ECLI:NL:RBDHA:2026:5911

ECLI:NL:RBDHA:2026:5911

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-03-2026
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer NL26.13019
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

bewaring, geldigheid oud terugkeerbesluit na rechtmatig verblijf, gronden niet betwist, gezinsleven artikel 8 EVRM, arrest [naam], opstarten omgangsregeling, refoulement, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.13019

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. D. Schaap),

en

(gemachtigde: mr. H. Toonders).

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1964 en de Azerbeidzjaanse nationaliteit te hebben.

2. Eiser voert aan dat er geen geldig terugkeerbesluit aan de maatregel van bewaring ten grondslag ligt. In de maatregel van bewaring wordt namelijk verwezen naar een terugkeerbesluit van 2 november 2021. Echter eiser heeft daarna rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming vanwege een relatie met een Oekraïense vrouw. Dat verblijfsrecht is op 29 april 2025 geëindigd vanwege het beëindigen van de relatie. Het terugkeerbesluit van 2 november 2021 is derhalve niet langer geldig en kan dan ook niet aan deze maatregel van bewaring ten grondslag worden gelegd.

3. De rechtbank stelt vast dat er een geldig terugkeerbesluit aan de maatregel van bewaring ten grondslag ligt. Bij de meeromvattende beschikking van 2 november 2021 is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd waaruit volgt dat hij binnen vier weken Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland moet verlaten. Eiser heeft nadien rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Echter dat verblijf is beëindigd bij besluit van 29 april 2025. In dat besluit is verwezen naar het eerdere terugkeerbesluit en gemeld dat dat terugkeerbesluit per 29 april 2025 weer van kracht is. Ook volgt daaruit wederom dat eiser de lidstaten van de EU moet verlaten en moet terugkeren naar Azerbeidzjan. Vaststaat dat eiser sinds het terugkeerbesluit van 2 november 2021 niet heeft voldaan aan zijn terugkeerverplichting. De beroepsgrond slaagt niet.

4. De beroepsgrond van eiser dat verweerder in strijd met de goede procesorde pas ter zitting het besluit van 29 april 2025 aan het digitale dossier heeft toegevoegd en om die reden niet inzichtelijk is of sprake is van een geldig terugkeerbesluit faalt eveneens. De rechtbank is van oordeel dat het toevoegen van dat besluit ter zitting niet in strijd is met de goede procesorde en zij ziet dan ook geen aanleiding om deze stukken buiten beschouwing te laten. Immers gesteld noch gebleken is dat dit besluit en het voornemen daartoe bekend waren bij eiser.

5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

6. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de bewaring ten grondslag liggen niet betwist. De zware en lichte gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. Hiermee heeft verweerder gemotiveerd dat sprake is van een risico dat eiser zich aan zijn uitzetting onttrekt. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dan ook dragen.

7. Eiser voert verder aan dat sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiser en zijn twee minderjarige kinderen die rechtmatig in Nederland verblijven. Eiser beroept zich op het arrest [naam] van 4 september 2025 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Verweerder dient ambtshalve te toetsen of het gezinsleven zich verzet tegen de inbewaringstelling. Verweerder concludeert in de maatregel van bewaring dat eiser geen gezinsleven heeft omdat hij gescheiden leeft van zijn vrouw en kinderen. Echter eiser heeft nog wel contact met zijn kinderen. Hij heeft daarnaast contact met een advocaat die een procedure tot vaststelling van een omgangsregeling zal opstarten. Eiser beroept zich in dat verband op een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 11 juli 2000.

8. De rechtbank overweegt dat uit het Unierecht volgt en zoals het Hof dit in haar arrest in de zaak [naam] 2 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/) heeft verduidelijkt, dat de bewaringsrechter, zo nodig ambtshalve, moet nagaan of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement in de weg staan aan de uitvoering van het terugkeerbesluit.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft beoordeeld of het belang van het kind en het familie-en gezinsleven bedoeld in artikel 5, onder a) en b) van richtlijn 2008/115 zich al dan niet tegen de uitzetting van eiser verzet, hetgeen blijkt uit de vragen die zijn gesteld tijdens het bewaringsgehoor en de motivering in de maatregel van bewaring. Verweerder heeft betrokken dat eiser een vrouw en kinderen heeft in Nederland . Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er op dit moment geen sprake is van gezinsleven en dat zij niet afhankelijk zijn van eiser. Hij leeft namelijk gescheiden van zijn vrouw en kinderen. Daarbij heeft verweerder betrokken dat de vrouw van eiser op 21 november 2024 aangifte heeft gedaan van huiselijk geweld. Eiser is daarna gearresteerd en heeft hij 40 dagen in voorarrest gezeten. Voorts heeft eiser zijn stellingen dat hij nog contact heeft met zijn kinderen en dat hij bezig is met een procedure om een omgangsregeling te treffen met de kinderen niet onderbouwd. Eisers beroep op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 11 juli 2000 treft daarom ook geen doel. In dit geval is geen sprake van schending van artikel 8 van het EVRM omdat eiser niet de mogelijkheid is onthouden een zinvolle bijdrage te geven aan de procedure over omgangsregeling. Daarnaast zijn geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat eiser alleen vanuit Nederland een zinvolle bijdrage zou kunnen leveren aan een mogelijk toekomstige procedure inzake een omgangsregeling. De rechtbank concludeert derhalve dat verweerder heeft kunnen overwegen dat de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen niet in de weg staan aan de uitzetting van eiser. Het is de rechtbank tot slot niet gebleken dat het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan de uitzetting van eiser. In dat verband wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 4 februari 2026 waarin recent nog een dergelijke beoordeling door de rechtbank heeft plaatsgevonden.

10. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 19 maart 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.L. Weerkamp

Griffier

  • mr. S.D.C.J. Verheezen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?