ECLI:NL:RBDHA:2026:5908

ECLI:NL:RBDHA:2026:5908

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-02-2026
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer NL26.8402 & NL26.9205
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Meerdere maatregelen, Bewaring, grondslag ophouding, gronden niet betwist, ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.8402 & NL26.9205

(gemachtigde: mr. F. Boone),

en

(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2026 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel is opgeheven op 17 februari 2026. Bij afzonderlijk besluit van 17 februari 2026 (bestreden besluit 2) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft de beroepen op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Maatregel van bewaring van 11 februari 2026 ( bestreden besluit 1, zaaknummer: NL26.8402)

Inleiding

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Het voortraject

2. Eiser betoogt dat zijn ophouding onrechtmatig is, omdat deze is gebaseerd op artikel 50, derde lid, van de Vw, terwijl zijn identiteit en verblijfsrechtelijke status na de strafrechtelijke heenzending niet vast konden staan. Volgens eiser had daarom artikel 50, tweede lid, van de Vw aan de ophouding ten grondslag moeten worden gelegd. Daarnaast stelt eiser dat geen stukken zijn overgelegd van de strafrechtelijke heenzending, waardoor het niet controleerbaar is of de tijdstippen van het strafrechtelijk voortraject en de vreemdelingrechtelijke ophouding overeenkomen. Tot slot staat in het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan eisers inbewaringstelling dat hij in het Nederlands is gehoord, terwijl hij de Nederlandse taal niet machtig is.

3. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. In de uitspraak van 25 januari 2021 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2021:134, is overwogen dat bij de ophouding van een vreemdeling de tijdens de niet-vreemdelingrechtelijke aanhouding verkregen identiteitsgegevens als uitgangspunt mogen worden genomen. Verweerder had dan ook de bevoegdheid om eiser met toepassing van artikel 50, derde lid, van de Vw op te houden. Ten aanzien van de heenzending voorafgaand aan de ophouding van eiser overweegt de rechtbank als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:190, volgt dat het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken is om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden. Dit betekent dat de rechtbank het strafrechtelijke voortraject in deze procedure niet op rechtmatigheid kan beoordelen. Het beoordelingskader van de rechter begint in deze procedure daarom bij de aanvang van de ophouding op 11 februari 2026 om 15:01 uur. Tot slot overweegt de rechtbank dat hetgeen is weergegeven in het proces-verbaal van gehoor, namelijk dat eiser in het Nederlands is gehoord, een kennelijke verschrijving betreft. Uit het verslag van het gehoor blijkt dat gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk in de Oezbeekse taal.

4. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat van gebreken in het voortraject geen sprake is. De beroepsgrond slaagt niet.

De bewaringsmaatregel

5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.

6. Eiser heeft de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring, en de daarop gegeven toelichtingen, niet betwist. De onbestreden zware gronden en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen naar het oordeel van de rechtbank het standpunt van verweerder dat er sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht dragen.

Maatregel van bewaring van 17 februari 2026 (bestreden besluit 2, zaaknummer: NL26.9205)

De bewaringsgronden

7. De rechtbank stelt vast dat, met uitzondering van de lichte grond 4f, de aan eiser in de maatregel van 17 februari 2026 tegengeworpen zware en lichte gronden overeenkomen met de gronden die aan de maatregel van 11 februari 2026 ten grondslag zijn gelegd. Ten aanzien van bestreden besluit 2 heeft eiser de zware grond 3c en de lichte grond 4a betwist.

8. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden 3a, 3b, en de overige niet bestreden gronden voldoende zijn om het risico van onttrekking aan te tonen en de maatregel van bewaring te dragen. Het risico op onttrekking dat in 6 is overwogen is ook in deze maatregel onverminderd van toepassing. Hetgeen eiser heeft aangevoerd in het kader van de gronden 3c en 4a behoeft dan ook geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.

Beide maatregelen van bewaring

Ambtshalve toetsing

9. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

10. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. Hello

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?