RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52746
(gemachtigde: mr. M. Erik),
en
(gemachtigde: M. Berkelmans).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. Hij heeft daartegen ook beroep ingesteld.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 september 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker heeft hiertegen beroep (NL25.51313) ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft partijen op 7 januari 2026 verzocht om voorafgaand aan de zitting schriftelijk te reageren en aan te geven wat de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 december 2025, in het bijzonder rechtsoverweging 2.3. en 2., betekent voor deze procedure ten aanzien van de verschoonbaarheid van het te laat indienen van het beroep en het feit dat verzoeker verblijfsrecht heeft in Griekenland.
Verzoeker heeft op 14 januari 2026 gereageerd en de minister heeft op 19 januari 2026 gereageerd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van het beroep, op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, mr. M. Timmer, als waarnemer van zijn gemachtigde, A. Ahmed als tolk en de gemachtigde van de minister.
De voorzieningenrechter heeft op 28 januari 2026 het onderzoek heropend om de minister in de gelegenheid te stellen om een aantal vragen te beantwoorden. De minister heeft op 29 januari 2026 gereageerd. Verzoeker heeft op 10 februari 2026 gereageerd op het schrijven van de minister.
Beoordeling voor de voorzieningenrechter
Het asielrelaas
3. Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 2002 en heeft de Iraakse nationaliteit. Op 26 februari 2023 heeft hij een asielaanvraag in Nederland ingediend. Verzoeker heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij, omdat hij Jezidi is, in Irak werd gediscrimineerd, onderdrukt en genegeerd. In 2019 is verzoeker door de PKK en de Peshmerga benaderd om zich bij hen aan te sluiten. In 2022 heeft verzoeker Irak verlaten. Verzoeker heeft subsidiaire bescherming in Griekenland. Verzoeker vreest bij terugkeer naar Irak weer gediscrimineerd te worden en is bang om gedwongen gerekruteerd te worden door de PKK of de Peshmerga.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van verzoeker bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- discriminatie wegens Jezidi afkomst; en
- benadering door Peshmerga en PKK om zich bij hen aan te sluiten.
5. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de asielmotieven geloofwaardig zijn. Verzoeker heeft echter geen gegronde vrees voor vervolging. Verzoeker heeft zijn vrees voor gedwongen rekrutering niet aannemelijk gemaakt. De discriminatie die verzoeker heeft ondervonden is niet dusdanig ernstig dat het een beperking in zijn bestaansmogelijkheden oplevert. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat verzoeker bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt. In Irak is geen sprake van willekeurig geweld in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn (Richtlijn 2011/95/EU). Verzoeker heeft niet aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer. Het enkele feit dat verzoeker Jezidi is, is daartoe onvoldoende. De humanitaire situatie in de kampen in de Koerdische Autonome Regio (KAR) is niet zodanig dat verzoeker zelf niet in zijn bestaan kan voorzien. De minister heeft verzoeker een terugkeerbesluit opgelegd inhoudende dat verzoeker moet terugkeren naar Irak. Ook wordt verzoeker vanwege het terugkeerbesluit gesignaleerd in het Schengen Informatie Systeem.
Ontvankelijkheid van het beroep
6. Partijen zijn het erover eens dat verzoeker de termijn van één week voor het instellen van beroep heeft overschreden. Om die reden moet in beginsel het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de redenen die verzoeker heeft aangevoerd voor het te laat indienen van zijn beroepschrift niet afdoende zijn voor het aannemelijk achten van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Bahaddar-arrest
8. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juni 2022volgt dat de bestuursrechter een nationale procedureregel buiten toepassing moet laten wanneer er omstandigheden zijn als bedoeld in paragraaf 45 van het Bahaddar-arrest, om schending van artikel 3 van het EVRM te voorkomen. Deze omstandigheden doen zich voor als wat een vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat verweerder bij uitzetting van die vreemdeling het refoulementverbod, neergelegd in artikel 3 van het EVRM, zou schenden. De bestuursrechter moet beoordelen of zulke bijzondere feiten of omstandigheden zich voordoen. De bestuursrechter doet dit aan de hand van wat een vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd, en het standpunt van verweerder daarover en betrekt daarbij ook algemeen bekende informatie over het land van herkomst van een vreemdeling.
9. De minister heeft ter zitting het terugkeerbesluit ingetrokken en zich op het standpunt gesteld dat dit geen verdere gevolgen heeft voor de rest van het besluit. De asielbeoordeling blijft gehandhaafd. Er is geen sprake van een onmiskenbare schending van artikel 3 EVRM. Het feit dat de minister geen overleg heeft gevoerd met Griekenland terzake de verleende subsidiaire bescherming is als gevolg van het intrekken van het terugkeerbesluit in niet meer van belang volgens de minister.
10. De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen naar divergerende uitspraken van diverse zittingsplaatsen over de veiligheidssituatie in Irak, meer in het bijzonder de situatie in de kampen in de KAR hebben verwezen. Op 17 maart 2026 houdt de Afdeling een zitting over de situatie van Jezidi’s in de KAR. Hierbij zal het onder meer gaan over of de vluchtelingenkampen in de KAR kunnen worden aangemerkt als normale woon- of verblijfplaats waarnaar Jezidi’s, die oorspronkelijk uit de Sinjar-regio komen, kunnen terugkeren en niet een reëel risico lopen op ernstige schade. De Afdeling heeft de minister daarbij op voorhand verzocht een aantal vragen te beantwoorden.
11. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat hij op dit moment niet in staat is om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het Bahaddar-arrest. De behandeling van het beroep zal daarom voor onbepaalde tijd worden geschorst in afwachting van een uitspraak van de Afdeling.
12. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om een voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
De voorzieningenrechter bepaalt dat verzoeker een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de gemachtigde.
Beslissing
De voorzieningenrechter:- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt de minister tot betaling van een bedrag van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.S. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.