Vaststelling van vermissing
Beschikking op het op 28 november 2024 bij deze rechtbank ingekomen verzoekschrift van:
[verzoekster] ,
verzoekster,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Peeters in Nijmegen (voorheen: mr. L. Rubens-Snijders in Nijmegen),
betreffende de vermissing van:
[betrokkene] ,
de betrokkene,
laatstelijk verblijvende in [land] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de zoon] ,
het meerderjarige kind van verzoekster en betrokkene, hierna: de zoon,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Procedure
Bij beschikking van 21 november 2024 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het verzoek kennis te nemen en de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar deze rechtbank verwezen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder van:
Op 12 september 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
De officier van justitie is niet op de zitting verschenen.
Namens verzoekster is op de zitting een origineel uittreksel uit de Basisregistratie Personen (BRP) van verzoekster overgelegd.
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
- het bericht van 10 november 2025 van verzoekster, met bijlagen.
Verzoek en verweer
Verzoekster verzoekt, zoals de rechtbank begrijpt na verduidelijking op de zitting, de rechtbank te gelasten de betrokkene op te roepen teneinde van zijn in leven zijn te doen blijken, en – zo hiervan niet blijkt – de vermissing van de betrokkene vast te stellen, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De zoon heeft ingestemd met toewijzing van het verzoek, althans wil geen verweer voeren en heeft verklaard geen gebruik te willen maken van zijn recht om door de rechter te worden gehoord.
Beoordeling
Rechtsmacht, toepasselijk recht en relatieve bevoegdheid
Omdat verzoekster de Nederlandse nationaliteit heeft, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht om te beslissen op het verzoek en past bij gebrek aan nadere conflictregels het Nederlandse recht toe.
Op grond van artikel 267 Rv is in zaken van afwezigheid of vermissing bevoegd de rechter van de verlaten woonplaats van de afwezige of vermiste. Deze bepaling wordt aangevuld door artikel 269 Rv, inhoudende dat indien de artikelen 262 tot en met 268 geen bevoegde rechter aanwijzen de rechter in Den Haag bevoegd is. In deze zaak is de vermoedelijke verlaten woonplaats van de betrokkene niet in Nederland gelegen. Deze rechtbank is daarom bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank onder meer het volgende gebleken:
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Volgens de officier van justitie zijn de verklaringen van verzoekster ontoereikend om met voldoende mate van zekerheid te kunnen vaststellen dat het bestaan van betrokkene onzeker is. Andere bronnen dan de verklaring van verzoekster zijn niet overgelegd.
Anders dan de officier van justitie van mening is, is de rechtbank gelet op de voorafgaand en na de zitting overgelegde stukken en de mondelinge toelichting van verzoekster en de zoon op de zitting van oordeel dat het bestaan van de betrokkene, waarvan sinds halverwege de jaren 1980 ieder spoor ontbreekt, onzeker is. Er is meer dan een jaar verstreken tussen het moment dat het onzeker is geworden dat de betrokkene nog in leven was en het ingediende verzoek en er zijn omstandigheden die de dood van de betrokkene aannemelijk maken. De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan de vereisten van artikel 1:413 eerste en tweede lid BW, zodat het verzoek kan worden toegewezen. De rechtbank zal verzoekster opdragen de betrokkene op te roepen om van zijn in leven zijn te doen blijken. Als hier niet van blijkt, zal de rechtbank de vermissing van de betrokkene vaststellen.
Als de betrokkene geen blijk geeft van zijn in leven zijn, moet de rechtbank op grond van artikel 1:414 derde lid BW de dag te bepalen waarop de betrokkene is vermist. Hierover bepaalt de wet dat als dag van vermissing geldt ‘de dag volgende op die van het laatste bericht waaruit blijkt dat de vermiste in leven was, tenzij er voldoende aanwijzingen zijn dat hij daarna nog enige tijd in leven was’. Volgens verzoekster is de betrokkene vermist vanaf halverwege de jaren 1980. De rechtbank zal, gelet op voornoemd wetsartikel, dan bepalen dat de betrokkene is vermist vanaf 1 januari 1985.
Vooralsnog, in afwachting van het resultaat van de wettelijk voorgeschreven oproeping van de betrokkene, is het verzoek op de wet gegrond en voor toewijzing vatbaar.
Beslissing
De rechtbank:
beveelt verzoekster de betrokkene bij advertentie op te roepen met inachtneming van een termijn van een maand om te verschijnen op de zitting van deze rechtbank van 4 mei 2026 om 13.00 uur, teneinde van zijn in leven zijn te doen blijken;
bepaalt dat de advertentie c.q. oproep volgens aangehecht model tijdig zal worden geplaatst in:
bepaalt dat verzoekster tegen het tijdstip van de nadere zitting tot bewijs van de oproepingen moet overleggen:
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de vaststelling van de vermissing van de betrokkene pro forma aan.
Oproep
De rechtbank Den Haag heeft de oproeping bevolen van de betrokkene:
naam: [betrokkene] ,
geboren: [geboortedatum] 1954 in [geboorteplaats] , [land] ,
laatst bekend adres: [land] ,
ter zitting van deze rechtbank, op: 4 mei 2026 om 13.00 uur,
in verband met een ingediend verzoekschrift tot het verkrijgen van een vaststelling van vermissing van de betrokkene,
Voor inlichtingen: mr. L. Peeters, in Nijmegen, telefoonnummer [telefoonnummer] .