RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13434
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Procesverloop
Bij besluit van 10 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
De rechtbank stelt vast dat de minister tijdens de zitting lichte gronden 4b, 4d en 4e heeft laten vallen.
Eiser heeft zware grond 3i en lichte grond 4a betwist. Ten aanzien van zware grond 3i stelt de rechtbank vast dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij deze aan de maatregel van bewaring ten grondslag mocht leggen. Bij de zware grond 3i is het van belang dat de vreemdeling te kennen geeft dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer. De minister heeft aan zware grond 3i ten grondslag gelegd dat eiser niet is verschenen op het vertrekgesprek van 16 januari 2026 en dat eiser in beroep is gegaan tegen het besluit van 10 juli 2025, waarin is besloten om aan eiser een terugkeerbesluit op te leggen per 4 september 2025. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat eiser in beroep is gegaan tegen het besluit van 10 juli 2025, onvoldoende is om aan te nemen dat eiser te kennen heeft gegeven geen gevolg te geven aan zijn verplichting tot terugkeer. Eiser heeft immers de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen een besluit waar hij niet mee eens is. Evenmin is het feit dat eiser niet is verschenen op het vertrekgesprek van 16 januari 2026 een afdoende motivering voor deze grond. Het enkele feit dat eiser éénmaal niet is verschenen op een vertrekgesprek, is onvoldoende om uit af te leiden dat hij geen gevolg wil geven aan zijn terugkeerplicht. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser heeft gesteld dat hij de uitnodiging van 8 januari 2026 voor dit vertrekgesprek niet heeft ontvangen en dat hij eerder altijd een e-mail ontving met de afspraak maar nu niet. Hiermee is de feitelijke juistheid van deze grond onvoldoende toegelicht.
De rechtbank stelt vast dat de minister lichte grond 4a ook niet aan de maatregel van bewaring ten grondslag mocht leggen. Bij de lichte grond 4a is van belang dat de vreemdeling zich niet heeft gehouden aan een of meer voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 en dat daaruit een risico op onttrekking voortvloeit. De minister heeft aan lichte grond 4a ten grondslag gelegd dat eiser zijn onrechtmatig verblijf in Nederland niet heeft gemeld bij de korpschef, op grond van artikel 4.39 van het Vb 2000 en dat eiser op de dag dat hij Nederland inreisde, niet beschikte over een geldig document, als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000. Dit is feitelijk juist, maar de minister heeft ten aanzien van deze grond onvoldoende gemotiveerd waarom hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen voortvloeit. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser als zogenoemde derdelander uit Oekraïne naar Nederland is gereisd, waarbij hij inderdaad geen geldig inreisdocument had, maar wel als ontheemde bescherming heeft gekregen op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en tot voor kort ook op basis daarvan rechtmatig verblijf had. Het valt niet zonder meer in te zien waarom uit de omstandigheid dat een derdelander zonder geldig inreisdocument vanuit Oekraïne naar Nederland reist, een onderduikrisico voortvloeit. Verder is het ook juist dat eiser zich na de beëindiging van zijn recht op tijdelijke bescherming per 4 september 2025 niet bij de korpschef heeft gemeld. Zeker nu eiser, in overleg met zijn gemachtigde, beroep heeft ingesteld tegen dat besluit acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd waarom hieruit een onderduikrisico voortvloeit. Daarnaast staat eiser ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). De minister is dan ook bekend met zijn voortdurende verblijf in de gemeente Apeldoorn. Ook beschikt eiser over een geldig Nigeriaans paspoort.
Eiser is in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef onder a, van de Vw 2000. Om deze wettelijke grondslag te gebruiken, moet zijn voldaan aan de vereisten uit artikel 5.1a, eerste lid, van het Vb 2000. Daarin staat dat een vreemdeling in bewaring kan worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, of de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Aan deze voorwaarden voor inbewaringstelling is volgens artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb 2000 voldaan als ten minste twee van de gronden, bedoeld in het derde en vierde lid zich voordoen.
Gelet op dat wat onder 1.2 is overwogen, mochten zware grond 3i en lichte grond 4a niet aan de maatregel van bewaring ten grondslag worden gelegd. Met het laten vallen van lichte gronden 4b, 4d en 4e, is slechts zware grond 3c feitelijk juist en mocht deze grond aan de maatregel van bewaring ten grondslag worden gelegd. Hiermee is niet voldaan aan artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb 2000. Naar het oordeel van de rechtbank kan zware grond 3c de maatregel van bewaring dan ook niet dragen. Het betoog slaagt.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
2. Eiser voert verder aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een minder vergaande maatregel, zoals een meldplicht.
Hoewel uit het voorgaande al volgt dat de enkele zware grond 3c de bewaring niet kan dragen en het beroep reeds daarom gegrond is, gaat de rechtbank ook op deze grond is. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 en 10 april 2015 en het arrest Mahdi van het Hof van Justitie van 5 juni 2014.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Ook als wel zou worden aangenomen dat de gronden 3i en 4a aan de bewaring ten grondslag hadden kunnen worden gelegd, blijft van belang dat eiser voor een langere periode rechtmatig verblijf had in Nederland, omdat hij recht had op tijdelijke bescherming, en dat eiser in beroep is gegaan tegen het besluit van 10 juli 2025. Verder is van belang dat eiser ingeschreven staat in de BRP, daarom vindbaar is voor de minister om zijn eventuele terugkeer te bewerkstelligen en ook daadwerkelijk op het adres waar hij stond ingeschreven is staandegehouden. De minister heeft deze omstandigheden ten onrechte niet in het voordeel van eiser meegewogen in de belangenafweging. Ook verder is in de maatregel niet toegelicht welke concrete aanwijzingen er waren om te vrezen dat eiser zou onderduiken. Dat eiser eenmaal niet zou zijn verschenen op een vertrekgesprek, waarvan hij heeft toegelicht dat hij die oproep niet had gekregen dan wel had gemist, acht de rechtbank in dit geval onvoldoende. Ook in zoverre heeft de minister de maatregel ondeugdelijk gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
Overige gronden
3. Gelet op het voorgaande is de maatregel vanaf het begin onrechtmatig. Daarom is het niet nodig om wat eiser verder heeft aangevoerd te bespreken en bestaat voor een verdere ambtshalve toetsing geen aanleiding.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan op 10 maart 2026 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 18 maart 2026.
5. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 9 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 9 x € 120 (verblijf detentiecentrum) = € 1.080.
6. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 18 maart 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.080 en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.