Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/695759 / KG ZA 25-1202
Vonnis in kort geding van 10 februari 2026
in de zaak van
[de moeder] te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. C. Ekholm te Leiden,
tegen:
[de vader] te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. M.J. den Hollander-Fischer te Leiden.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de moeder’ en ‘de vader’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie met producties;
- de op 27 januari 2026 gehouden mondelinge behandeling.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2. De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Partijen zijn van [datum 1] 2009 tot en met [datum 2] 2025 met elkaar getrouwd geweest. Zij zijn de ouders van [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ( [land] ), [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats 1] ( [land] ), en [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2017 te [geboorteplaats 2] . De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
Partijen zijn in het ouderschapsplan, dat onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 13 november 2024 (hierna het ouderschapsplan), voor zover hier van belang, overeengekomen dat [de minderjarige 1] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben zodra de vader eigen woonruimte heeft en dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben. Met betrekking tot de zorgregeling zijn zij overeengekomen dat zodra de vader over eigen woonruimte beschikt de kinderen om de week een hele week bij de vader verblijven en een hele week bij de moeder met de wissel op zondag om 17.00 uur. De feestdagen en vakantiedagen zullen partijen in onderling overleg ieder bij helfte op zich nemen.
De vader heeft medio juli 2025 een huurhuis in [plaats 1] toegewezen gekregen. [de minderjarige 1] heeft zijn hoofdverblijfplaats inmiddels bij de vader en gaat in [plaats 1] naar school.
3. Het geschil
in conventie
De moeder vordert – zakelijk weergegeven – nakoming van de in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag met terugwerkende kracht vanaf het moment dat de vader over eigen woonruimte beschikte. Daarnaast vordert de moeder de vader te veroordelen in de proceskosten.
Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. De vader beschikt inmiddels al geruime tijd over eigen woonruimte, maar hij weigert de in het ouderschapsplan overeengekomen co-ouderschapsregeling na te komen. Het is noodzakelijk dat de vrouw vanwege haar chronische rugklachten zo snel mogelijk wordt ontlast in de zorg van de kinderen en dat de vader de overeengekomen zorgregeling nakomt.
De vader voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
De vader vordert – zakelijk weergegeven – te bepalen dat de huidige feitelijke zorgregeling, waarbij de kinderen in de oneven week van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur en de andere week van zaterdag 10.00 uur tot 18.00 uur en de helft van de vakanties bij vader zijn, zal gelden totdat in de bodemprocedure tot wijziging van de zorgregeling is beslist, dan wel een in goede justitie te bepalen beslissing te nemen.
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. Er is sprake van een wijziging van de omstandigheden ten opzichte van de situatie ten tijde van het tekenen van het ouderschapsplan. Partijen gingen er bij het opstellen van het ouderschapsplan namelijk vanuit dat de vader een woning zou krijgen in de omgeving van de school van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] . Dat is niet het geval. De vader heeft een huis gekregen in [plaats 1] . Daar vandaan kunnen de kinderen niet zelfstandig naar school. Ook is het vanwege zijn werk niet mogelijk om [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] voorafgaand aan zijn werkdag naar school te brengen. Als hij dit toch zou doen dan verliest hij zijn baan.
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
in conventie en in reconventie
Omdat de vorderingen van de ouders nauw met elkaar samenhangen worden ze hierna gezamenlijk besproken.
Uitgangspunt is dat een door de rechtbank vastgestelde zorgregeling (het door partijen opgestelde ouderschapsplan) moet worden nagekomen. Als een van partijen wijziging van de zorgregeling wil, moet dat in beginsel in een bodemprocedure aan de orde worden gesteld. De vader heeft pas nadat de moeder deze kort gedingprocedure is gestart bij deze rechtbank een verzoekschrift tot wijziging van de zorgregeling ingediend en daarop moet nog worden beslist. De vraag die in dit kort geding voorligt is, of er sprake is van omstandigheden die op dit moment onverkorte nakoming van de zorgregeling in de weg staan.
De voorzieningenrechter overweegt in dit verband dat op de zitting is gebleken dat partijen bij het opstellen van het ouderschapsplan er vanuit zijn gegaan dat een co-ouderschapsregeling praktisch uitvoerbaar zou zijn. Daarbij veronderstelden zij dat ook de vader op basis van urgentie een woning in [plaats 2] zou kunnen krijgen, in de buurt van de school van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] . Dat is de vader, ondanks pogingen daartoe, niet gelukt. Hij heeft na verloop van tijd wel een huis in [plaats 1] toegewezen gekregen, op ruim 6 km afstand van de school. De vader stelt dat daarmee een relevante wijziging van omstandigheden is opgetreden, die aanpassing van de zorgregeling noodzakelijk maakt.
De voorzieningenrechter volgt de vader daarin. Het is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden dat het door de werktijden van de vader, die in de bouw werkt en daarom vroeg moet starten, op dit moment praktisch onmogelijk is [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] voorafgaand aan zijn werk naar school te brengen. Dat zou immers betekenen dat hij pas rond 9 uur aan het werk kan. Dit kan op dit moment niet van hem worden verlangd, omdat hij anders een reëel risico loopt zijn baan te verliezen. Hierbij weegt de voorzieningenrechter mee dat het van belang is dat de vader zijn werk behoudt om zo de resterende huwelijkse schulden (die hij geheel voor zijn rekening heeft genomen) te betalen.
Op de zitting heeft de voorzieningenrechter al aangegeven dat van de vader, gelet op de medische toestand van de moeder, wel kan worden verwacht dat hij zoveel als mogelijk helpt met de praktische zorg voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] . De vader heeft gezegd daartoe bereid te zijn. Zo zal hij [de minderjarige 2] naar de voetbaltrainingen (doordeweeks) en wedstrijden (zaterdag) gaan brengen en ophalen. Ook zullen [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] , anders dan de vader in reconventie heeft gevorderd, voorlopig elk weekend geheel bij hem gaan doorbrengen.
De moeder zal [de minderjarige 3] wel zelf naar de zwemles (doordeweeks) moeten blijven brengen en weer ophalen. Het is tevens aan de moeder om [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] van en naar school te halen en brengen, voorzover zij dat nog niet zelfstandig kunnen. Daarbij kan zij zo mogelijk ook derden inschakelen om die taak (deels) van haar over te nemen.
Ten aanzien van [de minderjarige 1] is voldoende aannemelijk geworden dat het op dit moment niet in zijn belang is dat hij wordt verplicht om de week een hele week bij de moeder te verblijven. De moeizame verhouding met de moeder is immers mede de reden geweest dat hij voltijds bij de vader is gaan wonen. Bovendien zit hij in [plaats 1] op school en is hij op een leeftijd dat hij zelf afspraken kan maken met de ouders. De voorzieningenrechter benadrukt daarbij wel dat het van belang is dat [de minderjarige 1] zijn moeder, [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] regelmatig blijft zien en dat de vader dit contact ook stimuleert en faciliteert.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van de moeder die strekt tot nakoming van de zorgregeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan wordt afgewezen.
De voorzieningenrechter zal de in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling voorlopig wijzigen, zoals hierna is bepaald. Deze regeling zal gelden totdat de ouders in onderling overleg anders overeen komen of totdat een (bodem)rechter meer of anders beslist.
Nu partijen ex-partners zijn en dit geschil de zorgregeling betreft wordt daarin aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij zowel in conventie als in reconventie de eigen proceskosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie
wijst de vorderingen af;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in reconventie
bepaalt dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] voorlopig elk weekend van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de vader zullen verblijven, waarbij de vader hen zal ophalen bij en terugbrengen naar de moeder;
bepaalt dat de vader [de minderjarige 2] voorlopig naar de voetbaltrainingen (doordeweeks) en wedstrijden (zaterdag) zal brengen en weer ophalen;
bepaalt dat de contacten tussen de moeder en [de minderjarige 1] in onderling overleg zullen plaatsvinden;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-Van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.
AW