ECLI:NL:RBDHA:2026:5990

ECLI:NL:RBDHA:2026:5990

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-03-2026
Datum publicatie 20-03-2026
Zaaknummer NL26.12860
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Bewaring, terugkeerbesluit, grondslag van de maatregel, artikel 4 en 19 van het EU Handvest, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.12860

(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),

en

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is met behulp van een beeldverbinding verschenen. Tevens zijn verschenen de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Terugkeerbesluit

1. Aan eiser is op 29 december 2020 een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser voert aan dat het aanvullend terugkeerbesluit van 20 juni 2022 in strijd is met het arrest FS. Uit het arrest volgt dat een lidstaat een nieuw terugkeerbesluit kan nemen, wanneer het land van terugkeer niet is vermeld. Dit besluit moet dan het land van terugkeer vermelden en onderbouwd zijn. Uit het aanvullend terugkeerbesluit volgt enkel dat eiser terug dient te keren naar Algerije, verder is dit niet gemotiveerd.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat het terugkeerbesluit is opgelegd op 29 december 2020 en het aanvullend terugkeerbesluit, waarin de naam van het land waarnaar eiser moet terugkeren is vermeld, dateert van 20 juni 2022. Deze besluiten zijn onherroepelijk geworden waardoor er geen beroep meer open staat tegen beide besluiten. Los hiervan volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat de bewaringsrechter zich niet mag uitlaten over de rechtmatigheid van een (aanvullend) terugkeerbesluit. De bewaringsrechter moet wel controleren of voorafgaand aan dan wel gelijktijdig met de maatregel van bewaring een terugkeerbesluit is genomen. Er moet een besluit zijn dat als terugkeerbesluit is aan te merken en waarop de bewaring kan worden gebaseerd. Deze toets komt erop neer dat de rechter controleert of het besluit voldoet aan de specifieke vereisten die aan een terugkeerbesluit worden gesteld. Hieraan is voldaan.

Grondslag van de maatregel

2. Eiser voert aan dat de grondslag artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 geen juridische criteria bevat aan de hand waarvan de rechtmatigheid van de maatregel beoordeeld kan worden. De in artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn genoemde criteria staan immers niet in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Deze beroepsgrond slaagt niet. In de uitspraak van de Afdeling 25 maart 2020 heeft de Afdeling geoordeeld dat de verschillende juridische gronden om onderdanen van derde landen te detineren zijn vermeld in de Vw 2000. De minister moet een feitelijke en op de vreemdeling toegespitste toelichting geven, waaruit volgt dat en waarom aan de in de juridische grond gestelde vereisten is voldaan. In het nationaal recht zijn de feitelijke gronden vermeld in hoofdstuk 5, paragraaf 2, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). De zware en lichte gronden vormen in beginsel een motivering voor de wettelijke grondslag artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Dit houdt in dat de gebruikte grondslag artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 5.1a en 5.1b van het Vb 2000 de grondslag van de maatregel vormen. Uit artikel 5.1a, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Vb 2000 volgt dat sprake moet zijn van een risico op onttrekking en/of belemmering van de voorbereiding van het vertrek. Artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb 2000 verduidelijkt vervolgens wanneer daar sprake van is, namelijk wanneer zich ten minste twee van de gronden uit het derde en vierde lid zich voordoen. Deze lichte en zware gronden zijn ook in de maatregel van bewaring van eiser opgenomen en de minister heeft voldoende gemotiveerd waarom van deze gronden in het specifieke geval van eiser sprake is. Daarom is voldoende duidelijk op welke gronden eiser in bewaring is gesteld. Deze gronden zijn door eiser niet inhoudelijk betwist. De rechtbank komt op dit punt niet tot een andere uitleg dan de Afdeling van het Unierecht en ziet ook geen reden voor twijfel.

Artikel 4 en artikel 19 van het EU Handvest

3. Eiser voert aan dat de minister in strijd met het arrest Adrar en de Afdelingsuitspraak van 12 februari 2026 heeft gehandeld. Hieruit volgt dat de minister dient te toetsen aan zowel artikel 4 als artikel 19 van het EU Handvest. De minister heeft echter onvoldoende onderzocht of eiser een risico loopt op folteringen, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing dan wel refoulement. Daarnaast was eiser warrig tijdens het gehoor en kon hij daarom ook niet duidelijk verklaren over de risico’s die hij loopt in Algerije. Daarom is er ook geen sprake van een voldoende daadkrachtige motivering in de maatregel van bewaring.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende onderzoek gedaan naar een eventueel risico op onmenselijke behandeling dan wel een non-refoulement risico. De rechtbank stelt vast dat in het gehoor van 8 maart 2026 het volgende door eiser is verklaard:

‘Vraag: Loopt u gevaar in Algerije als u teruggaat?

Antwoord: Ik ben Nederlands, ik spreek Nederlands. Ik ben nooit in Algerije geweest. Ik wil nu met mijn advocaat spreken. Ik heb problemen in mijn hoofd. Ik wil niet meer met u praten.

Vraag: Kunt u en wilt u terug naar uw land?

Antwoord: Ik ben Nederlands. Ik praat Nederlands.’

Hieruit volgt dat de minister tijdens het gehoor expliciet heeft gevraagd naar een mogelijk risico dat eiser zou kunnen lopen bij terugkeer naar Algerije. Hiermee heeft eiser de mogelijkheid gekregen om te kunnen verklaren over mogelijke risico’s – van welke aard dan ook – die hij loopt in Algerije. Dat eiser niet in staat was om te verklaren, wordt niet gevolgd. Eiser heeft namelijk tijdens het gehele gehoor duidelijke antwoorden gegeven op de vragen van de politieambtenaar. Dat hij op deze specifieke vragen geen eenduidig antwoord gaf, doet daaraan niet af. Uit het door eiser verklaarde volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat hij vindt dat hij gevaar loopt in Algerije. Dit is nog eens bevestigd in het vertrekgesprek van 13 maart 2026. Tijdens dit gesprek heeft de regievoerder op drie verschillende momenten gevraagd of eiser gevaar loopt voor zijn leven in Algerije. Nadat eiser eerst verklaarde dat hij hiervoor eerst zijn advocaat wilde spreken, gaf hij uiteindelijk aan geen gevaar te lopen in Algerije.

Naar het oordeel van de rechtbank is de motivering van de minister in het besluit voldoende. De minister heeft het risico bij terugkeer op de volgende wijze gemotiveerd:

‘Beginsel van non-refoulement

Er is niet gebleken van zwaarwegende en op feiten berustende omstandigheden waaruit blijkt dat u bij terugkeer een reëel risico loopt dat u zal worden onderworpen aan de doodstraf, aan foltering of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, omdat: hij alleen antwoord nooit in Algerije te zijn geweest maar geeft niet direct antwoord op de vraag of hij ook gevaar loopt.’

Zoals volgt uit voorgaande overweging heeft eiser niets relevants aangevoerd in het kader van artikel 4 dan wel artikel 19 van het EU Handvest. Uit het arrest en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026 volgt dat in de maatregel van bewaring in het kader van de beoordeling of sprake is van zicht op uitzetting, voldoende kenbaar moet zijn gemotiveerd dat het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen de uitzetting. Hieruit blijkt dat indien de vreemdeling geen vrees heeft bij terugkeer, zoals in onderhavig geval, de minister kan volstaan met de motivering dat niet is gebleken dat het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de uitzetting.

Uit de motivering in de maatregel volgt verder voldoende dat de minister ook rekening heeft gehouden met artikel 4 van het EU Handvest. Uit de motivering volgt immers dat de minister rekening heeft gehouden met het risico om onderworpen te worden aan de doodstraf, aan foltering of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Bovendien volgt uit de Afdelingsuitspraak van 12 februari 2026 dat ook als niet uitdrukkelijk in de maatregel is gemotiveerd dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat betrokkene in het land van bestemming een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden behandelingen, op grond van de bewoordingen van de motivering, waarin wordt verwezen naar het gehoor, kan worden aangenomen dat deze beoordeling hierin besloten ligt en op deze wijze voldoende kenbaar is. Aangezien de minister in het gehoor heeft gevraagd naar ‘gevaar in Algerije’, ligt de beoordeling van artikel 4 van het EU Handvest besloten in de motivering. Het expliciet noemen van artikelen in de motivering in de maatregel is daarom niet nodig. Eiser heeft in beroep verder ook geen feiten en omstandigheden genoemd op grond waarvan nu tot een ander oordeel moet worden gekomen over het non-refoulement risico.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg

Griffier

  • mr. N. El-Amrani

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?