RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/697217 / JE RK 26-15
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
- [de minderjarige 1] geboren op [geboortedatum 1] 2022 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
- [de minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. J.G. Schnoor uit Den Haag,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J.M.C. Wittens uit Den Haag.
De kinderrechter merkt als informant aan:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 januari 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026. Het verzoek is gecombineerd behandeld met het verzoek van de vader om een zorg-/omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en de kinderen. Op het verzoek van de vader wordt bij afzonderlijke beschikking, onder zaak- en rekestnummer C/09/678796 FA RK 25-376, beslist.
Op de zitting van 5 februari 2026 waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- [naam 1] namens de Raad;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 2] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige 2] heeft geen mening gegeven.
2. De feiten
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. [de minderjarige 2] is veel afwezig van school en wordt belast met zaken voor volwassenen. De Raad is bezorgd dat [de minderjarige 2] het idee heeft dat hij moet kiezen tussen zijn ouders. Hij is getuige van de interactie tussen zijn ouders en heeft negatieve informatie over de vader gehoord. De traumabehandeling van [de minderjarige 2] is nog niet van de grond gekomen, omdat de moeder de intake was vergeten. Daarnaast zijn er zorgen over dat [de minderjarige 1] niet meer gaat naar de Peuterwerkplaats en Integrale Vroeghulp niet van de grond is gekomen, terwijl de moeder zich wel zorgen maakt over mogelijke kindeigen problematiek bij [de minderjarige 1] . Het gezin is opnieuw aangemeld voor Integrale Vroeghulp, zodat de moeder ontlast kan worden en er meer zicht kan komen op het gedrag en de ontwikkeling van [de minderjarige 1] . Verder zijn er zorgen over de basale verzorging, zoals voeding en dagelijkse hygiëne, en wordt er een verwaarloosde en onhygiënische leefomgeving gezien. Op [de minderjarige 1] is er momenteel geen toezicht, omdat er geen zicht is op de opvoedsituatie bij de moeder thuis. Ook maakt de Raad zich zorgen om de verstandhouding tussen de ouders, omdat zij slecht tot niet communiceren, geen gezamenlijk ouderschap dragen en elkaar diskwalificeren als ouders. Hulpverlening komt niet van de grond, omdat de moeder uit contact gaat of afspraken afzegt. Het is noodzakelijk dat een jeugdbeschermer regie gaat voeren over de benodigde hulpverlening. Er is hulpverlening noodzakelijk op het gebied van traumabehandeling voor [de minderjarige 2] , observatie en diagnostiek voor [de minderjarige 1] . [de minderjarige 2] dient naar school te gaan en [de minderjarige 1] moet een vorm van dagbesteding krijgen. Voor de vader en de moeder is opvoedondersteuning en voor de moeder individuele hulpverlening noodzakelijk. Aangezien de zorgen al geruime tijd spelen en hulp in het vrijwillig kader niet tot verbetering heeft geleid of niet van de grond is gekomen, is een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar noodzakelijk.
4. De standpunten
Door en namens de moeder is ingestemd met het verzoek tot ondertoezichtstelling. De moeder is op dit moment overbelast. Zij ziet in dat zij hulp nodig heeft en wil ontlast worden. De moeder is op dit moment niet in staat om de kinderen de juiste opvoeding en structuur te bieden. Verder heeft de moeder aangegeven dat als de vader zich niet aan afspraken houdt, dit een grote invloed heeft op de moeder en het gedrag van de kinderen thuis en op school. Daarnaast heeft de moeder benoemd dat [de minderjarige 2] moeite heeft met de vele wisselingen van leerkrachten en directeuren op school. [de minderjarige 1] zal binnenkort beginnen op de Peuterwerkplaats, waar hij indien nodig een-op-een begeleiding kan krijgen.
Door en namens de vader is ingestemd met het verzoek tot ondertoezichtstelling. De vader vindt het belangrijk dat er in het gedwongen kader zicht komt op het wel en wee van de kinderen. De vader staat open voor hulpverlening en wil de samenwerking met de gecertifieerde instelling aangaan. Ook wil de vader werken aan de communicatie met de moeder. De vader wil bovendien een grotere rol spelen in het leven van de kinderen.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn getuige van de slechte verstandhouding tussen hun ouders en de incidenten die tussen hen plaatsvinden. Dit is schadelijk voor hen en kan er mogelijk toe leiden dat zij zich in een loyaliteitsconflict zullen bevinden. Daarnaast zijn er zorgen over de basale verzorging en de opvoedsituatie van de kinderen. De moeder lijkt overbelast en kan de kinderen niet de benodigde structuur bieden. Bij [de minderjarige 1] is er mogelijk sprake van kindeigen problematiek en het is goed dat hier door middel van de Peuterwerkplaats zicht op zal komen. Met betrekking tot [de minderjarige 2] zijn er zorgen over zijn schoolgang en over dat zijn traumatherapie nog niet gestart is. Bovendien wordt hij belast met zaken voor volwassenen. De kinderrechter ziet dat de vader en de moeder de afgelopen periode geprobeerd hebben om positieve stappen te maken, maar dat zij onvoldoende in staat zijn gebleken om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen met vrijwillige hulpverlening weg te nemen. Het is noodzakelijk dat er een jeugdbeschermer betrokken raakt die, in samenwerking met de vader en de moeder, regie kan voeren op de benodigde hulpverlening voor zowel de kinderen als hun ouders.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 5 februari 2026 tot 5 februari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 door mr. A.S. Perniciaro, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 19 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.