RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9176
(gemachtigde: mr. P. Celikkal),
en
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Procesverloop
Bij besluit van 18 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk Spaans is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
De bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser betwist dat de zware gronden 3a, 3b, 3d, en 3i die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd hem terecht zijn tegengeworpen. Ten aanzien van zware gronden 3a en 3b betoogt eiser dat de feiten die deze gronden zouden ondersteunen in het verleden liggen, en hem niet nogmaals in een nieuwe maatregel kunnen worden tegengeworpen. Ten aanzien van de zware gronden 3d en 3i stelt eiser zich op het standpunt dat er geen sprake is van een concrete weigering van zijn kant om persoonsgegevens te verstrekken en er tevens ook geen inhoudelijke weigering van hem is geweest om te vertrekken naar het land van herkomst, als hier een geldig reisdocument voor zou zijn.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat voldoende is dat onder meer de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829). Niet is betwist dat eiser zonder paspoort naar Nederland is gekomen en derhalve niet op de voorgeschreven wijze het land is binnengekomen. Uit het dossier blijkt verder dat eiser geen melding heeft gemaakt bij de korpschef van zijn onrechtmatige verblijf conform artikel 4.39 van het Vb en dat hij zich hiermee aan het toezicht heeft onttrokken. Anders dan eiser stelt, is hierbij niet vereist dat het gaat om recente feiten en omstandigheden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gronden feitelijk juist zijn en verweerder eiser terecht de zware gronden 3a en 3b heeft tegengeworpen. Verder stelt de rechtbank vast dat de lichte gronden niet door eiser worden bestreden. De zware gronden 3a, 3b, en de lichte gronden kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Hetgeen eiser heeft aangevoerd ten aanzien van de overige gronden behoeft derhalve geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat er geen zicht op uitzetting bestaat binnen een redelijke termijn, nu de voor hem afgegeven laissez-passer (lp) van 12 december 2025 reeds is verlopen.
5. De rechtbank is van oordeel dat in geval van eiser sprake is van een redelijk vooruitzicht op verwijdering. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Marokko. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269, 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033, en 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219. Over het zicht op uitzetting in het concrete geval van eiser overweegt de rechtbank als volgt. Op 12 december 2025 is voor eiser reeds een reisdocument afgegeven door de Marokkaanse autoriteiten. Deze lp is op 12 januari 2026 verlopen in verband met eisers asielaanvraag. Er ligt nu een nieuwe lp-aanvraag van 18 februari 2026. Deze is nog in behandeling bij de Marokkaanse autoriteiten. Met een lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten gaat in het algemeen de nodige tijd (soms meerdere maanden) gemoeid. De verstreken tijd sinds het indienen van de huidige lp-aanvraag is te kort om te oordelen dat het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn ontbreekt. Er zijn door eiser verder geen concrete (nieuwe) aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject op niets zal uitlopen en dat voor hem geen lp zal worden afgegeven. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder toepassing had moeten geven aan een lichter middel. Eiser betoogt dat, gelet op zijn psychische problematiek, er een individuele medische belangenafweging had moeten plaatsvinden. Een dergelijke belangenafweging ontbreekt echter in de maatregel. Eiser stelt dat niet kan worden ingezien waarom niet kan worden volstaan met een meldplicht, en dat de langdurige bewaring gepaard met psychische kwetsbaarheid de maatregel van bewaring voor hem onevenredig zwaar maken.
7. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Verweerder heeft zich, gelet op gronden van de maatregel en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet kon worden volstaan met de toepassing van een lichter middel. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat eiser in het gehoor van 18 februari 2026 heeft verklaard dat hij gezond is. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat eiser op 20 februari 2026, direct nadat zijn psychische problematiek in bewaring duidelijk werd, is overgeplaatst naar het Centrum voor Transculturele Psychiatrie in Veldzicht. Verweerder stelt zich hierbij terecht op het standpunt dat ten tijde van de maatregel op 18 februari 2026 door de verklaringen van eiser er nog geen aanleiding was voor een individuele medische belangenafweging, maar dat ook nu niet is gebleken dat de zorg in bewaring voor eiser ontoereikend is. Over de duur van de bewaring overweegt de rechtbank als volgt. De voorgaande bewaringsmaatregel is opgelegd op 18 december 2025, wat betekent dat eiser ongeveer twee en een halve maand in bewaring zit. Volgens vaste rechtspraak komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring in beginsel meer gewicht toe aan de belangen van verweerder bij de voortduring van de bewaring dan aan de belangen van de vreemdeling bij zijn invrijheidstelling. Niettemin kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zesmaanden-termijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van verweerder. Van zulke omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank in eisers geval niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
9. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
10. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.