RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.3916 (beroep) en NL26.3917 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden)
en
(gemachtigde: mr. A. Sarmastzada).
1. Eiser komt uit Polen. Hij heeft een asielaanvraag ingediend. Hij stelt dat hij bij terugkeer naar Polen te vrezen heeft voor zijn leven vanwege zijn betrokkenheid bij een criminele drugsorganisatie in het verleden.
Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Eiser is een Europees onderdaan. Europese lidstaten beschouwen elkaar als veilige landen van oorsprong voor alle juridische en praktische doeleinden in verband met asielzaken. Er is volgens verweerder geen aanleiding de asielaanvraag van eiser inhoudelijk te behandelen, omdat niet is gebleken van een situatie als bedoeld in protocol nr. 24 van het VWEU. Ook is niet gebleken dat aan eiser fundamentele rechten zijn onthouden. Bovendien heeft eiser zich nooit voor hulp of bescherming tot de Poolse autoriteiten gewend. Daarom ziet verweerder geen aanleiding om van het interstatelijk vertrouwensbeginsel af te wijken. Afgelopen jaar is eisers verblijfsrecht ingetrokken en daarom moet eiser Nederland onmiddellijk verlaten.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Polen een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM. Niet is gebleken dat verweerder in het geval van eiser ten aanzien van Polen niet kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het beroep van eiser is daarom ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en wat de gevolgen hiervan zijn.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 7 januari 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit van 22 januari 2026 niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat eiser niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser was niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Poolse nationaliteit en is geboren op [datum] 1984. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Bij terugkeer naar Polen vreest hij voor zijn leven vanwege zijn betrokkenheid bij een criminele drugsorganisatie in het verleden. In de afgelopen jaren is eiser twee keer teruggegaan naar Polen voor de uitvaarten van zijn beide ouders. Beide keren is hij aangevallen door onbekende personen. Eiser vermoedt dat deze aanvallen te maken hebben met zijn eerdere betrokkenheid bij de criminele drugsorganisatie.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van protocol nr. 24 van het VWEU, omdat eiser een Europees onderdaan is. Ten aanzien van Polen gaat verweerder uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens het protocol zijn er vier situaties waarin een asielaanvraag ontvankelijk kan worden verklaard, maar in eisers geval is er geen sprake van één van deze situaties.
Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft immers op geen enkele wijze geprobeerd bescherming te krijgen van de Poolse autoriteiten. Ook heeft eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat tegen hem een arrestatiebevel is uitgevaardigd. Laat staan dat dit zou leiden tot aanhouding en detentie. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege problemen met een drugsorganisatie. Eisers verklaringen over de twee incidenten bij de uitvaarten van zijn ouders zijn niet consistent en hij heeft ook niet aangetoond dat de incidenten verband houden met zijn betrokkenheid bij de criminele drugsorganisatie in het verleden. Evenmin is gebleken dat eiser na zijn vertrek uit Polen om deze reden problemen heeft ervaren. Verder heeft eiser pas asiel aangevraagd nadat zijn rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht was ingetrokken. Eiser was meermaals in aanraking gekomen met de Nederlandse autoriteiten en had dus al ruim gelegenheid gehad om asiel aan te vragen. Daarbij merkt verweerder op dat de politie op 17 december 2025 aan eiser heeft gevraagd of hij bij terugkeer naar Polen ergens voor vreest, maar eiser heeft toen verklaard dat hij nergens voor vreest.
Eiser heeft op 19 augustus 2025 een besluit ontvangen waarin staat dat zijn EU-verblijfsrecht is ingetrokken. Volgens verweerder moet eiser Nederland daarom onmiddellijk verlaten.
Had verweerder eiser aanvullend moeten horen?
5. Eiser voert aan dat verweerder eiser ten onrechte niet aanvullend heeft gehoord. Eiser heeft tijdens het gehoor veilig land van herkomst aangegeven dat hij erg moe was en dat hij medische problemen heeft. Daarom is het gehoor vroegtijdig beëindigd. Eiser heeft aangegeven dat hij bereid was om het gehoor op een later moment kon voortzetten. Hier heeft verweerder ten onrechte geen gehoor aan gegeven. Tijdens een aanvullend gehoor had eiser eventuele onduidelijkheden kunnen ophelderen.
De rechtbank volgt eiser niet. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij zijn gehoor niet kon voortzetten wegens medische klachten en ook niet welke onderdelen van zijn relaas hij nader had willen toelichten. Daarbij heeft de hoorambtenaar aan het begin van het gehoor aan eiser gevraagd of hij in staat is om het gehoor te laten plaatsvinden. Hierop heeft eiser bevestigend geantwoord. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien voor een aanvullend gehoor. Bovendien heeft eiser de gelegenheid gehad om onduidelijkheden te verhelderen in de aanvullingen en correcties, de zienswijze en de beroepsgronden. Eiser is daarom ook niet in zijn belangen geschaad. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Polen een reëel risico loopt op ernstige schade?
6. Eiser voert aan dat hij om twee redenen een risico loopt op ernstige schade, zoals neergelegd in artikel 3 van het EVRM. Enerzijds wordt eiser door de Poolse autoriteiten gezocht voor het niet betalen van alimentatie. Daarvoor staat een maximale gevangenisstraf van één jaar. Eiser verwijst hiertoe naar een opsporingsbericht op een website van de Poolse autoriteiten. In het verlengde hiervan voert eiser aan dat de detentieomstandigheden in Polen slecht zijn en niet voldoen aan de Europese normen. Eiser wijst in dit kader op verschillende bronnen en een uitspraak waaruit volgt dat ten aanzien van Polen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Nu uit het opsporingsbericht volgt dat eiser in Polen met een gevangenisstraf zal worden geconfronteerd, dient verweerder te onderzoeken welk risico eiser loopt in een Poolse gevangenis. Verweerder heeft dit nagelaten.
Anderzijds loopt eiser een reëel en voorzienbaar risico omdat hij wordt gezocht door de criminele drugsorganisatie waar hij in het verleden banden mee had. Vermeende inconsistenties in zijn verklaringen zijn een gevolg van trauma, tijdsverloop en psychische en fysieke uitputting. Eiser heeft geen bescherming gezocht bij de Poolse autoriteiten, omdat hij vreest dat contact met de politie bekend zou worden bij de criminele drugsorganisatie. Ook zal dit leiden tot aanhouding en detentie, omdat hij wordt gezocht voor het niet betalen van alimentatie. In detentie kan eiser opnieuw leden van de drugsorganisatie tegenkomen. Eiser voert tot slot aan dat verweerder hem niet kan tegenwerpen dat hij pas asiel heeft aangevraagd nadat zijn Unierechtelijk verblijfsrecht was ingetrokken. Eiser heeft jarenlang rechtmatig in (andere) lidstaten verbleven waardoor geen aanleiding bestond om internationale bescherming aan te vragen. Bovendien werd een nieuw gewelddadig incident met de Poolse criminele drugsorganisatie pas concreet na de intrekking van zijn verblijfsrecht en een mogelijke uitzetting naar Polen. Eisers verklaring dat hij nergens voor vreest, tijdens het politieverhoor van 17 december 2025, is afgelegd buiten de asielcontext. Daarom kan aan die verklaring niet de betekenis worden gehecht die verweerder daaraan geeft. Volgens eiser heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar Polen geen reëel risico loopt op ernstige schade.
De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Polen een reëel risico loopt op ernstige schade. De beroepsgrond slaagt daarom niet. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Gevangenisstraf
Allereerst overweegt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Polen voor het niet betalen van alimentatie te maken zal krijgen met strafrechtelijke vervolging, en dat hij zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf. De enkele verwijzing van eiser naar het opsporingsbericht op de Poolse website en de daarbij aangehaalde wetsartikelen acht de rechtbank onvoldoende. Uit het opsporingsbericht blijkt namelijk niet waarom eiser op deze opsporingslijst staat. Het is onduidelijk of het gaat om een veroordeling of een nog openstaand strafbaar feit. Daarnaast bevat de desbetreffende strafbepaling verschillende strafmodaliteiten, namelijk een boete, een vrijheidsbeperkende straf of een maximale gevangenisstraf van een jaar, waardoor het onduidelijk is of eiser in geval van een veroordeling zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf. Ook is onduidelijk of Polen überhaupt zal gaan vervolgen, nu het gaat om een verdenking van meer dan zes jaar geleden. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Polen in de gevangenis belandt, heeft verweerder niet meer onderzoek hoeven doen naar welk risico eiser in de gevangenis zal lopen.
Criminele drugsorganisatie
Voor zover eiser vreest voor de leden van de drugsorganisatie, overweegt de rechtbank dat van eiser mag worden verwacht dat hij de hulp of bescherming van de Poolse autoriteiten inroept. Dat het bij voorbaat zinloos is om de bescherming van deze autoriteiten in te roepen, heeft eiser evenmin aannemelijk gemaakt. Hij heeft bijvoorbeeld geen stukken overgelegd die hierop wijzen. In eisers verklaringen over de drugsorganisatie heeft verweerder ook geen aanknopingspunten hoeven zien om niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te kunnen gaan. Eiser heeft tijdens zijn gehoor inconsistent verklaard over de incidenten die de kern van zijn asielrelaas raken. Hij heeft niet onderbouwd dat de inconsistenties het gevolg zijn van trauma, tijdsverloop of psychische dan wel fysieke uitputting. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de gestelde incidenten verband houden met de drugsorganisatie en ook niet dat hij op dit moment in de negatieve aandacht staat van de drugsorganisatie. Eiser heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade omdat hij wordt gezocht door de criminele drugsorganisatie.
Late asielaanvraag
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft meegewogen dat in de tijd dat eiser een verblijfsrecht had, hij nooit naar voren heeft gebracht dat hij in Polen ergens voor vreest. Eisers stelling dat hiertoe geen noodzaak was omdat hij rechtmatig verblijf had, volgt de rechtbank niet. Van een vreemdeling die internationale bescherming zoekt, mag immers worden verwacht dat hij dat zo snel mogelijk doet. Dat hij dit niet heeft gedaan doet afbreuk aan eisers gestelde vrees. Daarbij volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat als een vreemdeling echt te vrezen heeft, hij geen misdrijven zal plegen in het land waar hij bescherming zoekt omdat dit consequenties kan hebben voor zijn verblijfsstatus. Dat eiser bij de politie heeft gezegd dat hij nergens voor vreest doet naar het oordeel van de rechtbank verder af aan het feit dat eiser bij terugkeer mogelijk een reëel risico loopt op ernstige schade.
Conclusie en gevolgen
7. Verweerder heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft.
Nu op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Nieuwenhuijs, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.