RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.8404, NL26.8405, en NL26.9206
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Procesverloop
Bij besluit van 19 januari 2026 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel is opgeheven op 11 februari 2026. Bij afzonderlijk besluit van 11 februari 2026 (bestreden besluit 2) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vw opgelegd. Deze maatregel is opgeheven op 17 februari 2026. Bij afzonderlijk besluit van 17 februari 2026 is een nieuwe maatregel van bewaring aan eiser opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw (bestreden besluit 3).
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Maatregel van bewaring van 19 januari 2026 (zaaknummer NL26.8404, bestreden besluit 1)
Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
De grondslag van de ophouding
2. Eiser betoogt dat zijn ophouding onrechtmatig is, omdat deze is gebaseerd op artikel 50, derde lid, van de Vw, terwijl zijn identiteit en verblijfsrechtelijke status na de strafrechtelijke heenzending niet vast konden staan. Volgens eiser had daarom artikel 50, tweede lid, van de Vw aan de ophouding ten grondslag moeten worden gelegd.
3. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. In de uitspraak van 25 januari 2021 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2021:134, is overwogen dat bij de ophouding van een vreemdeling de tijdens de niet-vreemdelingrechtelijke aanhouding verkregen identiteitsgegevens als uitgangspunt mogen worden genomen. Verweerder had dan ook de bevoegdheid om eiser met toepassing van artikel 50, derde lid, van de Vw op te houden. De beroepsgrond slaagt niet.
Het gebruik van een niet-beëdigde tolk
4. Eiser betoogt dat uit het proces-verbaal van gehoor blijkt dat gebruik is gemaakt van een niet-beëdigde tolk in de Wolof taal, terwijl er wel een tolk Wolof is vermeld is in het register. Volgens eiser is hier sprake van een gebrek, hetgeen dient te leiden tot de onrechtmatigheid van het besluit tot ophouding en tot toekenning van schadevergoeding.
5. De rechtbank overweegt dat gebruik is gemaakt van een tolk in de Wolof taal. In de maatregel is weergegeven dat geen beëdigde register tolk beschikbaar was op het moment van het gehoor. Het gebruik maken van een niet-beëdigde tolk is in dergelijke omstandigheden toegestaan ingevolge artikel 28, derde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers. Niet is betwist dat eiser deze taal machtig is en dat hij de tolk heeft begrepen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het niet opnemen van de naam van de tolk eiser in zijn belangen heeft geschaad, noch dat sprake is van een gebrek dat tot onrechtmatigheid van het bestreden besluit moet leiden. De beroepsgrond slaagt niet.
De bewaringsgronden
6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. Eiser heeft de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring, en de daarop gegeven toelichtingen, niet betwist. De onbestreden zware gronden en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen naar het oordeel van de rechtbank het standpunt van verweerder dat er sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht dragen.
Maatregel van bewaring van 11 februari 2026 (zaaknummer NL26.8405, bestreden besluit 2)
Inleiding
8. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Niet-beëdigde tolk
9. Eiser betoogt dat uit het proces-verbaal van gehoor blijkt dat gebruik is gemaakt van een niet-beëdigde tolk in de Spaanse taal, terwijl eiser de Spaanse taal in beperkte mate beheerst. Volgens eiser valt niet in te zien waarom geen tolk in de Wolof taal gereserveerd kon worden voor het gehoor, of in elk geval gebruik kon worden gemaakt van een beëdigde tolk in de Spaanse taal.
10. De rechtbank stelt vast dat tijdens het gehoor gebruik is gemaakt van een niet-beëdigde tolk in het Spaans, en dat dit gemotiveerd is met de stelling dat deze via de zogeheten noodlijst is ingeschakeld. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende is gemotiveerd waarom gebruik is gemaakt van een niet-beëdigde tolk conform artikel 28, derde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser heeft aangegeven de tolk goed te kunnen verstaan en dat hij zelf heeft aangegeven dat hij de Spaanse taal machtig is, onder meer ook in het vertrekgesprek van 21 januari 2026. De beroepsgrond slaagt niet.
Maatregel van bewaring van 17 februari 2026 (zaaknummer NL26.9206, bestreden besluit 3)
Geen informatie over de taal van het gehoor
11. Eiser stelt zich ook ten aanzien van het gehoor van 17 februari 2026 op het standpunt dat sprake is van een gebrek in het gehoor. In het proces-verbaal van het gehoor staat niet aangegeven in welke taal eiser is gehoord of van welke tolk gebruik is gemaakt. Er staat verder aangegeven dat aan eiser de informatiebrief is overhandigd in het Spaans, terwijl deze ook in Wolof beschikbaar moet zijn geweest.
12. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser stelt terecht dat niet is aangegeven in het proces-verbaal van het gehoor welke taal gehanteerd is tijdens het gehoor en welke tolk aanwezig is geweest. Verder staat aangegeven dat het zou gaan om een beëdigde tolk, maar ook dat een beëdigde tolk niet tijdig beschikbaar zou zijn voor het gehoor. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ontbreken van de bovenstaande informatie ten aanzien van de tolk een gebrek oplevert in het voortraject van de maatregel van 17 februari 2026. Volgens vaste jurisprudentie maakt de onrechtmatigheid in het voortraject de daaropvolgende inbewaringstelling slechts onrechtmatig als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Naar het oordeel van de rechtbank dient de belangenafweging in dit geval in het nadeel van eiser uit te vallen. De rechtbank betrekt hierbij dat uit de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd - zoals in de rechtsoverweging 7 is overwogen - een onttrekkingsrisico volgt en dat eiser wel heeft verklaard de tolk te hebben begrepen. Verder betrekt de rechtbank dat eiser niet heeft onderbouwd op welke wijze hij, door de niet opgenomen informatie betreffende de tolk, in zijn belangen is geschaad. Gelet hierop staan de met de bewaring gediende belangen in redelijke verhouding tot de ernst van het gebrek. De belangenafweging valt daarom in het voordeel van verweerder uit. Voor zover eiser een informatiebrief in de Spaanse taal heeft ontvangen in plaats van in de Wolof taal verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van gehoor van 17 februari 2026, waarin eiser aangeeft dat hij liever in het Spaans leest dan in het Wolof. De beroepsgrond slaagt niet.
Alle maatregelen van bewaring
Ambtshalve toetsing
13. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregelen van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
14. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
15. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
16. Vanwege het hiervoor onder 12. geconstateerde gebrek veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten voor het beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.