspoort en dat zij daarmee haar identiteit aannemelijk kan maken. Verder heeft eiseres aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat zij sinds zes jaar een relatie heeft met haar vriendin [persoon2] .
6. In het nu bestreden besluit heeft de minister die aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister acht de identiteit van eiseres geloofwaardig, maar haar seksuele gerichtheid niet. Volgens de minister is het daarom niet aannemelijk dat eiseres in Kameroen te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De minister heeft het terugkeerbesluit herhaald en aan eiseres een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
Heeft de minister de gestelde seksuele gerichtheid ongeloofwaardig mogen achten?
7. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte haar seksuele gerichtheid ongeloofwaardig heeft geacht. Eiseres betwist dat zij niet authentiek genoeg over de onderlinge dynamiek tussen haar en haar partner [persoon2] heeft gesproken. Eiseres verwijst daarvoor naar haar verklaringen tijdens het gehoor opvolgende aanvraag. Eiseres heeft uitvoerig verklaard over de zorg die haar partner binnen de relatie draagt voor de dochter van eiseres. Eiseres voert verder aan dat het niet relevant is dat de brief van haar partner door eiseres te laat is overgelegd.
8. De rechtbank stelt voorop dat de minister bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de gestelde seksuele gerichtheid Werkinstructie (WI) 2019/17 toepast. Op grond hiervan beoordeelt de minister de geloofwaardigheid aan de hand van de door de vreemdeling gegeven antwoorden. Daarbij ligt de nadruk op de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling met betrekking tot de seksuele geaardheid, wat die voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die geaardheid in het land van herkomst en hoe zijn ervaringen in het algemene beeld passen. Van belang is of de verklaringen consistent zijn en overeenkomen met wat bekend is over de positie van LHBTI’ers in het land van herkomst, waarbij rekening wordt gehouden met het referentiekader van de vreemdeling. Het is aan de vreemdeling om de gestelde seksuele gerichtheid aannemelijk te maken.
9. De rechtbank overweegt verder dat het gaat om een opvolgende aanvraag en dat in rechte vaststaat dat de seksuele gerichtheid van eiseres in een eerdere procedure niet geloofwaardig is bevonden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in het kader van opvolgende procedures over geloofsgroei overwogen dat de minister in opvolgende procedures niet ten onrechte uitgaat van een verzwaarde bewijslast voor de vreemdeling als het asielrelaas waar de vreemdeling op voortborduurt eerder al ongeloofwaardig is geacht. Bij een opvolgende aanvraag blijft de uitkomst van de voorgaande procedure het uitgangspunt, waardoor een zwaardere bewijslast voor de vreemdeling geldt, aldus de Afdeling. De rechtbank acht het niet onredelijk dat die zwaardere bewijslast, zoals door de minister op de zitting is aangevoerd, ook van toepassing is op een vreemdeling zoals eiseres, die opnieuw haar seksuele geaardheid als asielmotief aanvoert, terwijl een eerdere aanvraag is afgewezen omdat die seksuele geaardheid niet geloofwaardig werd geacht. Niet ten onrechte heeft de minister daarom de verklaringen van eiseres mede in dit licht beoordeeld.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de gestelde seksuele gerichtheid niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Daartoe heeft de minister allereerst mogen betrekken dat deze gerichtheid in de vorige asielprocedure van eiseres ongeloofwaardig is geacht. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat de verklaringen van eiseres in de onderhavige procedure, waaronder de door eiseres in het beroepschrift aangehaalde passages, onvoldoende zijn om de seksuele gerichtheid nu wel geloofwaardig te achten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
11. De minister heeft kunnen stellen dat eiseres oppervlakkig inzicht heeft gegeven in de gestelde relatie met [persoon2] . Eiseres heeft verklaard dat zij blij was toen [persoon2] haar vroeg om te daten, maar omdat dit een belangrijk moment voor eiseres moet zijn geweest mag van haar verwacht worden dat zij hier uitgebreider over kan verklaren. De minister heeft ook verder aan eiseres kunnen tegenwerpen dat zij oppervlakkig en algemeen heeft verklaard over de relatie met [persoon2] . Eiseres heeft verklaard over telefoongesprekken, maar in die telefoongesprekken komt de aard en vormgeving van de relatie niet aan de orde. Eiseres heeft niet verklaard hoe de relatie volgens haar steeds beter wordt en verdiept. Ook de ruzies en de manier waarop deze worden bijgelegd zijn algemeen en vriendschappelijk van aard. Gelet op het feit dat eiseres naar eigen zeggen al zes jaar een relatie heeft met [persoon2] mocht van haar verwacht worden dat zij hier meer inzicht in kan geven. De foto’s die eiseres heeft overgelegd, heeft de minister als onvoldoende onderbouwing van de relatie kunnen aanmerken, omdat op al deze foto’s geen te verwachten vorm van affectie zichtbaar is en deze meer in de vriendschappelijke sfeer liggen. Over de door eiseres overgelegde brief van [persoon2] heeft de minister kunnen tegenwerpen dat deze pas is overgelegd bij de correcties en aanvullingen op het gehoor en dat de inhoud algemeen en oppervlakkig is. In de brief staats niets over een persoonlijke aard van de relatie en het toekomstperspectief daarvan. De minister heeft verder kunnen tegenwerpen dat het opmerkelijk is dat eiseres naar eigen zeggen al zes jaar een relatie heeft met [persoon2] , maar dat zij niet eerder een aanvraag in verband daarmee heeft ingediend. Verder heeft eiseres verklaard dat haar dochter een hechte band/afhankelijkheidsrelatie heeft met [persoon2] en dat haar dochter [persoon2] ziet als een moeder. De minister heeft kunnen opmerken dat het in dat kader bezien opmerkelijk is dat eiseres in de procedure over de reguliere aanvraag voor haar dochter niets over de relatie met [persoon2] heeft aangevoerd. Zoals ook ter zitting is aangehaald is in die procedure een gedragswetenschappelijke rapportage over [minderjarige] , de dochter van eiseres, opgemaakt door de Rijksuniversiteit Groningen. In deze rapportage is opgenomen dat eiseres de enige verzorger is van [minderjarige] . Nergens in de rapportage of in andere stukken is [persoon2] door [persoon1] of anderen ook maar genoemd, terwijl zij volgens eiseres als een moeder voor [minderjarige] fungeert. Eiseres heeft in die reguliere procedure wel verschillende verklaringen van vrienden overgelegd, maar er is geen verklaring van [persoon2] overgelegd.
12. Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister zich in het bestreden besluit niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde seksuele gerichtheid van eiseres en de problemen als gevolg daarvan ongeloofwaardig zijn. Het beroep slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
13. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr.L.S. Lodder, griffier.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.