RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.44515
(gemachtigde: mr. M. Terpstra),
en
(gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Volgens de minister is het asielrelaas ongeloofwaardig en kan eiseres terug keren naar Somalië. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid van de asielmotieven van eiseres. Dat standpunt van de minister is tot stand gekomen met toepassing van de vanaf 1 juli 2024 geldende geloofwaardigheidsbeoordeling van Werkinstructie 2024/6 (WI). De rechtbank oordeelt dat de minister zijn standpunt dat de door eiseres gestelde identiteit en ontvoering ongeloofwaardig is, voldoende heeft gemotiveerd. De minister heeft ook voldoende onderzoek gedaan naar de vraag of eiseres zich zelfstandig staande kan houden in Somalië en heeft toereikend gemotiveerd dat eiseres zich zelfstandig staande kan houden in Somalië. Daarom is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zij stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 24 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, A. Ikar als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. De echtgenoot van eiseres is op [datum overlijden] 2023 overleden. In juli 2023 heeft de broer van haar overleden echtgenoot (hierna: zwager) haar telefonisch meegedeeld dat hij met haar wil trouwen en de zorg van haar dochter en de winkel wil overnemen. Eiseres heeft dat geweigerd. Zij is vervolgens op 20 juli 2023 door haar zwager ontvoerd. Hij heeft eiseres acht dagen lang opgesloten in een huisje en mishandeld. Eiseres is ontsnapt en enkele dagen later heeft zij met behulp van een reisagent het land per vliegtuig verlaten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante motieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. problemen met haar zwager.
De minister vindt de nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. De minister vindt de identiteit van eiseres niet geloofwaardig. De problemen die eiseres stelt te ondervinden vanwege haar zwager, vindt de minister ook niet geloofwaardig. Eiseres heeft haar verklaringen over haar identiteit en problemen met haar zwager namelijk niet onderbouwd met objectieve documenten die het asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister getoetst aan artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De minister concludeert dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 31, zesde lid, onder b en c van de Vw. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag moet worden afgewezen.
Toetsingskader
5. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister de vanaf 1 juli 2024 geldende Werkinstructie 2024/6 heeft toegepast. In deze WI 2024/6 is een nadere toelichting gegeven op de geloofwaardigheidsbeoordeling die ten grondslag ligt aan de beoordeling van een inhoudelijk verzoek om internationale bescherming, zoals die volgt uit artikel 31 van de Vw, artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn (Kri) en het beleid in paragraaf C1/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
De nieuwe WI gaat uit van verschillende stappen. Eerst wordt in stap 1 in samenspraak met de vreemdeling informatie verzameld en vervolgens stelt de minister de asielmotieven vast. Vervolgens worden in stap 2 die asielmotieven getoetst. In stap 2a wordt beoordeeld of een vreemdeling of een vreemdeling het asielmotief voldoende heeft onderbouwd met objectieve bewijsstukken. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om objectieve documenten die authentiek zijn en waarvan de echtheid kan worden vastgesteld en bevestigen wat de vreemdeling heeft verklaard. Ook kan het gaan om objectieve, openbare bronnen die zien op de persoonlijke omstandigheden en de verklaringen van de vreemdeling bevestigen. Overgelegde stukken zullen in beginsel (voor zover mogelijk én indien relevant) worden onderzocht op echtheid. Als aan stap 2a niet wordt voldaan, gaat verweerder over naar stap 2b. In die stap toetst verweerder aan de vijf cumulatieve voorwaarden om de geloofwaardigheid te beoordelen. Aan alle vijf de voorwaarden moet worden voldaan. Daarna volgt een eindconclusie. Als het asielmotief onvoldoende is onderbouwd met documenten en de vreemdeling voldoet niet aan één of meerdere van de vijf voorwaarden, is het asielmotief niet geloofwaardig.
In onderhavig bestreden besluit heeft de minister eiseres tegengeworpen dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder b: alle relevante elementen waarover de vreemdeling beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen en onder c: de verklaringen van de vreemdeling zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek.
Over de geloofwaardigheid van de problemen die eiseres stelt met haar zwager te hebben gehad.
Paspoort
6. Eiseres voert aan dat zij niet wisselend heeft verklaard over de reden dat zij haar paspoort niet heeft meegenomen naar Nederland. In de correcties en aanvullingen heeft eiseres toegelicht, dat toen zij wegvluchtte van de plek waar zij na de ontvoering werd vastgehouden, zij geen tijd of mogelijkheid had om het paspoort dat door haar ontvoerder was ingenomen te zoeken. Uit iedere verklaring van eiseres blijkt hetzelfde, namelijk dat eiseres vanwege haar vluchtsituatie haar paspoort niet bij zich had toen zij het land verliet.
7. De rechtbank overweegt dat eiseres in het aanmeldgehoor heeft verklaard dat ze geen tijd had om het paspoort mee te nemen, omdat ze veel te overhaast het land heeft verlaten en ook dat er mensen zijn die niet toestonden dat ze het land zou verlaten en om die reden het paspoort hebben ingenomen. In het nader gehoor verklaart eiseres vervolgens dat de man die haar ontvoerde haar paspoort heeft afgepakt. De rechtbank oordeelt dat de minister op grond van deze verklaringen aan eiseres heeft kunnen tegenwerpen dat de verklaringen van eiseres over het achterlaten van het paspoort in Somalië geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en mede om deze reden niet geloofwaardig zijn. De minister heeft de toelichting uit het nader gehoor niet hoeven volgen en stelt daarover niet ten onrechte dat van eiseres verwacht mag worden dat ze consequent verklaart over het paspoort. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Contact tussen overleden echtgenoot en zwager
8. Eiseres voert aan dat het contact dat haar overleden echtgenoot had met zijn broer, niet raakt aan het relevante element dat eiseres door die broer (zwager) is ontvoerd. Ook voert eiseres aan dat het bestreden besluit innerlijk tegenstrijdig is, omdat de toevoegingen in de correcties en antwoorden enerzijds van geringe waarde worden geacht en anderzijds vol worden tegengeworpen.
9. De rechtbank overweegt dat de kern van het relaas van eiseres is, dat zij door haar zwager is ontvoerd. Dus ook bij een niet direct causaal verband met de ontvoering mag de minister daarom verwachten dat zij ook eenduidig verklaart over de contacten die er zijn geweest tussen haar echtgenoot en die zwager. Dit te meer omdat eiseres in de correcties en antwoorden stelt dat er regelmatig contact was tussen de broers. Over de gestelde innerlijke tegenstrijdigheid overweegt de rechtbank het volgende. Zoals de minister niet ten onrechte stelt heeft eiseres in de correcties en antwoorden het nader gehoor aangevuld op onderdelen waar zij tijdens het nader gehoor de gelegenheid toe had. Daarom mag de minister daar weinig waarde aan hechten. Correcties en aanvullingen zijn immers in beginsel niet bedoeld om tijdens de gehoren afgelegde verklaringen te wijzigen dan wel van uitgebreide toelichting te voorzien. Omdat eiseres dat op dit punt wel doet en vervolgens ook nog tegenstrijdig verklaart aan haar eerdere verklaringen, kan de minister dat tegenwerpen. Dat is niet innerlijk tegenstrijdig. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De ongeloofwaardig geachte ontvoering
10. Eiseres voert aan dat de minister in het bestreden besluit de ontvoering ongeloofwaardig acht, omdat eiseres erg weinig informatie heeft gegeven over de ontvoering. In de correcties en antwoorden echter heeft eiseres haar relaas op dit punt aangevuld, omdat de gemachtigde wel heeft gevraagd naar hoe mevrouw zich tijdens de rit voelde, wat zij gemerkt heeft van de rit en wat er precies gebeurde bij aankomst. Deze aanvullingen zijn niet kenbaar in de besluitvorming betrokken en niet is aangegeven of er wel of geen waarde aan wordt gehecht.
11. De rechtbank oordeelt dat de minister in het bestreden besluit hierover niet ten onrechte heeft gesteld dat eiseres gevraagd is om zo gedetailleerd mogelijk over de ontvoering te verklaren en dat zij dat niet heeft gedaan. Ook blijkt uit het nader gehoor dat er is doorgevraagd over de rit en de ontvoering zelf en dat eiseres slechts korte antwoorden geeft, ook als haar een tweede keer gevraagd wordt om gedetailleerder te vertellen. Verder is eiseres een volwassen en hoog opgeleide vrouw, waardoor de minister ook uitgebreider antwoorden mocht verwachten, te meer omdat de ontvoering de kern is van het relaas van eiseres. De minister is verder in het bestreden besluit op alle punten van de zienswijze ingegaan en eiseres maakt hier niet duidelijk welke aanvullingen niet betrokken zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Over de ongerijmde verklaringen over de ontvoering
12. Eiseres voert aan dat in het bestreden besluit niet wordt ingegaan op de redenen waarom de ontsnapping niet ongerijmd is. Het is volgens eiseres zeer de vraag of haar zwager zich heeft gerealiseerd, dat zij nog steeds wilde ontsnappen, laat staan dat het mogelijk voor haar was om op deze wijze te ontsnappen. In het bestreden besluit is dit miskend en is ten onrechte hierop niet nader ingegaan. Daarom is het bestreden besluit op dit punt onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Bovendien kan eiseres niet in het hoofd van haar zwager kijken en ontsnappingen zijn vaker het gevolg van ongerijmde wendingen. Eisers wijst in de aanvullende gronden verder ook nog op een bobbeltje aan haar pols dat ontstaan zou zijn door het openen van de deur tijdens de ontsnapping.
13. De rechtbank stelt vast dat eiseres heeft verklaard dat zij ontvoerd is door haar zwager, dat hij haar acht dagen lang vastgebonden heeft, opgesloten in een huis in een bos en heeft mishandeld. Toen eiseres instemde met een huwelijk heeft haar zwager haar benen losgemaakt. Eiseres is vervolgens alleen gelaten en het is haar toen gelukt om de deur open te maken en te ontsnappen. De rechtbank vindt het niet ten onrechte dat de minister stelt dat hij niet kan inzien dat er zoveel moeite wordt gedaan om eiseres te ontvoeren en vast te houden en zij vervolgens door de zwager zonder enige beveiliging alleen wordt gelaten. Dat ontsnappingen vaker het gevolg zijn van ongerijmde wendingen, maakt niet dat de minister deze ongerijmdheid niet zou kunnen tegenwerpen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Tussenconclusie
14. Gelet op dat wat hiervoor is overwogen over de gronden die raken aan de geloofwaardigheid van de problemen die eiseres stelt met haar zwager te hebben gehad, oordeelt de rechtbank dat de minister die gestelde problemen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht en dat deugdelijk heeft gemotiveerd.
Over de concrete aanwijzingen dat eiseres nog wordt gezocht door haar zwager
15. Eiseres voert aan dat zij niet ziet hoe het feit dat er inderdaad geen concrete aanwijzingen zijn dat de zwager nog naar eiseres zoekt, de geloofwaardigheid van haar relaas aantast. En eiseres voert aan dat de minister erkent dat de verklaringen van eiseres passen bij het beeld dat uit het landenbeleid naar voren komt. Het kan dan geen stand houden dat de minister vervolgens overweegt dat het enkel op eigen vermoedens van eiseres berust, dat zij bij terugkeer weer problemen zal krijgen met haar zwager. Deze vermoedens worden immers gegrond, ondersteund en geobjectiveerd door het beeld dat naar voren komt uit de landeninformatie, en op grond waarvan de minister volgens haar eigen beleid in de regel ook een asielvergunning verstrekt aan alleenstaande vrouwen uit Somalië. In het bestreden besluit is ook dit miskend.
16. De rechtbank overweegt dat de minister niet ten onrechte stelt dat er geen aanwijzingen zijn dat eisers gezocht wordt door haar zwager. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de minister niet ten onrechte het relaas van eiseres over de gestelde problemen met haar zwager ongeloofwaardig heeft gevonden. Het beeld dat naar voren komt uit de landeninformatie over alleenstaande vrouwen in Somalië heeft daarom geen verband met de ongeloofwaardig geachte problemen van eiseres met haar zwager. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Alleenstaande vrouw
17. Eiseres voert aan dat zij een alleenstaande vrouw uit Somalië is, die geen bescherming geniet van grootfamilie of een meerderheidsclan en dat de minister dat als relevant asielmotief had moeten benoemen. De minister had dit motief inhoudelijk moeten toetsen en daarin de verklaringen die eiseres in het nader gehoor heeft afgelegd over de problemen met Al Shabaab moeten betrekken. Zo is eiseres wegens haar werkzaamheden in het ziekenhuis telefonisch bedreigd door Al Shabaab en heeft Al Shabaab haar woning aangevallen en daarbij haar zus, broer en neef gedood. Hierdoor moest eiseres stoppen met werken en was zij genoodzaakt om met haar echtgenoot een huurhuis te betrekken en een winkeltje te beginnen. Ook had de minister de relatief korte periode dat eiseres na het overlijden van haar echtgenoot in januari 2023 zelfstandig in Somalië heeft gewoond, moeten betrekken in de besluitvorming, evenals dat zij als alleenstaande vrouw zorg draagt voor drie minderjarige meisjes (aanvulling door de rechtbank: de dochter van eiseres en twee nichtjes, hierna: dochters). Eiseres meent dat de minister had moeten doorvragen en merkt hier in de aanvullende gronden aanvullend het volgende over op. Eiseres beschikte na het overlijden van haar echtgenoot niet over een eigen woning, maar een kleine huurwoning. Haar dochters konden niet meer naar school, omdat eiseres dat niet kon betalen en het onveilig was. De dochter van eiseres is in die periode tegen haar wil besneden. Eiseres sloot de winkel vroeg, omdat ze na 17.00 uur niet meer alleen over straat durfde te gaan. Mocht er een medisch probleem zijn dan had eiseres geen geld om naar het ziekenhuis te gaan en ze durfde ook niet vanwege de eerdere problemen met Al Shabaab.
18. Zoals volgt uit paragraaf C7/30.3.2.2 van de Vc 2000, verleent de minister in de regel aan alleenstaande vrouwen uit Somalië een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. De minister verleent geen verblijfsvergunning aan een alleenstaande vrouw als op grond van haar individuele asielrelaas aannemelijk is dat zij geen bescherming op grond van haar alleenstaande status nodig heeft. Daarbij moet de minister onder andere meewegen of, en hoe, zij zich in het verleden zelfstandig heeft kunnen handhaven in het dagelijks leven in Somalië.
19. Verweerder vindt het geloofwaardig dat eiseres vanwege het overlijden van haar echtgenoot een alleenstaande vrouw zonder grootfamilie is. De minister stelt dat het gezien het individuele asielrelaas van eiseres niet aannemelijk is dat zij bescherming nodig heeft op grond van haar alleenstaanden status. Eiseres was vanaf januari 2023, voor een voldoende indicatieve periode van zes maanden tot haar vertrek, een alleenstaande vrouw en zij ondervond geen problemen. Zij werkte, had een eigen huis en zorgde voor de kinderen. Haar status als alleenstaande vrouw speelt alleen een rol in verband met de gestelde problemen met haar zwager, maar die problemen zijn ongeloofwaardig geacht. Daarom is ‘alleenstaande vrouw’ geen zelfstandig asielmotief voor eiseres. De door eiseres genoemde problemen in het ziekenhuis met Al Shabaab houden geen verband met de te beoordelen periode. Die problemen vonden plaats in december 2019 en eiseres heeft Somalië pas op 30 juli 2023 verlaten en eiseres heeft zelf meermaals verklaard dat die gebeurtenissen geen reden waren om Somalië te verlaten. Eiseres heeft zich na het overlijden van haar echtgenoot staande gehouden en kan dat bij terugkeer weer doen.
20. De rechtbank oordeelt dat de omstandigheid dat eiseres haar werk in december 2019 heeft moeten stoppen vanwege Al Shabaab geen omstandigheid is die de minister heeft hoeven betrekken bij de vraag naar de noodzaak van bescherming wegens haar alleenstaande status. Eiseres immers heeft sinds 2019 geen kenbare problemen meer gehad met Al Shabaab en heeft expliciet verklaard dat dit geen asielmotief is. Bovendien staat [plaats] niet onder controle van Al Shabaab. Dat eiseres geen eigen woning heeft, heeft de minister ook niet hoeven volgen. Eiseres immers huurde een woning waar zij met haar kinderen woonde. Dat dit een huurwoning is, maakt het niet anders.
21. De rechtbank oordeelt verder dat de minister zich voldoende heeft vergewist van de situatie van eiseres als alleenstaande vrouw in Somalië en dat de minister het besluit op dit punt toereikend heeft gemotiveerd.
De minister vindt het geloofwaardig dat de echtgenoot van eiseres is overleden. In de loop van het nader gehoor zijn er vragen gesteld die terug zijn te voeren op de vraag naar het zich zelfstandig staande kunnen houden. Eiseres verklaart in het nader gehoor dat zij zich na het overlijden van haar echtgenoot zelfstandig kon onderhouden:
Hoe hebt u zich na de dood van uw man zelfstandig onderhouden?
We hadden een kleine winkel. Die bleef ik runnen.
Was dat te doen in uw eentje?
Ja, zeker. Ik ben iemand die werkt.
Eiseres is een hoog opgeleide vrouw die na het overlijden van haar echtgenoot de winkel die zij samen hadden alleen heeft voortgezet. Nergens uit het gehoor blijkt overigens dat zij zich sindsdien niet zelfstandig staande heeft kunnen houden.
Eiseres stelt in het nader gehoor dat haar dochters zijn besneden. In de correcties en aanvullingen 3 september 2025 heeft zij hierover aanvullend verklaard dat haar dochter tegen haar wil na de dood van haar echtgenoot door zijn familie is besneden en dat zij daarna alle contact met die familie heeft verbroken. Deze aanvullende verklaring vindt echter geen grond in wat eiseres in het nader gehoor heeft verklaard over de besnijdenis van haar dochter en de problemen met de familie van haar echtgenoot. Deze nadere verklaring kan dan ook niet dienen als onderbouwing dat eiseres zich niet zelfstandig staande kon houden. De overige omstandigheden die eiseres noemt onderbouwen evenmin dat eiseres zich als alleenstaande vrouw in Somalië niet staande kon houden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
23. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gronden heeft ingediend tegen haar ongeloofwaardig geachte identiteit wegens het ontbreken van een paspoort. De ongeloofwaardigheid van dit asielmotief staat daarmee vast. De beroepsgronden gericht tegen het ongeloofwaardig geachte asielmotief dat eiseres problemen heeft met haar zwager, slagen niet. De ongeloofwaardigheid van dit asielmotief staat daarmee vast. De gronden die zien op de positie van een alleenstaande vrouw in Somalië slagen evenmin. Het beroep is dan ook ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 19 maart 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.